Uitspraak BRS.26.002974
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4185
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002974
ECLI:NL:RVS:2026:4185
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 juni 2026 in zaak nr. NL26.29812 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Een maatregel van bewaring als bedoeld in de artikelen 59, 59a of 59b van de Vw 2000 wordt opgelegd door de minister. Uit artikel 5.3, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 1.3 van het VV 2000 volgt dat de minister deze bevoegdheid heeft gemandateerd aan onder meer specifieke ambtenaren bij de politie die daartoe zijn aangewezen door de korpschef. Artikel 10:10 van de Awb bepaalt dat een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen.
2.1. Appellant wijst er in zijn enige grief terecht op dat in zijn geval onderaan de maatregel niet staat dat deze is opgelegd namens de minister. Er staat alleen dat deze is opgelegd door een door de korpschef aangewezen ambtenaar. Daarmee voldoet het besluit niet aan het bepaalde in artikel 10:10 van de Awb.
2.2. Dat betekent echter niet dat de maatregel om die reden onrechtmatig is. Zoals volgt uit de uitspraak van 9 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3714, onder 3.1, en de uitspraak van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1650, onder 2.2, is bij gebreken die niet rechtstreeks de rechtmatigheid van een maatregel of het voortduren ervan aantasten, ruimte voor een belangenafweging. De uiteindelijke uitkomst van deze belangenafweging wordt niet alleen bepaald door de ernst van het gebrek, maar hangt onlosmakelijk samen met de concrete belangen van partijen in samenhang bezien met de omstandigheden van het geval.
2.3. In dit geval staat in de maatregel dat appellant op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring is gesteld en dat de maatregel is opgelegd door een ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 van het VV 2000. Uit deze artikelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt duidelijk dat de maatregel is opgelegd namens de minister, zodat daarover geen onduidelijkheid bestaat. Gelet hierop en omdat uit de maatregel onweersproken blijkt dat in het geval van appellant een significant risico op onderduiken bestaat, leidt het geconstateerde gebrek in dit geval dus niet tot een onrechtmatige maatregel.
2.4. De grief faalt.
2.5. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
644