Uitspraak BRS.26.001164
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3387
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratiebetrokkene in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001164
ECLI:NL:RVS:2026:3387
Datum uitspraak: 12 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9498 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft betrokkene op 18 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 (Dublinbewaring). De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in zo’n maatregel moet motiveren dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen overdracht verzet.
1.1. De Afdeling stelt voorop dat een dergelijke motiveringsplicht niet volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, of het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, waarover die uitspraak gaat. De uitspraak en het arrest gaan namelijk over de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement in de situatie dat de minister een vreemdeling in bewaring stelt om een terugkeerbesluit uit te voeren (artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn), terwijl de minister betrokkene in bewaring heeft gesteld met het oog op een overdracht aan Duitsland of Zwitserland op grond van de Dublinverordening. Dit heeft de rechtbank ook onderkend.
1.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ook een overdracht aan een andere lidstaat kan leiden tot een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest. Maar de minister wijst er terecht op dat voor Dublinbewaring vereist is dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening (artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000), en niet dat er daadwerkelijk een overdrachtsbesluit is genomen. In het geval van betrokkene was er op het moment van inbewaringstelling nog geen overdrachtsbesluit genomen, aangezien er op dat moment nog geen claimakkoord was. Van uitvoering van een overdrachtsbesluit was dus nog geen sprake en de minister moest bij het nemen van een eventueel overdrachtsbesluit nog een actuele beoordeling maken of artikel 4 van het EU Handvest zich tegen overdracht verzet. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
1.3. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig is, omdat de minister daarin geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt.
1.4. Uit het voorgaande volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat de minister in de bewaringsmaatregel van betrokkene geen refoulementbeoordeling hoefde te maken. Het antwoord op de vraag of dat wel moet in gevallen waarin de minister al een overdrachtsbesluit heeft genomen, is niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 10 en 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 34, 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 35 en 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.5. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9498;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
1020