Uitspraak BRS.25.001581
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4375
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
l
BRS.25.001581
ECLI:NL:RVS:2026:4375
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025 in zaak nr. NL25.38678 in het geding tussen:
betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E.C. Kaptein, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Slovenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Aan dit besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij voor Slovenië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich, zonder nader onderzoek te verrichten naar de situatie in Slovenië, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan en dat betrokkene als Dublinclaimant geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest bij terugkeer naar dat land. De minister kan zich met dat oordeel niet verenigen.
1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij bij de toepassing van de Dublinverordening voor Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In deze uitspraak wordt ingegaan op de toegang van Dublinclaimanten tot opvangvoorzieningen en rechtsbijstand in Slovenië.
1.2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Ondanks dat de termijn om betrokkene over te dragen aan Slovenië is verstreken, heeft de minister nog belang bij de beoordeling van het hoger beroep vanwege de precedentwerking die van de uitspraak van de rechtbank kan uitgaan. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, onder 4.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft een oordeel gegeven over de opvangomstandigheden in Slovenië. Daarbij heeft de rechtbank met name het rapport van Asylum Information Database, ‘Slovenia country report 2024 update July 2025’, (AIDA-rapport 2025) betrokken. De rechtbank heeft vastgesteld dat er in Slovenië tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen, maar zij heeft geoordeeld dat deze tekortkomingen nog niet structureel van aard zijn en hiermee nog niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt is. De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat het op basis van het AIDA-rapport 2025, met name passages op pagina 53, onduidelijk is hoe de opvang van Dublinclaimanten bij aankomst in Slovenië is geregeld. Met name vindt zij onduidelijk of Dublinclaimanten, net als andere asielzoekers, drie tot twintig dagen moeten wachten voordat zij hun asielaanvraag kunnen indienen of voortzetten en of zij gedurende die periode toegang hebben tot opvangvoorzieningen. Omdat de minister dit niet heeft kunnen verduidelijken, heeft de rechtbank geoordeeld dat hij nader onderzoek moet doen naar deze situatie.
4. Over het onderwerp rechtsbijstand heeft de rechtbank verder overwogen dat zij uit het AIDA-rapport 2025 niet eenduidig kan afleiden of de nieuwe bepalingen in de Sloveense International Protection Act over de gronden voor ontslag van vluchtelingenadviseurs in de praktijk worden toegepast. Deze vluchtelingenadviseurs zijn ‘refugee counsellors’ die asielzoekers in de beroepsprocedure juridisch gratis bijstaan. De rechtbank is van oordeel dat de ontslagbepalingen, als zij worden toegepast, een bedreiging vormen voor onafhankelijke en vertrouwelijke rechtsbijstand en een effectief rechtsmiddel voor asielzoekers ondermijnen, wat leidt tot een fundamenteel gebrek aan waarborgen in de asielprocedure in Slovenië. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ook nader onderzoek moet doen naar de toepassing van de desbetreffende bepalingen.
Opvang van Dublinclaimanten
5. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit het AIDA-rapport 2025 niet duidelijk blijkt hoe de opvang van Dublinclaimanten bij aankomst in Slovenië is geregeld. De minister betoogt dat er voor Dublinclaimanten geen obstakels zijn om toegang te krijgen tot de Sloveense asielprocedure en dat er een vorm van opvang is. Hij verwijst daarbij naar verschillende passages uit het AIDA-rapport 2025 en naar de factsheet ‘Information on procedural elements and rights of applicants subject to a Dublin transfer to Slovenia’, van 8 mei 2023, opgesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken van Slovenië en gepubliceerd op de website van de European Union Agency for Asylum (EUAA). Verder betoogt hij dat, zelfs indien Dublinclaimanten gedurende enkele dagen geen opvang zouden krijgen, daarmee niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, wordt bereikt.
5.1. De Afdeling overweegt dat uit het AIDA-rapport 2025, pagina’s 30, 31, 32, 80, en 81 volgt dat Dublinclaimanten die een asielwens kenbaar maken of hebben gemaakt, maar nog wachten op de formalisering daarvan, opvang ontvangen. Dat Dublinclaimanten die moeten wachten voordat zij hun asielaanvraag kunnen indienen of voortzetten, opvang ontvangen, volgt uitdrukkelijk ook uit de genoemde factsheet van 8 mei 2023, waarin de Sloveense autoriteiten hun handelwijze voor overgedragen Dublinclaimanten in algemene zin beschrijven. De Afdeling beschouwt deze informatie als een bevestiging van de Sloveense autoriteiten dat zij Dublinclaimanten in die periode opvang bieden. De Afdeling betrekt hierbij ook dat uit het meest recente AIDA-rapport over Slovenië (update 2025) van mei 2026
(AIDA-rapport 2026) geen wezenlijk ander beeld naar voren komt. Zie pagina’s 30, 31, 32, 79 en 80 van het AIDA-rapport 2026. Betrokkene heeft in deze zaak geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hij geen aanspraak zou kunnen maken op opvangvoorzieningen in Slovenië. Gelet op artikel 17 van de Opvangrichtlijn heeft hij dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de Sloveense autoriteiten geen materiële opvangvoorzieningen zullen bieden aan Dublinclaimanten of dat de autoriteiten er niet voor zullen zorgen dat deze voorzieningen een levensstandaard bieden die de bestaansmiddelen van Dublinclaimanten garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
5.2. De grief slaagt.
Rechtsbijstand
6. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister nader onderzoek moet doen naar de vraag of de ontslagbepalingen uit de Sloveense International Protection Act in de praktijk worden toegepast.
6.1. Voor zover de minister in zijn tweede grief betoogt dat uit het AIDA-rapport 2025 al duidelijk volgt dat de ontslaggronden voor vluchtelingenadviseurs in Slovenië in de praktijk niet worden toegepast, volgt de Afdeling dit niet. Uit de tekst van de door de minister aangehaalde passage op pagina 43 van het AIDA-rapport 2025 ("In practice, the provisions have not been used as refugee counsellors have not been appointed based on the new provisions yet") blijkt dat deze passage niet over de ontslaggronden gaat. Betrokkene wijst er in zijn schriftelijke uiteenzetting terecht op dat het in die passage gaat om twee andere bepalingen, namelijk de verplichting voor vluchtelingenadviseurs om een veiligheidscontrole te ondergaan en om toestemming te verkrijgen voor toegang tot vertrouwelijke informatie. Dit blijkt ook uit de tekst van pagina 42 van het AIDA-rapport 2026. Voor de ontslagbepalingen heeft de minister niet op passages uit het AIDA-rapport 2025 of andere bronnen gewezen waaruit zou blijken dat deze bepalingen niet in de praktijk worden toegepast.
6.2. In de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2644, waarin is geoordeeld dat voor Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, waren de nieuwe ontslagbepalingen in de Sloveense International Protection Act niet aan de orde. De vraag die nu voorligt is of de ontslagbepalingen afdoen aan het uitgangspunt dat de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Uit de ontslagbepalingen volgt dat een vluchtelingenadviseur door het ministerie van Justitie kan worden ontslagen indien wordt vastgesteld dat hij beschikt over kennis van de ware identiteit van de asielzoeker, in het bezit is van diens identiteitsdocumenten, op de hoogte is van de werkelijke leeftijd van een asielzoeker die stelt minderjarig te zijn, of kennis draagt van feiten op grond waarvan de asielzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming en deze feiten niet meldt aan het directoraat Migratie (pagina 43 van het AIDA-rapport 2025). Hoewel deze ontslaggronden vragen oproepen over de mate waarin de door vluchtelingenadviseurs verleende rechtsbijstand te allen tijde onafhankelijk en vertrouwelijk is, heeft de minister er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport 2025 niet blijkt dat dit in de praktijk heeft geleid tot stelselmatige beperkingen van of problemen met de rechtsbijstand aan asielzoekers. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan wel sprake is. De Afdeling betrekt hierbij dat uit het AIDA-rapport 2026 op dit punt geen wezenlijk ander beeld naar voren komt. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de asielprocedure in Slovenië als geheel een fundamentele systeemfout bevat die de vereiste bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt.
6.3. De grief slaagt.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat hij voor Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel daarover dan is vervat in haar uitspraak van 8 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2644. Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 21 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1106 en de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:120. De minister is niet gehouden om nader onderzoek te doen. Dit volgt uit het toetsingskader dat geldt voor de bewijslastverdeling bij de beoordeling of de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zie daarover de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, onder 4 tot en met 4.4. Het is daarom niet nodig om wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Het hogerberoepschrift roept voorts geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de minister de asielaanvraag als gevolg van tijdsverloop alsnog in behandeling moet nemen, heeft betrokkene bereikt wat hij met zijn beroep beoogde. Daarom heeft betrokkene geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025 in zaak nr. NL25.38678;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
18-1102