Uitspraak BRS.26.002592
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3930
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002592
ECLI:NL:RVS:2026:3930
Datum uitspraak: 9 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 mei 2026 in zaak nr. NL26.24877 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 21 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.A. Broersma, advocaat in Ter Apel, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000, ofwel Dublinbewaring. De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat hij daarin geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt.
1.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387, geoordeeld dat de minister in een maatregel op deze grondslag in ieder geval geen refoulementbeoordeling hoeft te maken als hij nog geen overdrachtsbesluit heeft genomen. Dat is ook in deze zaak het geval. De minister heeft weliswaar eerder een overdrachtsbesluit voor Kroatië genomen, maar dat besluit is uitgewerkt, omdat betrokkene aan Kroatië is overgedragen en weer terug naar Nederland is gekomen. De minister zal dus een nieuw overdrachtsbesluit moeten nemen.
1.2. De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak van 12 juni 2026, onder 1.4, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om in een geval als dat van betrokkene prejudiciële vragen te stellen.
1.3. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3. Betrokkene voert aan dat de minister zware grond 3b ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, omdat hij onvoldoende met stukken heeft onderbouwd dat betrokkene op 17 april 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Maar de minister heeft een screenshot overgelegd waaruit dat blijkt.
3.1. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 mei 2026 in zaak nr. NL26.24877;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026
1020