Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.003157

Uitspraak BRS.26.003157

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3906
Datum uitspraak
7 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.003157
ECLI:NL:RVS:2026:3906
Datum uitspraak: 7 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juni 2026 in zaak nr. NL26.20367 in het geding tussen:

verzoeker

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Verzoeker heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 8 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 6 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.

Overwegingen

1.        Het bezwaar bij de minister en het verzoek bij de rechtbank zijn ingediend tijdens de procedure bij de Afdeling over het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2026. Uit de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, onder 2 en, 15 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, onder 1.1, volgt dat de Afdeling, in een geval als dat van verzoeker, bevoegd is om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen. Daarom worden het bezwaar en het verzoek aangemerkt als een nadere onderbouwing van het bij de voorzieningenrechter ingediende verzoek.

2.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat de voorgenomen overdracht aan Letland op 8 juli 2026 achterwege blijft.

2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).

3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt overgedragen, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Sevenster
voorzieningenrechter

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026

644-1161


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon