Uitspraak 202206419/1/R4, 202206420/1/R4 en 202206421/1/R4
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 maart 2021 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning van 25 april 2007 voor het gebied Utrecht verlengd tot en met 31 december 2025. Vermilion is houdster van de opsporingsvergunning voor het gebied Utrecht. Deze vergunning is verleend op 25 april 2007 en biedt Vermilion het alleenrecht om in dat gebied koolwaterstoffen (zoals aardgas) op te sporen. Met de opsporingsvergunning worden geen fysieke activiteiten toegestaan. Daarvoor zijn andere toestemmingen nodig, zoals een instemmingsbesluit met een winningsplan. Deze opsporingsvergunning is laatstelijk verlengd bij besluit van 23 november 2016 voor de duur van twee jaar tot 24 november 2018. Bij besluit van 15 maart 2021 heeft de minister de geldigheidsduur verlengd tot en met 31 december 2025. Bij besluit van 3 september 2021 heeft de minister de bezwaren van Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen feitelijke gevolgen zouden zijn voor hun belangen of voor de aan hen toevertrouwde belangen. Volgens de minister zijn zij daarom geen belanghebbenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting wel belanghebbenden zijn. Vermilion is van mening dat Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting geen belanghebbenden zijn en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Milieu - Overige
Toon inhoud
Verlenging van ‘opsporingsvergunning Utrecht’
Uitspraak over het besluit van de toenmalige minister van Economische Zaken en Klimaat om de ‘opsporingsvergunning Utrecht’ te verlengen. Met de opsporingsvergunning kan Vermilion onderzoek doen naar de aanwezigheid van delfstoffen in de provincie Utrecht. De minister verlengde aanvankelijk deze vergunning tot en met 31 december 2025. Daartegen kwamen de colleges van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en Utrecht, Stichting Laat Woerden Niet Zakken en de colleges van burgemeester en wethouders van Bunnik, Houten, IJsselstein, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede en Woerden eerder in bezwaar bij de minister, maar die oordeelde dat zij geen belanghebbenden zijn bij het verlengingsbesluit. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde echter van wel in drie gelijkluidende uitspraken. Na de rechtbankuitspraken ‘herriep’ de minister de vergunning, omdat ze van mening is dat een eenmaal verlopen vergunning niet kan worden verlengd. Vermilion is het zowel niet eens met de rechtbankuitspraken als met het herroepingsbesluit van de minister. Volgens Vermilion kon de minister ook na afloop van de geldigheidsduur van de opsporing besluiten om de geldigheidsduur te verlengen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaken op 6 februari 2026 op zitting behandeld.