Uitspraak BRS.26.002976
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4482
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002976
ECLI:NL:RVS:2026:4482
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 juni 2026 in zaak nr. NL26.29428 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Grief 1 leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Wat appellant in grief 2 aanvoert leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De maatregel van bewaring bevat weliswaar een gebrek, omdat hierin niet expliciet staat dat deze is opgelegd namens de minister. Dat moet wel volgens artikel 10:10 van de Awb. Dit betekent echter niet dat de maatregel onrechtmatig is. In de maatregel worden immers artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 en artikel 5.3 van het Vb 2000 aangehaald. Uit deze artikelen volgt onmiskenbaar dat de maatregel is opgelegd namens de minister. De Afdeling wijst ook op haar uitspraak van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4185, onder 2.3. Omdat appellant niet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad door dit gebrek en in zijn geval onweersproken een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, valt de belangenafweging in zijn nadeel uit.
3.1. Dit oordeel hoeft ook niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat ook deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
5. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026
644