Uitspraak 202406199/1/R1 en 202500794/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4448
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de dakopbouw op de [locatie A] in Zaandam, afgewezen. [appellanten sub 2] wonen aan de [locatie A] in Zaandam. [appellant sub 1] woont in de woning ernaast, aan de [locatie B]. De woningen bestaan oorspronkelijk uit twee bouwlagen, namelijk de begane grond en de eerste verdieping. Niet in geschil is dat de woningscheidende muur op de begane grond en de eerste verdieping mandelig is. Bij besluit van 7 september 2005 heeft het college aan [appellanten sub 2] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een dakopbouw als tweede verdieping op hun woning. [appellant sub 1] woonde toen al in de woning ernaast. Deze dakopbouw is in 2006 gebouwd. [appellant sub 1] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de dakopbouw op haar perceel. Een toezichthouder van de gemeente Zaanstad heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek op 21 oktober 2022 een controle uitgevoerd en heeft geconstateerd dat de dakopbouw in afwijking van de verleende bouwvergunning is gebouwd. De bouwvergunning staat toe om te bouwen op de scheidende mandelige muur. De daarop gebouwde zijmuur van de dakopbouw steekt echter 3 cm over de mandelige muur uit en is in zoverre over de gehele diepte van de woning op het dak van [appellant sub 1] gebouwd.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202406199/1/R1 en 202500794/1/R1.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2024 in zaak nr. 23/3554 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
en op het beroep van [appellant sub 1] tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door het college overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank.
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2022 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de dakopbouw op de [locatie A] in Zaandam (het perceel), afgewezen.
Bij besluit van 4 mei 2023 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 mei 2023 vernietigd en het college opgedragen om binnen tien weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 2] hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellant sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellanten sub 2] en het college hebben een zienswijze over het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij brief van 28 november 2024 heeft het college te kennen gegeven voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen. Het college heeft in deze brief ook een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen vastgesteld op een bedrag van € 161,00.
[appellant sub 1] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuw besluit door het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 27 augustus 2024 en tegen de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar de Afdeling.
Bij besluit van 19 februari 2025 heeft het college aan [appellanten sub 2] een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding te beëindigen door de overschrijding van de mandelige muur met 3 cm in de richting van de woning op de [locatie B] binnen zes maanden ongedaan te maken en de dakopbouw te bouwen conform de in 2005 daarvoor verleende bouwvergunning.
[appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben hiertegen gronden ingediend.
[appellanten sub 2], [appellant sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken op een zitting behandeld op 24 juni 2026, waar [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. M.B. de Jong, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellant sub 1] vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M. Jobst, bijgestaan door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 22 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellanten sub 2] wonen aan de [locatie A] in Zaandam. [appellant sub 1] woont in de woning ernaast, aan de [locatie B]. De woningen bestaan oorspronkelijk uit twee bouwlagen, namelijk de begane grond en de eerste verdieping. Niet in geschil is dat de woningscheidende muur op de begane grond en de eerste verdieping mandelig is. Bij besluit van 7 september 2005 heeft het college aan [appellanten sub 2] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een dakopbouw als tweede verdieping op hun woning. [appellant sub 1] woonde toen al in de woning ernaast. Deze dakopbouw is in 2006 gebouwd. [appellant sub 1] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de dakopbouw op haar perceel. Een toezichthouder van de gemeente Zaanstad heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek op 21 oktober 2022 een controle uitgevoerd en heeft geconstateerd dat de dakopbouw in afwijking van de verleende bouwvergunning is gebouwd. De bouwvergunning staat toe om te bouwen op de scheidende mandelige muur. De daarop gebouwde zijmuur van de dakopbouw steekt echter 3 cm over de mandelige muur uit en is in zoverre over de gehele diepte van de woning op het dak van [appellant sub 1] gebouwd.
3. Het college heeft het handhavingsverzoek van [appellant sub 1] afgewezen, omdat het volgens hem gaat om een geringe overtreding en de gevolgen van handhavend optreden gelet op de zich voordoende omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de zijmuur van de dakopbouw weliswaar in afwijking van de vergunning voor een klein deel op het eigendom van [appellant sub 1] is gebouwd en dat [appellant sub 1] daarvoor geen toestemming heeft gegeven, maar dat haar belangen hierdoor nauwelijks worden geschaad. Het college baseert zijn standpunt mede op het feit dat [appellant sub 1] pas 15 jaar na de bouw van de dakopbouw heeft verzocht om handhaving. Verder belemmert de zijmuur van de dakopbouw [appellant sub 1] niet in de bouwmogelijkheden van een eigen opbouw op de woning, omdat zij de zijmuur daarvoor kan gebruiken. De door [appellant sub 1] gestelde, maar niet onderbouwde waardevermindering van de woning en de gestelde verminderde draagkracht van de mandelige scheidingsmuur zijn volgens het college niet aan te merken als reële hinder. Het college heeft verder in aanmerking genomen dat de afwijking van de bouwvergunning met het blote oog niet waarneembaar is en bij de bouwcontrole in 2006 ook niet is geconstateerd en dat het terugbrengen naar de vergunde staat visueel geen verschil maakt. Daartegenover staat dat handhavend optreden zou betekenen dat [appellanten sub 2] de iets te groot uitgevallen dakopbouw moeten verwijderen voor zover die met 3 cm de scheidingsmuur overschrijdt en dat dit gezien de ingrijpende bouwwerkzaamheden hoge kosten met zich zal brengen.
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in dit geval niet redelijkerwijs van handhaving heeft kunnen afzien. Naar het oordeel van de rechtbank maken de door het college aangedragen omstandigheden handhavend optreden niet zo onevenredig dat het college daarvan af moest zien.
Omvang van het geschil
5. Deze procedure gaat over het besluit van het college op het handhavingsverzoek van [appellant sub 1] vanwege de in afwijking van de bouwvergunning gebouwde dakopbouw op het perceel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door [appellant sub 1] aangevoerde beroepsgronden die gaan over de rechtmatigheid van de in 2005 verleende bouwvergunning voor de dakopbouw en haar verzoek om intrekking van die vergunning in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Net als de rechtbank heeft gedaan, zal de Afdeling deze gronden dan ook buiten beschouwing laten. Het college heeft hierover op de zitting overigens onweersproken toegelicht dat de procedure over de verzochte intrekking van de bouwvergunning inmiddels is afgerond. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit op bezwaar van het college daarover van 20 februari 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en [appellant sub 1] heeft daartegen geen verzet gedaan.
Ook de in bezwaar in stand gelaten omgevingsvergunning van 10 februari 2026 voor het aanpassen en terugbrengen van de bestaande buitengevel van de dakopbouw tot de erfgrens ligt nu niet ter beoordeling voor. De Afdeling komt daarom ook niet toe aan bespreking van wat partijen over deze omgevingsvergunning naar voren hebben gebracht.
Het oordeel van de Afdeling over de dakopbouw
6. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in het licht van de gegeven omstandigheden in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat handhavend optreden met betrekking tot de dakopbouw onevenredig is en het om die reden daarvan moest afzien. Dat betekent dat het besluit van het college om niet op te treden tegen de dakopbouw in stand blijft. De Afdeling zal hierna aan de hand van de bespreking van de aangevoerde hoger beroepsgronden motiveren hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Hoger beroep van [appellanten sub 2]
Ontvankelijkheid
7. De Afdeling volgt niet het standpunt van [appellant sub 1] dat het hoger beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de grondentrechter eraan in de weg zou staan dat [appellanten sub 2] in hoger beroep voor het eerst gronden aanvoeren die zij ook al in bezwaar en beroep hadden kunnen aanvoeren. [appellanten sub 2] hebben geen bezwaar en beroep ingesteld tegen de hier aan de orde zijnde besluiten van het college. Daarvoor bestond ook geen aanleiding, omdat het voor [appellanten sub 2] gunstige besluiten waren. Er is dus geen sprake van nieuwe gronden die [appellanten sub 2] eerder in de procedure hadden kunnen en moeten aanvoeren.
Is handhavend optreden onevenredig?
8. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhaving in de gegeven omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Zij hebben hierover aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken of [appellant sub 1] door de overtreding nadeel ondervindt en zo ja, wat de omvang daarvan is. Volgens [appellanten sub 2] had [appellant sub 1] aannemelijk moeten maken dat zij door de overbouw van 3 cm zelf geen dakopbouw kan bouwen en dat de overbouw tot waardevermindering van haar woning of tot andere benadeling heeft geleid. Dat heeft zij niet gedaan. Aangezien niet is gebleken dat [appellant sub 1] nadeel ondervindt van de geringe overschrijding, terwijl [appellanten sub 2] door de hoge kosten van de verplaatsing van de zijmuur van de dakopbouw in ernstige financiële problemen zullen komen, pakt handhaving in de gegeven omstandigheden volgens hen onevenredig uit. Bovendien mochten zij er gelet op de uitgevoerde controles door de bouwinspecteur in 2006 en 2022 op vertrouwen dat het college niet handhavend zou optreden.
8.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
8.2. Niet in geschil is dat door de afwijking van de bouwvergunning inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van [appellant sub 1]. De afwijking van 3 cm steekt uit over haar dak. De Afdeling stelt voorop dat aan het belang bij uitoefening van het eigendomsrecht een zwaarwegend gewicht toekomt. Maar het college heeft daar in dit concrete geval onder de gegeven omstandigheden en belangen geen doorslaggevend gewicht aan hoeven toekennen bij de belangenafweging in het kader van de evenwichtigheid. De Afdeling overweegt hierover het volgende.
De zijmuur van de dakopbouw is 3 cm verder op het eigendom van [appellant sub 1] gebouwd dan was vergund. Handhavend optreden zal ertoe leiden dat de dakopbouw moet worden verwijderd of dat de zijmuur van de dakopbouw met 3 cm zal moeten worden verplaatst of aangepast, zodat de dakopbouw niet over de mandelige muur uitsteekt. [appellanten sub 2] hebben aannemelijk gemaakt dat hiervoor ingrijpende bouwwerkzaamheden nodig zijn die hoge kosten met zich zullen brengen. Het belang van [appellant sub 1], zoals zij dat op de zitting heeft toegelicht, is erin gelegen dat zij de vrije beschikking wil hebben over haar volledige eigendom, ongeacht wat ze daar in de toekomst mee wil doen. Dat betekent volgens [appellant sub 1] dat de dakopbouw zal moeten worden verwijderd voor zover dat voorbij de erfgrens in het midden van de mandelige scheidingsmuur op haar eigendom is gebouwd. [appellant sub 1] ziet het handhavingsbesluit van het college als een eerste dominosteen om uiteindelijk te bereiken dat niet alleen de oversteek van 3 cm ongedaan wordt gemaakt, maar dat de dakopbouw ook wordt verwijderd voor zover deze met 11,5 cm over het midden van de mandelige muur op haar eigendom is gebouwd.
Aangezien het op grond van de bouwvergunning uit 2005 is toegestaan om de dakopbouw op de volledige breedte van de mandelige muur te bouwen, beperkt de handhavingsbevoegdheid van het college zich tot de 3 cm bebouwing die over de scheidingsmuur steekt. [appellant sub 1] kan in deze bestuursrechtelijke procedure dus niet bereiken wat zij beoogt, namelijk dat de dakopbouw tot de helft van de mandelige muur wordt afgebroken. Zij zal zich voor een oordeel daarover tot de civiele rechter moeten wenden.
Verder heeft [appellant sub 1] ook niet aannemelijk gemaakt dat zij door de oversteek van 3 cm meer schade ondervindt dan wanneer de dakopbouw overeenkomstig de bouwvergunning was gebouwd. De gevolgen van de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht zouden zich namelijk ook voordoen als de dakopbouw overeenkomstig de bouwvergunning was gebouwd. Het college heeft verder van betekenis mogen achten dat de dakopbouw al vanaf 2006 aanwezig is en de afwijking van 3 cm met het blote oog nauwelijks waarneembaar is.
In het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat handhavend optreden tegen de dakopbouw onevenredig is. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Het betoog slaagt.
9. Gelet op het voorgaande komt de Afdeling niet toe aan bespreking van het door [appellanten sub 2] gedane beroep op het vertrouwensbeginsel.
Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 1]
10. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat [appellanten sub 2] artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo hebben overtreden, niet heeft onderkend dat zij ook in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo hebben gehandeld door het bouwwerk in stand te laten.
10.1. Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat niet in geschil is dat de dakopbouw in afwijking van de daarvoor verleende bouwvergunning is gebouwd. Ook is niet in geschil dat daarmee sprake is van een overtreding van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo.
Dat de rechtbank alleen overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo in de uitspraak heeft vermeld, zoals [appellant sub 1] terecht stelt, leidt niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak. Aangezien de overtreding ook in de beroepsprocedure niet in geschil was, kan uit het niet vermelden van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo niet worden afgeleid dat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van strijd met dat artikel.
11. De Afdeling stelt vast dat het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 1] zich voor het overige niet richt tegen dragende overwegingen van de rechtbankuitspraak. Het incidenteel hoger beroep kan daarom ook in zoverre niet leiden tot vernietiging daarvan.
Conclusie hoger beroepen
12. Het hoger beroep van [appellanten sub 2] is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 4 mei 2023 alsnog ongegrond verklaren. Dat betekent dat het besluit van het college om het verzoek handhaving af te wijzen in stand blijft.
13. Het college moet de proceskosten van [appellanten sub 2] vergoeden.
Het besluit op bezwaar van 19 februari 2025.
14. Bij het besluit van 19 februari 2025 heeft het college, ter uitvoering van de rechtbankuitspraak, een nieuw besluit genomen. Het heeft aan [appellanten sub 2] een last onder dwangsom opgelegd die strekt tot het beëindigen en beëindigd houden van de overtreding door de overschrijding van de mandelige muur met 3 cm in de richting van de woning van [appellant sub 1] ongedaan te maken en de dakopbouw te bouwen volgens de omgevingsvergunning uit 2005. Dit besluit wordt door artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Uit wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, volgt dat aan het besluit van 19 februari 2025 de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal dat besluit worden vernietigd. De Afdeling komt niet toe aan bespreking van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.
Het beroep van [appellant sub 1] tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit en de toekenning dwangsom
15. Het voor dit beroep relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
16. [appellant sub 1] heeft op 9 januari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar door het college, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Daarbij heeft [appellant sub 1] ook de hoogte van de door het college toegekende dwangsom betwist. [appellant sub 1] heeft de Afdeling verzocht om de door het college verbeurde dwangsom vast te stellen op het maximale bedrag van € 1.442,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
16.1. Bij brief van 28 november 2024 over het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 23 december 2023 heeft het college te kennen gegeven dat het gevolg zal geven aan de uitspraak van de rechtbank en het handhavingsverzoek van [appellant sub 1] toewijst. Het college heeft medegedeeld dat het voornemens is om handhavend op te gaan treden tegen de geconstateerde overtreding.
De Afdeling overweegt dat deze aan [appellant sub 1] gerichte brief in zoverre geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Deze mededeling is namelijk niet op enig rechtsgevolg gericht. De aan [appellanten sub 2] gerichte brief van 19 februari 2025, waarin aan hen een last onder dwangsom wordt opgelegd, is dat wel. Deze twee brieven vormen daarmee samen het volledige besluit op het handhavingsverzoek van [appellant sub 1].
De brief van 28 november 2024 bevat ook een besluit over de toekenning van de verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar. Het college heeft zich hierin op het standpunt gesteld dat het besluit op bezwaar zeven dagen te laat is genomen en heeft daarom aan [appellant sub 1] een dwangsom van € 161,00 toegekend. Het college heeft dit bedrag nog niet aan [appellant sub 1] betaald. Omdat [appellant sub 1] het niet eens is met deze toegekende dwangsom, wordt dit besluit op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb meegenomen in deze procedure.
16.2. Gelet op de opdracht in de rechtbankuitspraak om binnen tien weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, was het college toen verplicht om uiterlijk 5 november 2024 een nieuw besluit te nemen. De terugwerkende kracht van de vernietiging van de rechtbankuitspraak door de Afdeling raakt de daarvoor geldende verplichting voor het college om tijdig aan die uitspraak gevolg te geven niet. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:627). Omdat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een nieuw besluit heeft genomen, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond.
16.3. [appellant sub 1] heeft het college op 7 november 2024 in gebreke gesteld. Uitgaande van de ontvangst van de ingebrekestelling door het college op 7 november 2024 is de eerste dag waarop volgens artikel 4:17, derde lid, van de Awb, een dwangsom is verschuldigd 22 november 2024. Omdat met het besluit van 19 februari 2025 meer dan 42 dagen zijn verstreken na deze datum, is de maximale dwangsom verbeurd. Dat betekent dat het college in het besluit van 28 november 2024 de verschuldigde dwangsom ten onrechte heeft vastgesteld op € 161,00. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit tot toekenning van de dwangsom van 28 november 2024 is dan ook gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd.
De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:55c, gelezen in samenhang met artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, de door het college verbeurde dwangsom vast te stellen op het maximale bedrag van € 1.442,00.
16.4. De laatste dag waarover het college een dwangsom heeft verbeurd, is 26 december 2024. Op grond van artikel 4:18 van de Awb had het college dus uiterlijk op 8 januari 2025 bij besluit de verschuldigdheid van deze dwangsom moeten vaststellen en had het de verbeurde dwangsom op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb, uiterlijk op 19 februari 2025 aan [appellant sub 1] moeten voldoen.
Op grond van artikel 4:100 van de Awb is, als het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest als die beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Het college is dus vanaf 20 februari 2025 in verzuim om de verbeurde dwangsom te voldoen. Het college moet vanaf die dag tot de dag van de algehele voldoening daarvan de daarover verschuldigde wettelijke rente aan [appellant sub 1] vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellanten sub 2] gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2024 in zaak nr. 23/3554;
IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 19 februari 2025, kenmerk 6834099;
VI. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant sub 1] gegrond;
VII. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 28 november 2024 over de toekenning van een dwangsom gegrond;
VIII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 28 november 2024, kenmerk 8819879 AWB-2023-0127;
IX. stelt de hoogte van de door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad verbeurde dwangsom ten aanzien van het besluit op bezwaar van [appellant sub 1] vast op een bedrag van € 1.442,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2025 tot de dag van de algehele voldoening daarvan;
X. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan [appellanten sub 2] het door hun voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. G.O. van Veldhuizen, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Kaajan
voorzitter
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
604
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
[…]
Artikel 4:18
Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.
Artikel 4:87, eerste lid
De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
Artikel 4:100
Indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, is het wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
Artikel 6:2
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. […]
b. het niet tijdig nemen van een besluit.
Artikel 8:55c
Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.