Uitspraak BRS.26.002215
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4532
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002215
ECLI:NL:RVS:2026:4532
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.5976 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Sewnath, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De door de minister in zijn enige grief opgeworpen rechtsvraag over de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4375, onder 5.1. Uit die uitspraak volgt dat de grief slaagt. Wat betrokkene daarover in haar schriftelijke uiteenzetting heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling heeft in die uitspraak het AIDA-rapport over Slovenië van mei 2026 (update over 2025) betrokken bij haar oordeel over de opvangvoorzieningen. Verder heeft betrokkene weliswaar aangevoerd dat zij zich als alleenreizende lesbische vrouw in een kwetsbare positie bevindt, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, en dat zonder individuele garanties onvoldoende is gewaarborgd dat zij na overdracht adequate opvang- en zorgvoorzieningen zal kunnen krijgen. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is om zich in Slovenië tot de bevoegde autoriteiten te wenden.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overweging in hoger beroep nog moet worden beslist.
3. De beroepsgrond dat er in Slovenië onvoldoende waarborgen zijn voor effectieve rechtsbijstand door de ontslagbepalingen voor vluchtelingenadviseurs in de Sloveense International Protection Act, slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 juli 2026, onder 6.2, geoordeeld dat deze ontslagbepalingen niet afdoen aan het uitgangspunt dat de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
4. Voor zover betrokkene in beroep heeft aangevoerd dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat aan betrokkene een visum voor Slovenië is verstrekt via een vertegenwoordigingsregeling waarbij Nederland namens Slovenië heeft gehandeld, daarvoor onvoldoende is. Daarmee is het besluit van 31 januari 2026 op dit onderdeel deugdelijk gemotiveerd. Betrokkene heeft in beroep niets naar voren gebracht wat niet al in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is beoordeeld en aanleiding zou kunnen geven tot het gebruik van de in dat artikellid opgenomen bevoegdheid.
5. Het beroep is ongegrond. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.5976;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
18