Uitspraak 202602173/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4338
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Het verzoek ziet op de beslissing van de examinator van de opleiding AD Sociaal Werk van 13 april 2026, waarbij hij de opdracht van [verzoekster] voor het vak Beroepsproduct 3 heeft beoordeeld met het cijfer 5,3. [verzoekster] verzoekt de voorzieningenrechter een voorziening te treffen inhoudende dat de opleiding hangende administratief beroep de door haar ingeleverde opdracht voor het vak Beroepsproduct 3 opnieuw beoordeeld.
- Mondelinge uitspraak
- Voorlopige voorziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202602173/1/A2.
Datum uitspraak: 23 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster],
verzoekster,
en
het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam (CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 23 juli 2026 om 11:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter
griffier: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
[verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde];
het CBE, vertegenwoordigd door mr. L. Markesteijn
Het verzoek ziet op de beslissing van de examinator van de opleiding AD Sociaal Werk van 13 april 2026, waarbij hij de opdracht van [verzoekster] voor het vak Beroepsproduct 3 heeft beoordeeld met het cijfer 5,3. [verzoekster] verzoekt de voorzieningenrechter een voorziening te treffen inhoudende dat de opleiding hangende administratief beroep de door haar ingeleverde opdracht voor het vak Beroepsproduct 3 opnieuw beoordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Gronden
Voordat de voorzieningenrechter zijn beslissing toelicht, merkt hij het volgende op. [verzoekster] heeft in eerste instantie de voorzitter van het CBE verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3619), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de voorzitter van het CBE het beste in staat is om het verzoek te beoordelen gelet op zijn inbedding in de onderwijsinstelling en de korte lijnen met de examencommissie en vakdocenten. De voorzitter van het CBE heeft het verzoek van [verzoekster] op 15 juli 2026 afgewezen. Hoewel het [verzoekster] vrij staat om zich alsnog tot de voorzieningenrechter van de Afdeling te wenden, moet dit niet worden gezien als een verkapte hogerberoepsprocedure. De voorzieningenrechter zal daarom een hernieuwde (belangen)afweging maken waarbij het nodige gewicht wordt toegekend aan de beslissing van de voorzitter.
Op basis van de door partijen ingenomen standpunten en overgelegde stukken bestaat bij de voorzieningenrechter de verwachting dat de beslissing van de examinator in administratief beroep in stand blijft. Het is namelijk de vraag of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarnaast komen de gronden die [verzoekster] heeft aangevoerd tegen de beslissing van 13 april 2026 er in de kern op neer dat zij het niet eens is met de wijze waarop de examinator haar werk heeft beoordeeld. Het CBE toetst in administratief beroep de beoordeling echter niet inhoudelijk, maar alleen of de beslissing van de examinator in strijd is met het recht (vergelijk ECLI:NL:RVS:2018:3428). Voor zover [verzoekster] daarom betoogt dat de beslissing van de examinator in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat de gemotiveerde onderbouwing van de beoordeling in haar ogen niet juist is, kan dit niet leiden tot vernietiging van de beslissing.
Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier
1064