Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202502206/1/A3

Uitspraak 202502206/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4604
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de korpschef van politie de toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, ingetrokken. [appellant] werkt 35 jaar als beveiligingsmedewerker. Hij had van de korpschef sinds 19 juli 2021 toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr om voor SA-INT Security B.V. beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op 5 augustus 2023 heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en een bezoeker van café ’t Neutje in Hengelo, waar [appellant] werkzaam was. Er zijn hiervan beelden door cameratoezicht opgenomen en er zijn drie processen-verbaal opgemaakt, van 3 november 2023, 9 november 2023 en 12 april 2024. De korpschef stelt zich op het standpunt dat uit de camerabeelden en de processen-verbaal blijkt dat [appellant] disproportioneel geweld heeft gebruikt en daarom niet over de betrouwbaarheid beschikt die nodig is om als beveiliger te werken. Hij heeft daarom de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.
  • Hoger beroep
  • Beveiligingswerkzaamheden

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202502206/1/A3.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2025 in zaak nr. 24/3671 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de korpschef de toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, ingetrokken.

Bij besluit van 6 september 2024 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. Z.M. Nasir, advocaat in Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. C.E. Oosterlaken, bijgestaan door mr. S. Schiphorst, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.       De relevante bepalingen van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.       [appellant] werkt 35 jaar als beveiligingsmedewerker. Hij had van de korpschef sinds 19 juli 2021 toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr om voor SA-INT Security B.V. beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op 5 augustus 2023 heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en een bezoeker van café ’t Neutje in Hengelo, waar [appellant] werkzaam was. Er zijn hiervan beelden door cameratoezicht opgenomen en er zijn drie processen-verbaal opgemaakt, van 3 november 2023, 9 november 2023 en 12 april 2024. De korpschef stelt zich op het standpunt dat uit de camerabeelden en de processen-verbaal blijkt dat [appellant] disproportioneel geweld heeft gebruikt en daarom niet over de betrouwbaarheid beschikt die nodig is om als beveiliger te werken. Hij heeft daarom de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.

Uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef de toestemming mocht intrekken. De camerabeelden zijn op de zitting van de rechtbank getoond. Op de camerabeelden is volgens de rechtbank te zien dat [appellant] zijn knie naar voren beweegt richting de betrokkene en deze persoon vervolgens met zijn knie op de grond fixeert. Uit de beelden en processen-verbaal blijkt volgens de rechtbank dat [appellant] meer geweld heeft gebruikt dan noodzakelijk en proportioneel was onder de omstandigheden. Op het moment van de intrekking van de toestemming bestond daarom een serieuze verdenking over de betrouwbaarheid van [appellant]. Verder heeft de korpschef de belangen van [appellant] minder zwaar mogen wegen dan het belang van een betrouwbare veiligheidszorg, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Betrouwbaarheid

4.       [appellant] betoogt dat de camerabeelden verkeerd worden geïnterpreteerd en hij het incident niet is begonnen. De betrokkene is meermaals verteld dat hij het café niet mocht binnentreden, maar hij weigerde te vertrekken, uitte doodsbedreigingen en maakte een slaande beweging richting [appellant]. Het is niet te zien of [appellant] de betrokken persoon heeft geraakt. [appellant] is naar aanleiding van het incident niet als verdachte verhoord of vervolgd, aldus [appellant].

4.1.    De korpschef komt beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of een beveiligingsmedewerker voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren, dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:355).

4.2.    Uit paragraaf 3.3., onder b, van de Beleidsregels volgt dat tegen beveiligingsmedewerkers opgemaakte processen-verbaal of dag- en mutatierapporten ertoe kunnen leiden dat zij onvoldoende betrouwbaar worden geacht. Daarbij is van belang of tegen hen nog altijd een serieuze verdenking bestaat. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

4.3.    De korpschef heeft de intrekking van de toestemming gebaseerd op camerabeelden en verschillende processen-verbaal. Uit de processen-verbaal en camerabeelden blijkt volgens de korpschef dat [appellant] een schoppende beweging heeft gemaakt richting de betrokkene en ook zijn knie op zijn nek heeft gezet. [appellant] heeft dit, onder verwijzing naar de camerabeelden, betwist.

4.4.    Tijdens de zitting van de Afdeling zijn de camerabeelden getoond van het incident op 5 augustus 2023 bij café ’t Neutje. Anders dan de rechtbank en de korpschef is de Afdeling van oordeel dat op deze camerabeelden niet is te zien dat [appellant] als eerste fysiek geweld heeft gebruikt. Op de camerabeelden is te zien dat de betrokkene meermaals terugkomt bij de ingang, ondanks dat hij door [appellant] wordt weggestuurd. Ook is te zien dat de betrokkene toch probeert om langs [appellant] heen te komen om zich zo de toegang tot het café te verschaffen. Omdat de camera is gericht op de rug van de betrokkene is op basis van de camerabeelden niet uit te sluiten dat de betrokkene daarbij een slaande beweging maakt richting [appellant]. Op de beelden is te zien dat [appellant] een afwerende beweging maakt met zijn been richting de betrokkene. Op de beelden is vervolgens te zien dat [appellant] assistentie krijgt van een beveiligingsmedewerker van een café aan de overkant die na een schermutseling de benen van de betrokkene vastzet, terwijl [appellant] zijn knie op de schouderbladen van de betrokkene legt om hem op de grond in bedwang te houden. Daarbij is niet te zien dat [appellant] zijn knie op de nek van de betrokkene legt. Bovendien is aan de handgebaren van de betrokkene te zien dat [appellant] met de betrokkene in gesprek is gedurende de tijd dat hij op de grond in bedwang wordt gehouden. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] onder de omstandigheden voldoende de-escalerend heeft gehandeld. Uit de camerabeelden volgt niet dat [appellant] meer geweld heeft gebruikt dan noodzakelijk en proportioneel was onder de geschetste omstandigheden. De korpschef heeft zich daarom redelijkerwijs niet op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] onbetrouwbaar is. De korpschef heeft de toestemming niet mogen intrekken. Dit heeft de rechtbank miskend. Het betoog slaagt.

4.5.    Omdat het hoger beroep van [appellant] om deze reden al gegrond is, komt de Afdeling aan een bespreking van de overige gronden niet toe.

Slotsom

5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 6 september 2024 alsnog gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 17 mei 2024 herroepen. Dit betekent dat de toestemming niet is ingetrokken.

6.       De korpschef moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2025 in zaak nr. 24/3671;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 6 september 2024, kenmerk 24111;

V.      herroept het besluit van 17 mei 2024, kenmerk 319135;

VI.     veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4402,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 476,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.

w.g. Drop
voorzitter

w.g. Bus
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

1013

BIJLAGE

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Artikel 7

1. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.

2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.

(…)

5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019

3.3 Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden

De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:

a.veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b.andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Ad a. (veroordelingenen andere rechterlijke uitspraken)

De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:

1)binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,

2)binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd

(…)

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

Sepots, processen-verbaal en mutaties

Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.

Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon