Uitspraak 202403009/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4414
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 juli 2020 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een vergoeding van € 18.572,66, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, voor fysieke mijnbouwschade aan zijn woning toegekend. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (onderhavige zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de beoordeling van de fysieke mijnbouwschade en de vraag of [appellant] recht heeft op een hogere schadevergoeding dan is toegekend door de rechtbank (€ 29.246,38). De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202403009/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B] (tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in [woonplaats
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2024 in zaak nr. 21/3388 in het geding tussen:
[appellant]
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2020 heeft het Instituut aan [appellant] een vergoeding van € 18.572,66, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, voor fysieke mijnbouwschade aan zijn woning toegekend.
Bij besluit van 18 november 2021 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de toegekende vergoeding naar € 20.200,24, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, verhoogd.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 november 2021 vernietigd voor zover de vergoeding daarin op € 20.200,24, inclusief rente, is vastgesteld, de vergoeding vastgesteld op € 29.246,38, te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar [appellant A], ook als vertegenwoordiger van [appellante B], vergezeld door A. Nanninga, deskundige, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. S.C. Goldbohm, bijgestaan door mr. P. Zoeten, advocaat in Zwolle, en vergezeld door C. van der Werf, deskundige, zijn verschenen.
Inleiding
1. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over:
1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (onderhavige zaak 202403009/1/A2);
2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2);
3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende
4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2).
2. Daarnaast is een zaak bij de Afdeling aanhangig die gaat over de inhoudelijke beoordeling van de woning aan de veiligheidsnorm (zaak 202307269/1/A2), waarin de Afdeling op 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976, tussenuitspraak heeft gedaan. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de minister) waarin hij heeft vastgesteld dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden (het normbesluit), onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd vanwege onvolkomenheden in het daaraan ten grondslag gelegde deskundigenadvies.
3. Deze uitspraak gaat over de beoordeling van de fysieke mijnbouwschade en de vraag of [appellant] recht heeft op een hogere schadevergoeding dan is toegekend door de rechtbank (€ 29.246,38). De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.
Procedure in de besluitvormingsfase
4. [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden.
5. Op 17 september 2018 heeft [appellant] bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (de voorganger van het Instituut, verder: het Instituut) een aanvraag om vergoeding van fysieke schade aan zijn woning ingediend.
6. Daarop heeft deskundige R. Willemse van deskundigenbureau CED in opdracht van het Instituut op 8 mei 2019 de woning bezocht en op 25 juli 2019 een advies uitgebracht. Daarin is de voor vergoeding in aanmerking komende schade begroot op € 7.516,78. Een aantal schades komt volgens deskundige Willemse niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze schades identiek zijn aan de in 2014 door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) beoordeelde schades of niet door mijnbouwactiviteiten zijn veroorzaakt.
7. [appellant] heeft bij e-mail van 15 september 2019 onder verwijzing naar correspondentie met de NAM een eerste zienswijze gegeven op het advies van 25 juli 2019. Volgens [appellant] heeft de NAM een aantal schades niet beoordeeld en is een aantal wel beoordeelde schades verergerd. Verder zit er volgens hem spanning in het huis en houdt de schadebegroting geen rekening met de benodigde maatregelen voor de versterking van de woning.
8. Op 13 december 2019 heeft [appellant] melding gedaan van een mogelijk acuut onveilige situatie (AOS). Bij een AOS is er een aantasting van de constructie en/of de staat van een (deel van een) gebouw of werk, op een zodanige manier dat er direct een veiligheidsrisico is voor bewoners, omwonenden of andere personen. Bij de beoordeling of er sprake is van een AOS worden mogelijke invloeden op de constructie van buitenaf die de AOS drastisch kunnen verergeren, meegenomen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld weersinvloeden, verkeersinvloeden of trillingen door aardbevingen.
9. Daarop heeft bouwkundig inspecteur G. Keizer van W2N Groningen B.V. in opdracht van het Instituut op 14 december 2019 de woning bezocht. Daarbij was ook bouwkundig adviseur M. Werkman van het Instituut aanwezig. In het AOS-inspectieverslag van 14 december 2019 is de situatie aan de hand van het AOS-protocol en de beoordelingscriteria voor constructieve veiligheid niet als acuut onveilig beoordeeld. Tijdens de AOS-inspectie is alleen de constructieve veiligheid van de woning beoordeeld en is niet onderzocht of er een causaal verband bestaat tussen de schade en mijnbouwactiviteiten. Meer in het bijzonder is in het inspectieverslag vastgesteld dat de muren geen scheefstand vertonen en de betonnen vloerplaten voldoende oplegging op de muren en stalen draagprofielen hebben. Verder is vastgesteld dat er scheurvorming is in het metsel- en stucwerk en tussen de betonnen vloerplaten, maar dat er geen acuut gevaar aanwezig is. De bouwkundig inspecteur heeft daarom geconcludeerd dat de AOS-melding ongegrond is en dit ook bij de inspectie aan [appellant] medegedeeld. Het Instituut heeft in een brief van 8 januari 2020 [appellant] laten weten het advies van de inspecteur te volgen.
10. Verder heeft [appellant] bij e-mail van 31 december 2019 onder verwijzing naar een brief van 30 december 2019 en een tegenadvies met calculatie van Vergnes Expertise BV (Vergnes) van 27 december 2019 zijn zienswijze op het advies van 25 juli 2019 aangevuld. [appellant] wijst erop dat er volgens Vergnes meer mijnbouwgerelateerde schade is dan in het advies van deskundige Willemse staat genoemd, waaronder (verergerde) schades die in 2014 in opdracht van de NAM zijn beoordeeld en een aantal aanvullende schades. Vergnes heeft de herstelkosten begroot op een totaalbedrag van € 45.313,95. Verder is in het tegenadvies vermeld dat de woning door de hoeveelheid metselwerk, het type fundering en de hoogteverschillen zeer kwetsbaar is voor bodembeweging door gaswinning. Volgens Vergnes moet er een constructief plan voor duurzaam herstel van de schade komen. Bouwkundige versterking maakt volgens Vergnes de woning beter bestand tegen gevolgen van bodembeweging in de toekomst. [appellant] heeft daarop het Instituut verzocht zijn woning aan te melden bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG), zodat zijn woning spoedig kan worden opgenomen in het versterkingsprogramma. [appellant] heeft daarnaast gevraagd om vergoeding van de waardevermindering van de woning en om vergoeding van immateriële schade.
11. [appellant] heeft vervolgens in een e-mail van 9 juli 2020 onder verwijzing naar artikel 5.4 van het convenant NCG-TCMG (convenant) zijn zienswijze aangevuld met een verzoek aan het Instituut om samen met de NCG een integraal besluit te nemen op de door hem gedane verzoeken. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij voor zover nodig op 27 mei 2020 bij het Loket Opname op Verzoek heeft verzocht om opname van zijn woning voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm. Hij stelt dat na de AOS-melding en het daaropvolgende inspectieverslag zijn dossiers gezamenlijk moeten worden behandeld. Hij wenst een integraal besluit over de vergoeding van de fysieke mijnbouwschade, de waardedaling en de immateriële schade, en (een vergoeding voor) de te treffen versterkingsmaatregelen.
12. Daarna heeft [appellant] op 18 juli 2020 zijn zienswijze onder verwijzing naar een versterkingsbeoordeling van ing. A. Nanniga van 17 juli 2020 nader aangevuld. Daarin heeft deskundige Nanninga een berekening van de benodigde versterkingsmaatregelen gemaakt. Volgens [appellant] worden de versterkingsmaatregelen geschat op minimaal € 69.000 en de extra kosten op minimaal € 46.000.
13. Bij brief van 22 juli 2020 heeft het Instituut aan [appellant] bericht dat het Instituut vanaf 1 november 2020 bevoegd is waardedaling en immateriële schade te beoordelen en dat hij dan een aanvraag kan indienen.
14. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] heeft deskundige R. Willemse in opdracht van het Instituut op 23 juli 2020 een nader advies (addendum I) uitgebracht. Daarin adviseert hij een aanvullende schadevergoeding van € 7.711,27, en dus in totaal een vergoeding van € 15.228,05, voor herstel van fysieke schade toe te kennen.
15. Het Instituut heeft in het besluit van 30 juli 2020 een schadevergoeding van € 18.572,66, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, aan [appellant] toegekend. Volgens het Instituut is er geen aanleiding melding te doen bij de NCG of de versterkingsbeoordeling van deskundige Nanninga te betrekken bij de besluitvorming op de aanvraag om schadevergoeding.
16. [appellant] heeft onder verwijzing naar een nader tegenadvies van Vergnes van 4 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 juli 2020. Naast dat hij opkomt tegen de schades die volgens hem niet (toereikend) vergoed zijn, verzet [appellant] zich tegen de verkokerde behandeling van zijn schadedossier. Hij wijst op het uitblijven van (een vergoeding voor) versterkingsmaatregelen en het uitblijven van een vergoeding voor waardevermindering, immateriële schade en gemaakte kosten. Verder heeft [appellant] op 20 april 2021op basis van de eerder ingediende versterkingsbeoordeling van deskundige Nanninga een kostenbegroting van bouwbedrijf Eldering BV ter hoogte van € 211.491 overgelegd.
17. Naar aanleiding van het bezwaar heeft deskundige J.J. Timmer van CED op 6 mei 2021 in opdracht van de bezwaaradviescommissie (commissie) een nader advies (addendum II) uitgebracht, waarin hij de kosten van een aantal schades heeft begroot. Daarop heeft [appellant] een nader tegenadvies van Vergnes van 23 mei 2021 over die schades overgelegd. Vervolgens heeft deskundige Timmer op 13 augustus 2021 een nader advies (addendum III) in opdracht van de commissie uitgebracht, waarna [appellant] een nader tegenadvies van Vergnes van 26 augustus 2021 heeft overgelegd. Daarna heeft de commissie op 20 september 2021 een advies uitgebracht.
18. Het Instituut heeft vervolgens onder verwijzing naar het advies van de commissie op 18 november 2021 de schadevergoeding met € 1.627,58, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, verhoogd. Daarnaast heeft het Instituut in het besluit medegedeeld dat het bij de NCG heeft nagevraagd of de woning van [appellant] in de versterkingsoperatie is opgenomen. Omdat dit niet het geval is, ziet het Instituut geen aanleiding om de NCG nader te betrekken bij zijn besluitvorming in deze bezwaarprocedure.
Uitspraak van de rechtbank
19. De rechtbank heeft geoordeeld dat de NCG en het Instituut niet gehouden zijn de woning van [appellant] integraal te beoordelen. Er is geen aanleiding voor procedurele en inhoudelijke afstemming, omdat de woning niet is opgenomen in de versterkingsoperatie van de NCG. Daarmee is er geen sprake van een combinatie-dossier als bedoeld in het convenant. Omdat uit de beoordeling na de AOS-melding bleek dat geen sprake was van een acuut onveilige situatie hoefde het Instituut geen vervolgactie, zoals afstemming met de NCG, te ondernemen en hoefde het ook niet het rapport van Nanninga aan de NCG door te sturen. Ook anderszins volgt niet uit de wet of het convenant dat het Instituut had moeten kiezen voor een integrale aanpak samen met de NCG. De wetgever heeft bewust voor de taakverdeling tussen de NCG en het Instituut gekozen.
20. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schades 9, 34 en 35 verschillen van de eerder door de NAM beoordeelde schades. Ook is niet gebleken dat deze schades sinds de beoordeling door de NAM zijn verergerd.
21. De rechtbank heeft in verband met een aantal andere schades zelfvoorzienend bepaald dat het Instituut een totaalbedrag van € 29.246,38, exclusief rente, in plaats van het eerder toegekende bedrag van € 20.200,24, inclusief rente, aan [appellant] moet vergoeden.
Hoger beroep van [appellant]
22. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het Instituut in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de vergewisplicht essentiële informatie over de veiligheid van zijn woning niet inhoudelijk heeft onderzocht, terwijl deze informatie rechtstreeks relevant was voor de beoordeling van zijn aanvraag om schadevergoeding. Hij heeft op 15 september 2019 in zijn zienswijze op het advies van deskundige Willemse van 25 juli 2019 al naar voren gebracht dat uit de (toenemende) scheuren blijkt dat de woning onder spanning staat en dat de schadebegroting geen rekening houdt met de benodigde maatregelen ter versterking van de woning. Daarbij verwijst hij ook naar de AOS-melding die op deze zienswijze is gevolgd. Verder volgt uit het tegenadvies van Vergnes van 30 december 2019 en de versterkingsbeoordeling van deskundige Nanninga van 17 juli 2020 dat de woning in aanmerking moet komen voor de versterkingsoperatie. [appellant] wijst ook op een in hoger beroep overgelegde versterkingsbeoordeling van deskundige Nanninga van 22 mei 2026, waarin geconcludeerd wordt dat er geen aanwijzingen zijn dat de woning aan het verzakken is. Volgens hem had het Instituut in deze omstandigheden, en mede gelet op het convenant, direct in 2019 aanleiding moeten zien om samen met de NCG zijn woning integraal te beoordelen dan wel had het Instituut op grond van artikel 2:3 van de Awb deze informatie moeten doorzenden naar de NCG. Zijn woning zou dan als (één van de) eerste opdrachten binnen de NCG zijn opgepakt. Ook had zijn woning hierdoor een hoger risicoprofiel en daarmee een hogere prioritering moeten krijgen. Zijn woning was in dat geval op basis van de oude systematiek en een oudere Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) die vóór 2020 gold, beoordeeld op aardbevingsbelastingen. De woning was onder die regeling voor versterkingsmaatregelen in aanmerking gekomen. [appellant] betoogt daarom dat zijn woning alsnog naar de situatie ten tijde van de door hem ingediende (versterkings)stukken (ex tunc) op veiligheid moet worden beoordeeld. Zo lang zijn woning niet versterkt wordt, blijft er constructieve schade aanwezig die door Eldering op 20 april 2021 begroot is op ruim € 211.000. Ook blijft er in dat geval een schending van het evenredigheidsbeginsel, het fair-playbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, artikel 6 en 13 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM bestaan.
23. Op de zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat het hem niet gaat om het niet of ontoereikend vergoeden van de schades. De kern van zijn hoger beroep is dat het Instituut al sinds 2019 had moeten weten dat zijn aanvraag om vergoeding van fysieke schade ook betrekking had op de constructieve versterking van zijn woning en dat daarover een integraal besluit moest worden genomen, waardoor zijn woning wel voor versterking in aanmerking zou zijn gebracht. De vier zaken die op 12 juni op zitting zijn behandeld moeten volgens [appellant] tegen deze achtergrond dan ook in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Om die reden kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven.
Beoordeling van het hoger beroep
24. De Afdeling stelt voorop dat de TwG geen grondslag bood en biedt voor het nemen van integrale of gezamenlijke besluiten door het Instituut en de NCG. Uit artikel 2 van de TwG volgt dat het Instituut tot taak heeft en bevoegd is schade die is ontstaan door bodembeweging als gevolg van de gaswinning in Groningen te vergoeden. Bij de vergoeding van deze schade gaat het Instituut uit van herstel in de oude toestand.
25. Daarnaast was ten tijde van de besluitvorming in deze procedure het op grond van artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet vastgestelde Besluit versterking gebouwen Groningen (BvgG) van toepassing. De versterking van gebouwen is tot 1 juli 2023 op basis van het BvgG uitgevoerd en daarna verankerd in de TwG. Bij versterking gaat het om de preventieve versterking van gebouwen om de veiligheidsrisico’s als gevolg van de gaswinning te beperken. Daarbij wordt beoordeeld of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm, inhoudende een maximaal risico op overlijden van een individu door het bezwijken van een gebouw, als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de winning van gas uit het Groningenveld, van 1 op de 100.000 per jaar.
26. In het convenant is vermeld dat partijen zich zullen inspannen om binnen de gestelde kaders de uitvoering van hun taken op elkaar af te stemmen in het geval een woning moet worden versterkt en waar ook sprake is of kan zijn van mijnbouwschade (de zogenoemde combinatie-dossiers). Deze inspanningsverplichting volgt ook uit de toelichting bij het BvgG (Stcrt. 4 juni 2019, nr. 30569) en komt ook tot uitdrukking in de memorie van toelichting bij de wijziging van de TwG in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Kamerstukken II 2020/21, 35603, nr. 3).
27. Versterking kent een andere afweging en ander proces dan schadevergoeding. Bij schadevergoeding wordt gekeken naar de werkelijk opgetreden schade aan het gebouw. Het gaat om herstel van schade om uit te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond voordat het werd beschadigd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Het Instituut gaat hierbij nadrukkelijk uit van zowel cosmetisch als constructief herstel (vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 101). Als daartoe aanleiding bestaat, kan het Instituut gebouwen onderbouwd aandragen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (Stcrt. 2019, nr. 30569, p. 11).
28. Bij versterken wordt gekeken naar de kans dat een gebouw door mijnbouwactiviteiten bezwijkt, waardoor een risico op overlijden bestaat. Versterken kent een breder publiek belang. Het voorkomen van slachtoffers als gevolg van aardbevingen is niet uitsluitend in het belang van de eigenaar van het betreffende gebouw. Daarom kennen schade en versterken een andere procedurele aanpak: schade wordt op aanvraag behandeld, in beginsel op volgorde van binnenkomst, versterken vindt risico-gestuurd plaats. De meest onveilige gebouwen worden als eerste versterkt (Kamerstukken II 2020/21, 35603, nr. 3, p. 6).
29. De afwegingen bij schadeherstel en versterking kunnen in de praktijk overlappen. Bijvoorbeeld als er grootschalige constructieve schade aan het gebouw is, waardoor de kans op bezwijken groter wordt. De oplossing kan dan ook vergelijkbaar zijn. Zowel vanuit het perspectief van schadeherstel als van versterken kan worden besloten tot ingrijpende constructieve maatregelen (waaronder sloop en nieuwbouw) van een gebouw. Dit is echter niet altijd zo. In veel gevallen is de schade constructief niet van dien aard dat dit effect heeft op de vraag of het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm (toelichting bij het BvgG, Stcrt. 2019, nr. 30569, p. 19).
30. Het Instituut mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Deze verplichting - de vergewisplicht - is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het Instituut niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant] over het advies heeft aangevoerd.
31. De Afdeling stelt vast dat uit de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen volgt dat de schades hoofdzakelijk bestaan uit scheur- en naadvorming in de binnen- en buitenmuren en in het plafond. Uit de adviezen volgt niet dat de woning constructief is beschadigd of dat de vastgestelde mijnbouwgerelateerde schade constructief van aard is. Op basis van deze adviezen was er dus voor het Instituut geen aanleiding om te concluderen dat er grootschalige constructieve schade aan het gebouw is, waardoor de kans op bezwijken van het gebouw groter is, of dat er dermate constructieve schade aanwezig is dat dit effect heeft op de vraag of het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm. Daarmee bestond er dus geen aanleiding voor het Instituut om de woning van [appellant] aan te melden bij de NCG voor de versterkingsoperatie.
32. De door [appellant] ingediende zienswijzen en daarbij overgelegde tegenadviezen in het algemeen, en het tegenadvies van Vergnes van 27 december 2019 en de versterkingsbeoordeling van deskundige Nanninga van 17 juli 2020 in het bijzonder, bieden geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen. De beschrijving van Vergnes dat de situatie op de locatie vanwege het schadebeeld aanleiding geeft om de woning in het traject van bouwkundig versterken op te nemen, is zonder nadere onderbouwing te algemeen om te concluderen dat de woning dermate constructief beschadigd is dat dit effect heeft op de vraag of het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm. In de versterkingsbeoordeling van Nanninga wordt verder aan de hand van een berekening beschreven welke maatregelen ter versterking wenselijk zijn, maar daaruit blijkt evenmin dat de woning dermate constructief beschadigd is dat dit effect heeft op de vraag of het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm.
33. Daarbij komt dat uit het inspectieverslag van deskundige Keizer van 14 december 2019 naar aanleiding van de AOS-melding volgt dat de muren geen scheefstand vertonen en dat de betonnen vloerplaten voldoende oplegging op de muren en stalen draagprofielen hebben. Verder is daarin vastgesteld dat in de woning scheurvorming voorkomt in het metsel- en stucwerk en tussen de betonnen vloerplaten, maar dat er geen acuut gevaar aanwezig is. De bouwkundig inspecteur heeft daarom geconcludeerd dat de AOS-melding geen opvolging behoefde.
34. Het betoog van [appellant] dat wel sprake zou zijn van een combinatiedossier in de zin van het convenant als de beoordeling van de vraag of zijn woning aan de veiligheidsnorm voldoet op grond van een oude NPR was beoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor onder 28 overwogen, vindt het proces van versterken risico-gestuurd plaats, op basis van actuele gegevens en inzichten. Ten tijde van het besluit van 18 november 2021 was de woning van [appellant] nog niet toegevoegd aan de versterkingsoperatie, waardoor het Instituut op basis van het convenant en de daarin neergelegde inspanningsverplichting niet gehouden was om met de NCG tot een integrale beoordeling van de woning te komen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
35. De slotsom is dat er geen grond is om te oordelen dat het Instituut de woning bij de NCG had moeten melden om op te worden genomen in de versterkingsoperatie dan wel dat het samen met de NCG tot een integrale beoordeling van de woning van [appellant] had moeten komen.
36. Het betoog slaagt niet.
37. De Afdeling merkt nog op dat de betogen van [appellant] over welke NPR van toepassing is, de prioritering en het risicoprofiel van de woning onderdeel zijn van de beoordeling van het zogenoemde normbesluit. Deze betogen die gaan over de vraag of de woning ten onrechte niet in aanmerking is gekomen voor versterkingsmaatregelen worden in de procedure over het normbesluit beoordeeld. Dat is in het geval van [appellant] ook gebeurd in de zaak die heeft geleid tot de tussenuitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3976.
38. De overige betogen van [appellant] behoeven geen bespreking, aangezien die betogen - voor zover onderbouwd - samenhangen met de door [appellant] veronderstelde verplichting van het Instituut om de woning bij de NCG aan te melden voor de versterkingsoperatie dan wel de veronderstelde verplichting van een integrale aanpak. Voor de door [appellant] bepleite integrale beoordeling van de onder 1 genoemde vier zaken in onderling verband bestaat geen grond.
Conclusie
39. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
40. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Kouidar
Griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1120