Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202402052/1/R1

Uitspraak 202402052/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4602
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart de bezwaren ongegrond tegen de omgevingsvergunning die het college van B&W van Haarlem heeft verleend voor een appartementengebouw aan de Toekanweg in Haarlem. Daarmee is de vergunning voor een appartementengebouw met 823 woningen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² aan winkelruimte definitief. Ook kunnen 43 bomen worden gekapt. Op het perceel aan de Toekanweg stond een kantoorgebouw van Rijkswaterstaat. Van der Valk Hotel Haarlem is naast de bouwlocatie gevestigd en is het niet eens met de vergunning. Zij vindt dat er geen goede oplossing is voor het parkeren in de omgeving. Ook vindt zij dat het appartementengebouw te hoog wordt waardoor haar hotel wegvalt achter het gebouw, wat het zicht vanaf de Schipholweg op het hotel vermindert. Verder is Van der Valk het niet eens met de bouw van 5.000 m² aan winkelruimte. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak geeft het hotel geen gelijk en verklaart haar bezwaren ongegrond. Daarmee is de vergunning voor ruim 800 appartementen in Haarlem definitief.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bouwen
  • RO - Geluid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202402052/1/R1.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Van der Valk Exclusief Hotel Haarlem B.V., gevestigd in Haarlem,
appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuw te bouwen woningen aan de Toekanweg 7 in Haarlem.

Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 823 appartementen, 218 parkeerplaatsen en ongeveer 5.000 m2 commerciële ruimte aan de Toekanweg 7.

Beide besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen beide besluiten heeft Van der Valk beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Schonenvaert B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Alle partijen hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

Schonenvaert en Van der Valk hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2026, waar zijn verschenen:

- Van der Valk, vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, vergezeld van [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde C];

- het college, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar en mr. M. Gayir, beiden advocaat in Haarlem, vergezeld van mr. A.F. van Heusden, drs. S. van Schagen en L.T. Ebbers;

- Schonenvaert, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Ferwerda, advocaat in Rotterdam, vergezeld van [gemachtigde D], [gemachtigde E], [gemachtigde F] en [gemachtigde G].

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       De besluiten maken een gebouw met 823 woningen, ongeveer 5.000 m2 bruto-vloeroppervlak voor commerciële functies en een eenlaags parkeergarage met 218 parkeerplaatsen mogelijk aan de Toekanweg 7 in Haarlem. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan, uitweg en kappen. Op het perceel stond een kantoorgebouw dat in gebruik was bij Rijkswaterstaat. Schonenvaert is vergunninghouder.

3.       Van der Valk exploiteert een hotel op het aangrenzende perceel aan de Toekanweg 2. Zij verzet zich met name tegen het besluit vanwege het ontbreken van een goede oplossing voor het parkeren en de gevolgen van de bouwhoogte voor de waarde en exploitatiemogelijkheden van het hotel. Daarnaast voorziet het bouwplan in ongeveer 5.000 m2 aan commerciële ruimten, wat zij als ongewenste concurrentie beschouwt.

De beroepsgronden

De aanvraag

4.       Van der Valk betoogt dat een in het besluit genoemde aanvraag van 18 maart 2023 ontbreekt, zodat het college daarvoor geen omgevingsvergunning mocht verlenen. Zij heeft geen publicatie kunnen vinden van een ingekomen aanvraag van 18 maart 2023. Zij beschikt alleen over een aanvraagformulier van 29 juli 2022. Dit ziet echter op een geheel ander bouwplan.

4.1.    Op basis van wat daarover in paragraaf 3.2.1 van het deskundigenbericht is beschreven, stelt de Afdeling vast dat Schonenvaert op 29 juli 2022 een aanvraag heeft ingediend. Deze aanvraag is nadien gewijzigd, waarbij de wijzigingen zijn vervat in gewijzigde stukken en tekeningen. Blijkens het overzicht van stukken die behoren bij de omgevingsvergunning is een groot deel daarvan op 18 maart 2023 door het college ontvangen.

Hoewel het besluit een onjuiste vermelding van de datum van de aanvraag bevat, ziet de Afdeling in dit geval geen reden om daaraan een consequentie te verbinden. Daarvoor is van belang dat in dit geval de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb is gevolgd. Bij het volgen van die procedure is de hoofdregel dat op de aanvraag, die in dit geval dus voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is gewijzigd, wordt beslist zoals die met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Voor derden begint de procedure pas met de publicatie van terinzagelegging van het ontwerpbesluit. Bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure hoeft er ook geen kennisgeving te worden gedaan van de aanvraag (zie de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3449, onder 4).

Het betoog slaagt niet.

De verklaring van geen bedenkingen

5.       Van der Valk betoogt dat de raad geen goede afweging van belangen heeft kunnen maken voor de afgifte van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen (ontwerp-vvgb), omdat hij niet tijdig en volledig is geïnformeerd over het bouwplan waarvoor vergunning is verleend. De raad heeft in strijd met artikel 3.11 van de Wabo namelijk niet onverwijld de beschikking gekregen over de aanvraag en alle bijbehorende stukken. Daarnaast is het bouwplan op meer punten in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen dan in de ruimtelijke onderbouwing staat, waarbij Van der Valk specifiek wijst op de mogelijkheid van detailhandel en horeca. Ook heeft de raad geen kennis kunnen nemen van de voorschriften over horeca en detailhandel die het college later aan de vergunning heeft verbonden. Een kenbare belangenafweging hieromtrent ontbreekt bij het besluit tot afgifte van de ontwerp-vvgb.

5.1.    Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft de raad op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht categorieën van gevallen aangewezen waarin geen vvgb van de raad is vereist. Als categorie is onder meer aangewezen de gevallen waarin een project in overeenstemming is met een door de raad vastgesteld stedenbouwkundig programma van eisen. De Afdeling stelt vast dat de raad op 1 juli 2021 het Stedenbouwkundig Programma van Eisen knooppunt Haarlem Nieuw-Zuid (SPvE) heeft vastgesteld. Op 29 juli 2022 heeft Schonenvaert haar aanvraag ingediend. Niet in geschil is dat deze aanvraag in overeenstemming is met het SPvE. Er bestond na binnenkomst van de aanvraag voor het college daarom geen aanleiding om de aanvraag aan de raad voor te leggen. De Afdeling volgt Van der Valk dus niet in haar betoog dat in strijd met artikel 3.11 van de Wabo de aanvraag van 29 juli 2022 niet onverwijld aan de raad is voorgelegd.

Vervolgens is Schonenvaert met het college in overleg getreden over een wijziging van de aanvraag. Deze wijzigingen zijn verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing van 13 april 2023. Omdat de gewijzigde aanvraag niet meer in overeenstemming was met het SPvE heeft het college alsnog aan de raad voorgesteld om een ontwerp-vvgb af te geven. Daarbij is aan de raad de ruimtelijke onderbouwing verstrekt. Uit deze ruimtelijke onderbouwing volgt dat voor de motivering van de ruimtelijke aanvaardbaarheid geen aansluiting is gezocht bij de bestaande planologische mogelijkheden. In zoverre volgt de Afdeling Van der Valk niet in haar betoog dat ten onrechte niet alle afwijkingen van het bestemmingsplan specifiek zijn beschreven. In de ruimtelijke onderbouwing zijn onder meer de gevolgen voor het naastgelegen hotel van Van der Valk beschreven. Verder is in de ruimtelijke onderbouwing en het raadsvoorstel beschreven dat het niet-woonprogramma onder meer is bedoeld voor een flex-werkconcept met ondersteunende horeca en detailhandel.

De raad heeft op 19 oktober 2023 de ontwerp-vvgb afgegeven. Deze ontwerp-vvgb is samen met de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd en daarover zijn geen zienswijzen naar voren gebracht. Deze situatie, waarin over een ontwerp-vvgb geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is in het hiervoor al genoemde besluit van 13 oktober 2011 eveneens genoemd als categorie van gevallen waarin een (definitieve) vvgb niet nodig is.

Anders dan Van der Valk betoogt is het niet in strijd met artikel 2.22 van de Wabo dat het college na afgifte van de ontwerp-vvgb met voorschriften de mogelijkheden voor detailhandel en horeca nader heeft geconcretiseerd. De bedoelde voorschriften houden in dat het niet is toegestaan om een zelfstandige horecavoorziening met een eigen entree te realiseren en dat kleinschalige detailhandel is toegestaan tot 750 m2, waarbij geen supermarkt is toegestaan. In de ruimtelijke onderbouwing stond al over horeca en detailhandel dat het om ondersteunende functies gaat. Deze concretisering leidt niet tot wezenlijk andere ruimtelijke gevolgen dan die de raad aanvaardbaar heeft gevonden in de ontwerp-vvgb.

Gelet op dit alles bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet op de ontwerp-vvgb, die voor definitief mocht worden gehouden, mocht baseren.

Het betoog slaagt niet.

De coördinatieregeling

6.       Van der Valk betoogt dat de benodigde ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) ten onrechte niet gecoördineerd is voorbereid en bekendgemaakt met de voorliggende besluiten, hoewel Schonenvaert wel daarom heeft verzocht.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat in het besluit van 12 september 2023, waarbij de coördinatieregeling van toepassing is verklaard, niet tevens een ontheffing op grond van de Wnb is vermeld. Artikel 3.30 van de Wro verplicht er niet toe dat alle besluiten die benodigd zijn voor de uitvoering van een bouwplan gecoördineerd worden voorbereid en bekendgemaakt. Overigens kon de ontheffing ook niet meer in de coördinatieprocedure worden betrokken, omdat deze ontheffing bij besluit van 20 juli 2023 al aan Schonenvaert was verleend.

Het betoog slaagt niet.

Omgevingsverordening

7.       Van der Valk betoogt dat de vergunning is verleend in strijd met artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020. Voor zowel de woningen als het toevoegen van detailhandel en kantoren ontbreken binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Daarbij merkt Van der Valk op dat het college de maximale oppervlakte aan detailhandel niet met een voorschrift aan de omgevingsvergunning mocht verbinden, zodat daarvoor moet worden uitgegaan van de totale oppervlakte aan commerciële ruimten.

7.1.    Artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen luidt:

"1. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken.

2. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid.

Op grond van bijlage 1, onder 83, van de omgevingsverordening wordt onder ‘ruimtelijk plan’ onder andere verstaan een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

7.2.    Het college heeft toegelicht dat over de woningbouw afspraken zijn gemaakt in het ‘Gebiedsplan Haarlem’, als onderdeel van het project ‘Bereikbare Steden’. Van der Valk heeft niet weersproken dat het Gebiedsplan deze afspraken bevat. Anders dan Van der Valk betoogt, is de maximale oppervlakte aan detailhandel met een voorschrift in de omgevingsvergunning gewaarborgd en mocht het college dit voorschrift - zo heeft de Afdeling hiervoor al overwogen - aan de omgevingsvergunning verbinden. Op de zitting heeft Van der Valk toegelicht dat als het voorschrift in stand blijft, het betoog in zoverre niet meer relevant is. Wat betreft kantoren komt er per saldo minimaal 11.000 m2 aan oppervlakte voor kantoorfuncties te vervallen. Van der Valk heeft weliswaar betoogd dat de planologische mogelijkheden blijven bestaan, maar als dit bouwplan is gerealiseerd, maakt dat maximaal ongeveer 5.000 m2 aan commerciële functies mogelijk. Van het door Van der Valk bedoelde toevoegen van kantoren is daarmee geen sprake. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 is verleend.

Het betoog slaagt niet.

Gemeentelijk beleid

8.       Van der Valk betoogt dat het plan in strijd met de "Woonvisie en uitvoeringsagenda 2021-2025" in samenhang met de Doelgroepenverordening is vastgesteld. De percentages van woningbouwcategorieën uit het bouwplan wijken namelijk af van de percentages uit de Woonvisie en zijn ook niet in het bestreden beluit gewaarborgd.

8.1.    Uit de Woonvisie en uitvoeringsagenda volgt dat de in de Woonvisie en uitvoeringsagenda genoemde percentages van woningbouwcategorieën zijn bedoeld als basis voor te maken afspraken met ontwikkelende partijen over de beschikbaarheid van woningen in  diverse categorieën (zie bijvoorbeeld pagina 17 van de Woonvisie en uitvoeringsagenda). Dit moet ertoe leiden dat er in de gemeente Haarlem in de periode 2020-2025 7.200 woningen worden gerealiseerd, waarbij wordt gestreefd naar gemiddeld 40% voor sociale huur en 40% voor middeninkomens. In de Woonvisie en uitvoeringsagenda leest de Afdeling niet dat het bevoegd gezag een concreet woningbouwplan alleen mogelijk zal maken als dit aan de genoemde percentages van woningbouwcategorieën voldoet. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning in strijd met de Woonvisie en uitvoeringsagenda is genomen.

De Doelgroepenverordening vermeldt wat onder de diverse woningbouwcategorieën wordt verstaan en bevat een instandhoudingstermijn voor deze categorieën. Het besluit is ook daarmee niet in strijd.

De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat in de anterieure overeenkomst van 14 juli 2022 de in de Woonvisie opgenomen verdeling van 40% sociaal en 40% middelduur voor 696 woningen is overeengekomen. Deze verdeling sluit aan bij de in de Woonvisie en uitvoeringsagenda opgenomen percentages. Vervolgens is het aantal woningen verhoogd, waarbij de overeenkomst met een allonge is gewijzigd. In aanvulling op het eerder beoogde aantal woningen zijn er 127 extra woningen mogelijk gemaakt, waarvan 0% sociaal en 75% middelduur. Deze aanpassing is gemotiveerd onder verwijzing naar de financiële haalbaarheid van het oorspronkelijke voornemen en leidt er, gelet op het voorgaande, dus niet toe dat het besluit in strijd met de Woonvisie en uitvoeringsagenda is genomen.

Het betoog slaagt niet.

9.       Van der Valk betoogt dat het bouwplan afwijkt van het door de raad vastgestelde SPvE. Zij wijst op de opgenomen parkeereisen, het ontbreken van een voetgangersverbinding, diverse bouwhoogtes, de invulling van de niet-woonfuncties, de invulling van de eerste twee bouwlagen en het ontbreken van diverse voorzieningen voor bewoners. Deze afwijkingen van het SPvE heeft het college niet gemotiveerd.

9.1.    Vast staat dat het vergunde bouwplan afwijkt van het SPvE. De Afdeling ziet hierin echter geen gebrek in het besluit. Het SPvE vormt volgens de inleiding op pagina 7 namelijk een kader voor de ontwikkeling van het knooppunt Haarlem Nieuw-Zuid en bevat de ambities voor deze ontwikkeling. Omdat de aanvraag zodanig is gewijzigd dat het bouwplan niet meer in overeenstemming is met het SPvE, heeft het college het bouwplan voorgelegd aan de raad en voorgesteld een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De ruimtelijke gevolgen van het bouwplan, waaronder de wijzigingen ten opzichte van het SPvE, zijn onderzocht en beschreven in de ruimtelijke onderbouwing. De raad heeft, zoals hiervoor overwogen, een ontwerp-vvgb afgegeven die vervolgens definitief is geworden. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college de afwijkingen ten opzichte van het SPvE niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt niet.

Groen

10.     Van der Valk betoogt dat het bouwplan zorgt voor een afname van openbare groenvoorzieningen op en rondom de projectlocatie. Zo moeten er voor het bouwplan 43 bomen worden gekapt. Er zullen vooral bomen worden herplant in de binnentuin van het gebouw. De omgeving wordt dus minder groen.

10.1.  In paragraaf 11.1 van het deskundigenbericht heeft de STAB op basis van de stukken bij de omgevingsvergunning uiteengezet dat er 43 bomen zullen worden gekapt en dat de verleende vergunning verplicht tot het herplanten van 86 bomen. Van deze 86 bomen zullen er 57 bomen buiten de binnentuin, dus in het zicht, worden geplant. De STAB concludeert op grond hiervan dat de omgeving van het hotel van Van der Valk voor het aspect groen niet minder aantrekkelijk wordt. In haar zienswijze over het deskundigenbericht en op de zitting heeft Van der Valk geen opmerkingen gemaakt bij deze bevindingen en conclusie van de STAB. De Afdeling ziet geen aanleiding om in zoverre aan het deskundigenbericht te twijfelen. De veronderstelling van Van der Valk dat de omgeving minder groen wordt, vindt dus in zoverre geen grondslag in het besluit.

Het betoog slaagt niet.

Water

11.     Van der Valk betoogt dat de gevolgen van het bouwplan voor de diverse wateraspecten onvoldoende zijn onderzocht en afgewogen. Volgens haar zijn de berekeningen voor de watercompensatie onjuist en de maatregelen tegen negatieve effecten niet geborgd. Zij vreest wateroverlast op haar perceel.

11.1.  In paragraaf 11.2 van het deskundigenbericht heeft de STAB op basis van de stukken bij de omgevingsvergunning vastgesteld dat er 1.600 m2 aan bestaand water zal worden gedempt en 1.667 m2 nieuw water zal worden gerealiseerd. Omdat het oppervlak aan verharding toeneemt, resteert per saldo een extra oppervlak aan water van 20 m2. Daarnaast zet de STAB uiteen op welke wijze is geborgd dat er voldoende oppervlaktewater wordt gerealiseerd. Op basis hiervan concludeert de STAB dat wateroverlast voor Van der Valk niet in de lijn der verwachting ligt. In haar zienswijze over het deskundigenbericht en op de zitting heeft Van der Valk geen opmerkingen gemaakt bij deze bevindingen en conclusie van de STAB. De Afdeling ziet geen aanleiding om in zoverre aan het deskundigenbericht te twijfelen. Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat het college een toereikende beschrijving heeft gegeven van de wijze waarop in het besluit rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en deugdelijk heeft gemotiveerd dat het besluit in zoverre geen nadelige gevolgen heeft voor het perceel van Van der Valk.

Het betoog slaagt niet.

Bouwhoogte en rooilijn

12.     Van der Valk betoogt dat de omvang van het bouwplan niet past bij de maatvoering van het naastgelegen gebouw van Van der Valk. Daarnaast is ten onrechte geen rekening gehouden met de rooilijn van het gebouw van Van der Valk. Hierdoor valt het gebouw weg achter het te realiseren bouwplan, wat het zicht vanaf de Schipholweg op het hotel vermindert.

12.1.  In hoofdstuk 7 van het deskundigenbericht beschrijft de STAB op basis van de stukken bij de omgevingsvergunning de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan. De STAB ziet een voldoende relatie met de hoogte van het gebouw van Van der Valk. Over de rooilijn merkt de STAB op dat het gebouw van Van der Valk al zuidelijker staat dan de andere bebouwing langs de Schipholweg. Het verlies aan zichtbaarheid is volgens de STAB beperkt, omdat de rooilijn van het bouwplan afbuigt richting het perceel van Van der Valk. In haar zienswijze over het deskundigenbericht en op de zitting heeft Van der Valk geen opmerkingen gemaakt bij deze bevindingen en conclusie van de STAB. Gelet op de bevindingen van de STAB geeft het aangevoerde de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt niet.

Schaduwwerking

13.     Van der Valk betoogt dat er als gevolg van het bouwplan schaduwhinder bij haar hotel zal ontstaan. In de uitgevoerde studie naar de schaduwhinder ontbreekt een onderbouwing van het gehanteerde model. In deze studie is de inrichting van de dakvlakken met diverse verhogingen ook niet op juiste wijze meegenomen. Uit de studie volgt dat de bezonning van het terras ongeveer met de helft afneemt gedurende het jaar. Hierdoor vermindert de mogelijkheid om het terras goed te exploiteren. De gehanteerde toets aan de lichte TNO-norm is volgens Van der Valk niet passend voor hotelkamers, omdat voor een goede exploitatie bezonning van hotelkamers essentieel is. Er moet daarom volgens Van der Valk een strengere norm dan de lichte TNO-norm worden gehanteerd.

13.1.  De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke normen bestaan voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van schaduwhinder bij het nemen van een besluit als hier aan de orde. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen bij dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen.

Naar de gevolgen van het voorliggende bouwplan voor de schaduwwerking op het perceel van Van der Valk is onderzoek gedaan. Dit betreft de door Peutz opgestelde notitie "Ontwikkeling Schonenvaert te Haarlem" van 4 augustus 2023. Hierin is de bezonning van het hotel in beeld gebracht. In hoofdstuk 5 van het deskundigenbericht concludeert de STAB dat er geen reden is om aan de uitgangspunten van de notitie van Peutz te twijfelen. Daarom zijn de gevolgen van het bouwplan voor Van der Valk volgens de STAB niet onderschat. Op basis hiervan bevestigt de STAB de conclusie uit de notitie dat het plan leidt tot een afname van de bezonning op het perceel van Van der Valk. Wat Van der Valk heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om aan het deskundigenbericht van de STAB te twijfelen. De afweging van het college is in zoverre op juiste uitgangspunten gebaseerd.

Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college, in navolging van Peutz, aansluiting zoeken bij de lichte TNO-norm als handvat voor de beoordeling van de schaduwhinder voor de hotelkamers als aspect van een goede ruimtelijke ordening. Bij verblijf in een hotelkamer betreft het een naar zijn aard immers tijdelijk verblijf en dan vooral ‘s nachts, zodat het college geen strengere maatstaf heeft hoeven hanteren. Omdat aan de lichte TNO-norm wordt voldaan, mocht het college zich op het standpunt stellen dat de schaduwwerking voor de hotelkamers aanvaardbaar is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op de zitting is vastgesteld dat de delen van de westgevel van het noordelijke bouwdeel waarop volgens de notitie van Peutz niet aan de lichte TNO-norm wordt voldaan, blinde gevels zijn.

De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege de vermindering van de bezonning van het terras had moeten concluderen dat het bouwplan niet aanvaardbaar is. Het gaat om een stedelijke omgeving en een terras op de eerste etage voor hotelgasten. In de notitie van Peutz staat dat het bouwplan op toetsingsdatum 19 februari na 15.00 uur voor extra schaduwwerking zorgt. Het aantal zonuren neemt met maximaal 2,5 uren af, maar het aantal zonuren blijft minimaal 3 uren op het grootste deel van het terras. Op toetsingsdatum 21 april zorgt het bouwplan na 16.00 uur voor extra schaduwwerking en neemt het aantal zonuren met ongeveer 2 tot 3 uren af, maar blijft het aantal zonuren 4 tot 4,5 uren. Op toetsingsdatum 21 juni zorgt het bouwplan na 17.00 voor extra schaduwwerking en neemt het aantal zonuren met ongeveer 2 tot 3,5 uren af, maar blijft het aantal zonuren ongeveer 5 uren.

Het betoog slaagt niet.

Windklimaat

14.     Van der Valk betoogt dat er als gevolg van het plan een verslechtering van het windklimaat bij de entree van haar hotel zal ontstaan. Dit windklimaat wordt matig voor ‘slenteren’ en slecht voor ‘stilzitten’. In dit gebied zijn diverse bankjes aanwezig voor bezoekers die bijvoorbeeld wachten op een taxi, zodat de gevolgen voor stilzitten bepalend zijn. Het college heeft dit gevolg van het bouwplan niet voldoende in zijn afweging betrokken. Ook bevatten de onderzoeken naar het windklimaat volgens Van der Valk een aantal onjuistheden.

14.1.  De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke normen bestaan voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van windhinder bij het nemen van een besluit als hier aan de orde. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen bij dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen.

Naar de gevolgen van het voorliggende bouwplan voor het windklimaat is een aantal onderzoeken gedaan. Het betreft door Peutz opgestelde rapporten en notities van 15 maart 2023, 4 augustus 2023 en 7 augustus 2024. Op basis hiervan en een aanvullende notitie van Peutz van 7 juli 2025 concludeert de STAB in hoofdstuk 6 van het deskundigenbericht dat er geen kritiekpunten van Van der Valk op de uitgevoerde onderzoeken resteren. Op basis van deze onderzoeken stelt de STAB vast dat alleen nabij de entree van het hotel het windklimaat verslechtert als gevolg van de realisatie van het bouwplan. Het windklimaat nabij de entree kan deels worden gekwalificeerd als matig voor de activiteit ‘slenteren’, wat samenvalt met slecht voor de activiteit ‘zitten’. De afweging van het college is in zoverre op juiste uitgangspunten gebaseerd.

Gelet op de betrokken belangen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het windklimaat nabij de entree van het hotel als gevolg van het bouwplan zodanig verslechtert dat het college tot de conclusie had moeten komen dat dit niet aanvaardbaar is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het deskundigenbericht staat dat bij de berekening van het windklimaat geen rekening is gehouden met het groenplan en dat de realisatie van dit groenplan naar verwachting leidt tot een verbetering van het windklimaat. Voor de aanwezige bankjes zijn eenvoudig alternatieven denkbaar, zoals het verplaatsen van de bankjes of het in de lobby wachten op een taxi. Daarom kan in het midden blijven of ook de activiteit ‘zitten’ in deze situatie van toepassing is.

Het betoog slaagt niet.

Geluidhinder

15.     Van der Valk betoogt dat de akoestische gevolgen voor het hotel niet goed zijn onderzocht. Volgens haar liggen aan het door Wolf+Dikken opgestelde rapport "Advies geluid Van der Valk hotel Haarlem" van 1 augustus 2023 onjuiste uitgangspunten ten grondslag. In dit rapport is van een te laag aantal mvt/etm uitgegaan, omdat van een te laag aantal parkeerplaatsen is uitgegaan en geen rekening is gehouden met de diverse functies die mogelijk zijn gemaakt.

15.1.  Het college heeft de door Wolf+Dikken opgestelde notitie "Geluidbelastingen Van der Valk" van 11 september 2025 overgelegd. Hierin is berekend wat cumulatief de geluidbelasting op de gevel van het hotel zal zijn en wat het verschil is met de bestaande situatie. In de notitie wordt een verschil berekend van maximaal 0,26 dB. Wat Van der Valk heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan deze uitkomst te twijfelen. Deze notitie bevestigt daarmee het standpunt van het college, op basis van het door Wolf+Dikken opgestelde rapport "Advies geluid Van der Valk hotel Haarlem" van 1 augustus 2023, dat de verkeerstoename ten opzichte van de vorige situatie geen relevant akoestisch effect heeft bij het hotel van Van der Valk.

Het betoog slaagt niet.

16.     Van der Valk betoogt dat het college niet heeft onderzocht welke geluidbelasting de dry coolers zullen veroorzaken op de gevel van het hotel.

16.1.  In de door Wolf+Dikken opgestelde notitie "Advies geluid Van der Valk hotel Haarlem" van 1 augustus 2023 staat dat bij het hotel het geluidniveau van de te plaatsen dry coolers 45 dB bedraagt. In hoofdstuk 10 van het deskundigenbericht concludeert de STAB dat het type dry cooler nog niet is vastgesteld, maar dat de geluidbelasting van 45 dB op de gevel van het hotel op zichzelf te volgen is. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

17.     Van der Valk betoogt dat het bouwplan voorziet in te weinig parkeerplaatsen. Er komen maar 218 parkeerplaatsen voor 823 zelfstandige woningen en 5.000 m2 bvo aan commerciële functies. Zij voert aan dat voor de woonfunctie ten onrechte is afgeweken van het SPvE en de Nota Parkeernormen 2023, nu voor meer dan 20% van de parkeerbehoefte wordt voorzien in deelauto’s. Ook wordt uitgegaan van de realisatie van OV Hub Haarlem Zuid. Maar hierover heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Daarnaast is de nabijheid van OV al in de parkeernorm verdisconteerd, zodat in zoverre tweemaal dezelfde reductie is toegepast. Ten slotte is het college volgens Van der Valk ten onrechte uitgegaan van parkeerregulering in de omgeving, omdat deze niet is ingevoerd.

17.1.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat het te realiseren aantal parkeerplaatsen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Anders dan Van der Valk betoogt, was het college niet gehouden om voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen uit te gaan van de Nota Parkeernormen 2023, gelet op de overgangsregeling in deze nota. In de Beleidsregels parkeernormen Haarlem staat verder dat per bouwplan maatwerk en een individuele beoordeling mogelijk zijn. Ook het SPvE voorziet in een mogelijkheid om van de hierin genoemde normering af te wijken.

Deze afwijking van het SPvE heeft het college gemotiveerd aan de hand van het door Goudappel opgestelde "mobiliteitsonderzoek" van 26 mei 2023. Hierin is, op basis van de parkeernormen die in het SPvE zijn genoemd, berekend hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn. Dan blijken er 319 parkeerplaatsen nodig na dubbelgebruik. Vervolgens is berekend wat de parkeerbehoefte is als er twee extra kortingen worden toegepast: (i) het verlagen van de bezoekersnorm van 0,2 naar 0,1 per woning, en (ii) de HOV-reductie verhogen van 5% naar 15%. Dan blijkt dat er 208 parkeerplaatsen nodig zijn na dubbelgebruik. Gerealiseerd wordt een parkeergarage met 218 parkeerplaatsen.

Het college heeft aan de hand van praktijkgegevens en referentieprojecten gemotiveerd waarom het heeft gekozen voor deze twee extra kortingen. Over de vergelijking met deze referentieprojecten heeft Van der Valk weliswaar gesteld dat de OV Hub Haarlem Zuid nog niet is gerealiseerd, maar het college heeft ten tijde van het nemen van de omgevingsvergunning voldoende aannemelijk mogen achten dat deze OV Hub wordt gerealiseerd en tijdig gereed zal zijn. Op de zitting heeft het college daarover nader toegelicht dat de bouw- en aanlegwerkzaamheden inmiddels ook zijn gestart. Voorts is de door Van der Valk gestelde dubbele korting wegens nabijheid van een OV-knooppunt in het mobiliteitsonderzoek onderkend. In het mobiliteitsonderzoek is aan de hand van referentieprojecten gemotiveerd waarom een extra reductie kan worden toegepast. Daarbij is ook inzichtelijk gemaakt dat in vergelijking met de referentieprojecten slechts een beperkte extra reductie wordt toegepast. Op basis van de referentieprojecten zouden 57 parkeerplaatsen al voldoende kunnen zijn. Omdat de toegepaste extra reductie in vergelijking met de referentieprojecten dus beperkt is, geeft het aangevoerde daarover geen aanleiding voor het oordeel dat deze extra korting niet deugdelijk is gemotiveerd.

Over de parkeerregulering overweegt de Afdeling dat het college heeft toegelicht dat deze nog niet is ingevoerd in de omgeving. Daarbij heeft het college ook toegelicht dat parkeerregulering wordt ingevoerd zodra de parkeerdruk meer dan 95% is. Voor dat geval is in de voorschriften van de omgevingsvergunning in samenhang met de Parkeerverordening 2023 gemeente Haarlem geregeld dat bewoners geen recht hebben op een parkeervergunning en dat de toekomstige eigenaren en huurders daarover geïnformeerd moeten worden. Gelet hierop en nu op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor de verwachting dat het bouwplan zal leiden tot parkeeroverlast in de omgeving.

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

18.     Van der Valk betoogt dat er ten onrechte geen verkeersonderzoek is verricht naar de gevolgen van het bouwplan voor de verkeersintensiteit en laad- en losactiviteiten op de Toekanweg. Zij verwacht opstoppingen op de Toekanweg van verkeer voor de parkeergarage. Daarbij voert Van der Valk aan dat het aantal verkeersbewegingen op de Toekanweg is onderschat, omdat er geen rekening mee is gehouden dat de Toekanweg niet langer aan de openbaarheid is onttrokken en er weer een doorgangsweg van zal worden gemaakt.

Ook verwacht Van der Valk gevolgen van pakketbezorgdiensten, waarvoor te weinig parkeergelegenheid is en die daarom op de weg zullen parkeren.

18.1.  In deze procedure is de vraag aan de orde of het college zich er voldoende van heeft vergewist dat van een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling op de Toekanweg sprake is na realisatie van het bouwplan. Dat heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gedaan. Aan het besluit ligt het door Goudappel opgestelde rapport "Mobiliteitsonderzoek" van 26 mei 2023 ten grondslag. Hierin is berekend dat in totaal tijdens een gemiddelde werkdag 1.540 extra motorvoertuigen worden verwacht ten opzichte van de huidige situatie. De verwachte totale intensiteit op de Toekanweg van 3.150 mvt/etm past ruim binnen de capaciteit van 6.000 mvt/etm die de Toekanweg volgens het college op aanvaardbare wijze kan verwerken. In hoofdstuk 9 van het deskundigenbericht acht de STAB nog wel onduidelijk op welke wijze het aantal mvt/etm voor het hotel uit de uitgevoerde verkeerstellingen is afgeleid, maar daarop heeft het college de door Goudappel opgestelde notitie "Reactie op STAB-verslag" van 4 september 2025 overgelegd. Hierin is uiteengezet op welke wijze de gemiddelde verkeersintensiteit van Van der Valk van 1.284 uit de uitgevoerde verkeerstellingen kan worden afgeleid. Dit leidt tot de conclusie dat tijdens een gemiddeld werkdagetmaal sprake zal zijn van 430 mvt van de nieuwe niet-woonfuncties, 1.926 mvt van de nieuwe woningen en 1.284 mvt van het hotel, wat optelt tot 3.640 mvt/etm. Van der Valk heeft deze berekening verder niet meer inhoudelijk weersproken. Ook in deze aangepaste berekening is de verwachte verkeersintensiteit lager dan de capaciteit van de Toekanweg, zodat deze in zoverre de conclusie op basis van het onderzoek van 26 mei 2023 bevestigt.

Over het openbaar maken van de Toekanweg heeft het college toegelicht dat dit niet betekent dat de Toekanweg ook een doorgaande weg wordt. Daarbij heeft het college gewezen op het genomen verkeersbesluit (gemeenteblad Haarlem 2026, 85072) en toegelicht dat met de plaatsing van een fysieke voorziening op de Toekanweg wordt voorkomen dat het een doorgaande weg wordt. In zoverre is de toekomstige intensiteit op de Toekanweg dus niet onderschat.

Over het laden en lossen heeft de STAB in hoofdstuk 9 van het deskundigenbericht vastgesteld dat vier opstelstroken voor verhuiswagens en bezorgdiensten zijn voorzien. Volgens de STAB is niet ondenkbaar dat pakketbezorgers dichterbij de toegang willen parkeren en daarvoor gebruik zullen maken van de Toekanweg. Maar de STAB beschrijft ook dat het past bij de functie van de Toekanweg om deze te gebruiken voor laden en lossen en deze ook voldoende breed is, zodat dit niet verkeersonveilig is. Wat Van der Valk heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om dit anders te beoordelen dan in het deskundigenbericht is gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Evidente privaatrechtelijke belemmering

19.     Van der Valk betoogt dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de realisatie van het bouwplan in de weg staat. Op de gronden van het bouwplan is namelijk een recht van erfdienstbaarheid gevestigd. Op grond van dit recht mag Van der Valk zonder enige belemmering gebruik maken van de parkeerplaatsen op deze gronden. Na realisatie van het bouwplan zal dat niet meer kunnen. Zij wijst er onder verwijzing naar twee rapporten van BonoTraffics, "Parkeeronderzoek Van der Valk" van 26 augustus 2024 en "Parkeervraag Van der Valk" van 30 december 2024, op dat zij deze parkeerplaatsen ook nodig heeft voor haar bedrijf. Verder wijst zij op een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2025, ECLI:NL:RBNH0:2025:15683, waarin Schonenvaert is bevolen om 89 parkeerplaatsen in de nieuw te bouwen parkeergarage exclusief beschikbaar te maken voor Van der Valk. Daardoor zal het bouwplan niet meer in de eigen behoefte aan parkeerplaatsen kunnen voorzien.

Verder betoogt Van der Valk dat contractueel met een kettingbeding is vastgelegd dat de gronden niet gebruikt mogen worden voor het exploiteren van een horecabedrijf, zodat ook in zoverre sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

19.1.  Een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.

Bij het bedoelde vonnis heeft de rechtbank op vordering van Schonenvaert de erfdienstbaarheid opgeheven. Daarbij is Schonenvaert bevolen om in de te realiseren parkeergarage 89 parkeervakken te realiseren met exclusief gebruik voor Van der Valk. Op de zitting hebben Schonenvaert en Van der Valk beide verklaard tegen dit vonnis hoger beroep te hebben ingesteld. Ten tijde van de zitting was op dit hoger beroep nog geen onherroepelijke uitspraak gedaan. Nu het geschil over het recht van erfdienstbaarheid bij de burgerlijke rechter voorligt, die de erfdienstbaarheid in eerste aanleg ook heeft opgeheven, ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat met het recht van erfdienstbaarheid sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die zo evident is dat het college om deze reden de omgevingsvergunning had moeten weigeren. De Afdeling laat daarom verder buiten bespreking wat de parkeerbehoefte van Van der Valk is en of daaraan kan worden voldaan.

De Afdeling stelt vast dat het bedoelde kettingbeding ziet op zelfstandige horeca, terwijl zelfstandige horeca op grond van de voorschriften van de omgevingsvergunning niet is toegelaten. Ook in zoverre ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die zo evident is dat het college om deze reden de omgevingsvergunning had moeten weigeren.

Het betoog slaagt niet.

Schade en financiële uitvoerbaarheid

20.     Van der Valk betoogt dat niet is onderzocht welke schade als gevolg van het bouwplan voor Van der Valk zal optreden. Het college heeft de betrokken belangen dus niet deugdelijk in kaart gebracht. Daardoor is ook onzeker of het plan financieel uitvoerbaar is.

20.1.  Wat de eventueel nadelige invloed van het bouwplan op de waarde van het hotel van Van der Valk betreft, bevat het aangevoerde geen aanknopingspunt voor de verwachting dat dit gevolg zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan het heeft gedaan. Ook bevat het aangevoerde geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college redelijkerwijs op voorhand aanleiding had moeten zien om aan de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Welstand

21.     Van der Valk betoogt dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand en dat de advisering daarover ondeugdelijk is. Het welstandsadvies is gebaseerd op zowel de Nota Ruimtelijke kwaliteit als het SPvE. Dit SPvE is evenwel nooit als onderdeel van de welstandsnota vastgesteld. Voor zover dat wel het geval zou zijn, mocht de commissie zich niet op de Nota ruimtelijke kwaliteit baseren, omdat die in dat geval is vervangen.

21.1.  In bijlage 3 bij de omgevingsvergunning staat dat de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (de welstandscommissie van de gemeente Haarlem) een positief welstandsadvies heeft uitgebracht. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten  van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.

Het college heeft het advies overgenomen. Van der Valk heeft geen tegenadvies overgelegd. Haar enkele stelling dat onduidelijk is of de criteria uit het SPvE of de criteria uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit gelden, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit wat betreft welstand niet in stand kan blijven. Daarvoor is van belang dat tussen partijen niet in geschil dat de welstandscommissie zowel aan het SPvE als de Nota Ruimtelijke Kwaliteit heeft getoetst en dat het bouwplan niet in strijd is geacht met de criteria uit deze beide documenten. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat college het welstandsadvies niet heeft mogen overnemen.

Het betoog slaagt niet.

Bouwbesluit 2012

22.     Van der Valk betoogt dat het college ten onrechte met de bij de aanvraag verstrekte stukken aannemelijk heeft geacht dat aan het Bouwbesluit 2012 zal worden voldaan. Volgens van der Valk is bij de toets aan het Bouwbesluit aangegeven dat een kantoorfunctie wordt gerealiseerd, terwijl uit de vergunning blijkt dat ook andere functies mogelijk zijn. Hiervoor gelden andere prestatie-eisen. Daarbij wijst Van der Valk op eisen met betrekking tot constructieve veiligheid en brandveiligheid.

22.1.  Het college heeft bij de toets of aannemelijk is dat een bouwplan voldoet aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012 beoordelingsruimte. Het college heeft aannemelijk geacht dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Daarbij heeft het college toegelicht dat voor de commerciële ruimten met de kantoorfunctie is uitgegaan van de functie waaraan de zwaarste eisen worden gesteld. Van der Valk heeft niet aangevoerd met welke artikelen uit het Bouwbesluit 2012 er niettemin strijd zou bestaan. Het niet onderbouwde betoog geeft alleen al daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012.

Het betoog slaagt niet.

Activiteit kappen

23.     Van der Valk betoogt dat de vergunning voor de activiteit kappen ten onrechte is verleend. De vergunning ziet deels op bomen op gronden waarvan niet Schonenvaert maar de gemeente Haarlem eigenaar is. In artikel 4, eerste lid, van de Bomenverordening Haarlem staat dat een vergunning moet worden aangevraagd door of namens een zakelijk gerechtigde. Ook ontbreekt in strijd met artikel 4, derde lid van de Bomenverordening een overzicht van alle benodigde besluiten voor de realisatie van het project.

Verder betoogt Van der Valk dat niet is onderbouwd dat aan de verleningscriteria uit de Bomenverordening is voldaan, die in artikel 5 van de Bomenverordening staan. Ten onrechte ontbreekt een bindend advies van een externe adviescommissie.

Ten slotte betoogt Van der Valk dat de voorschriften voor de herplant niet deugdelijk en duidelijk zijn. Zo ontbreekt in strijd met artikel 8 van de Bomenverordening een termijn voor de herplant. Ook is onvoldoende duidelijk op welke locatie de bomen moeten worden herplant. Daarnaast ontbreekt het voorschrift dat niet aangeslagen aanplant binnen een bepaalde periode moet worden vervangen door nieuwe aanplant. Verder ontbreekt het voorschrift dat te kappen bomen moeten worden gemarkeerd gedurende de bezwaartermijn. Ten slotte ontbreken voorschriften voor de bescherming van bestaande monumentale bomen.

23.1.  De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit vellen van een houtopstand is verleend in strijd met de Wabo in samenhang met de Bomenverordening Haarlem 2021. Weliswaar staat een aantal van de te kappen 43 bomen op gemeentegrond, maar de gemeente heeft toestemming gegeven voor de met de aanvraag beoogde kap en het college heeft ook vergunning verleend voor de kap van deze bomen. Nu de vergunning tevens is verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan, valt verder niet in te zien dat bij de aanvraag ten onrechte een overzicht ontbreekt van overige vergunningen, ontheffingen en toestemmingen die nodig zijn voor het project. Ook heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat zich geen weigeringsgrond voordoet, dat er een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang bij de realisatie van het bouwplan is en dat behoud van de bomen waarop de omgevingsvergunning ziet niet mogelijk is. Artikel 5 verplicht niet tot het vragen van advies aan een externe adviescommissie en het aangevoerde bevat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college dit wel had moeten doen. Weliswaar ontbreekt in de voorschriften een termijn waarbinnen moet worden herplant, maar het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat herplant pas kan plaatsvinden na de bouw en dat onzeker is wanneer die is afgerond. De Bomenverordening biedt de ruimte om dan geen termijn op te nemen. Verder is niet de reguliere procedure gevolgd, maar de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zodat er ook geen voorschrift behoefde te worden opgenomen dat de te kappen bomen binnen de bezwarentermijn herkenbaar moeten zijn. Voor het overige betreft het opnemen van voorschriften, voor zover de beroepsgrond daarop ziet, een bevoegdheid van het college en wat Van der Valk heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college daarvan in dit geval gebruik had moeten maken.

Het betoog slaagt niet.

Het besluit hogere waarden

24.     Van der Valk heeft ook gronden tegen het besluit hogere waarden aangevoerd.

24.1.  Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

24.2.  Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste, ligt in artikel 8:69a van de Awb besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt, zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen (uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 6.4).

24.3.  Het besluit hogere waarden ziet op de vaststelling van hogere waarden voor de geluidbelasting van de voorziene nieuwe woningen in het plangebied vanwege wegverkeerslawaai, op grond van de Wgh. De regeling in de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege de wegen maximaal mag optreden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 november 2020, onder 10.93 en 10.94, strekt de regeling daarmee tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen.

24.4.  Van der Valk heeft beroep ingesteld als eigenaar van het naastgelegen perceel en het aanwezige bedrijf. Daarom strekt de regeling van de Wgh naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van haar ondernemersbelang. Wat zij aanvoert tegen het besluit hogere waarden kan daarom niet leiden tot vernietiging van dat besluit. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daaraan in de weg. Om die reden ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van haar beroep tegen het besluit hogere waarden.

Ingetrokken beroepsgronden

25.     Op de zitting heeft Van der Valk haar beroepsgronden over het kostenverhaal en de activiteit uitweg ingetrokken.

Conclusie

26.     Het beroep is ongegrond.

27.     Het college hoeft de proceskosten van Van der Valk niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Hoekstra
voorzitter

w.g. Boer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

745

BIJLAGE

Bomenverordening Haarlem 2021

4 Aanvraag

1.De vergunning voor het vellen van een houtopstand moet worden aangevraagd door of namens de zakelijk gerechtigde tot een houtopstand.

2.De aanvraag kan zowel schriftelijk als elektronisch worden ingediend onder bijvoeging van een motivering, een situatieschets en een foto.

3.Indien de vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt aangevraagd ter realisatie van een bouw- of aanlegwerk, of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie, wordt bij de aanvraag tevens een overzicht overgelegd van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van dat project.

4.Bij de aanvraag dient een herplantplan en, indien het een aanvraag betreft ter realisatie van een bouw- of aanlegwerk, of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie, een Bomen Effect Analyse te worden overgelegd.

5.Het overleggen van een Bomen Effect Analyse is niet van toepassing op bomen die op basis van resultaten van nader boomtechnisch onderzoek na een boomveiligheidscontrole vanwege veiligheidsoverwegingen geveld moeten worden.

5 Criteria

1.Het college kan voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de in het tweede lid genoemde waarden.

2.Een vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van duurzaam behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

a. Natuur- en milieuwaarden;

b. Landschappelijke waarden;

c. Cultuurhistorische waarden;

d. Waarden van stads- en dorpsschoon;

e. Waarden voor recreatie en leefbaarheid.

3.Een vergunning voor het vellen van houtopstanden, met uitzondering van particuliere houtopstanden, kan slechts worden verleend indien:

a.er sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang en alternatieven voor behoud voldoende zijn onderzocht; of

b.er onevenredig veel overlast wordt ervaren en alternatieven voor behoud voldoende zijn onderzocht; of

c.het naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

[…]

7.Indien sprake is van complexe aanvragen kan het college, alvorens op de aanvraag te beslissen, advies inwinnen een bij een door hen ingestelde externe adviescommissie.

8.Van een complexe aanvraag is sprake indien aan één of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

a.een aanvraag gaat over een of meer bomen geplaatst op de lijst van beschermwaardige houtopstanden;

b.een aanvraag gaat over het vellen van meer dan 10 bomen;

c.een aanvraag gaat over een of meer bomen die onderdeel uitmaken van de bomenstructuur;

d.een aanvraag gaat over een of meer bomen die onderdeel uitmaken van monumentale parken;

e.een aanvraag gaat over een of meer bomen die onderdeel uitmaken van ecologische potentielocaties, - hotspots en -verbindingszones.

8 Voorschriften

1.Het college verbindt aan de vergunning het voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten.

2.In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3.De verplichtingen en voorschriften tot herplanten kunnen tevens gelden voor houtopstanden kleiner dan de in artikel 1 sub a. genoemde minimummaat, indien het bomen betreft die opgenomen zijn in de lijst als bedoeld in artikel 3.

4.Indien niet ter plaatse of op een andere locatie binnen het project kan worden herplant, verbindt het college aan de vergunning het voorschrift dat een geldelijke bijdrage ter hoogte van de monetaire boomwaarde van de gevelde houtopstand van tenminste € 4.600,- per boom gestort dient te worden in het gemeentelijk herplantfonds of een vergelijkbare gemeentelijke herplantregeling. De vergoeding behorend bij de herplantplicht geldt niet voor percelen met een woonbestemming waarop reeds de woning wordt bewoond, maar wel voor gemeenschappelijke tuinen behorend bij wooncomplexen.

5.Tot aan de vergunning te verbinden voorschrift behoort dat op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie de te vellen bomen gedurende de bezwarentermijn herkenbaar moeten zijn gemarkeerd.

6.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van nabijgelegen houtopstand en voorschriften ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna."

Persaankondiging

Omgevingsvergunning voor appartementengebouw met ruim 800 woningen in Haarlem

Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Haarlem heeft verleend voor de bouw van een appartementengebouw met 823 woningen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² aan winkelruimte. Ook kunnen 43 bomen worden gekapt. Op het perceel aan de Toekanweg stond een kantoorgebouw dat in gebruik was bij Rijkswaterstaat. Van der Valk Hotel Haarlem is naast de bouwlocatie gevestigd aan de Toekanweg en is het niet eens met de vergunning. Zij vindt dat er geen goede oplossing is voor het parkeren in de omgeving. Ook vindt zij dat het appartementengebouw te hoog wordt waardoor haar hotel wegvalt achter het gebouw, wat het zicht vanaf de Schipholweg op het hotel vermindert. Verder is Van der Valk het niet eens met de bouw van 5.000 m² aan winkelruimte. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 31 maart 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon