Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202200684/3/R4

Uitspraak 202200684/3/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3976
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij tussenuitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Hattem opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" te herstellen. Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem", opnieuw, zij het gewijzigd, vastgesteld (het herstelbesluit). In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van 13 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en de rechtszekerheid is vastgesteld. Daartoe heeft zij in 9.2 van de tussenuitspraak, kort gezegd, overwogen dat de raad de ruimtelijke gevolgen van de voorziene bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming "Maatschappelijk" onvoldoende heeft onderzocht. De stelling van de raad dat de invulling van de voorziene maatschappelijke bestemming met een Integraal Kindcentrum een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden betrof, achtte de Afdeling niet aannemelijk gemaakt.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Overijssel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202200684/3/R4.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend in Hattem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hattem,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" te herstellen.

Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem", opnieuw, zij het gewijzigd, vastgesteld (het herstelbesluit).

[appellant] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop met dat besluit de in het besluit van 13 december 2021 geconstateerde gebreken zijn hersteld. [appellant] en anderen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Bij brief van 20 oktober 2025 heeft de raad daar desgevraagd een reactie op gegeven. Bij brief van 16 december 2025 hebben [appellant] en anderen te kennen gegeven geen aanleiding te zien om te reageren op de brief van de raad van 20 oktober 2025.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van 13 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de rechtszekerheid is vastgesteld.

1.1.    Daartoe heeft zij in 9.2 van de tussenuitspraak, kort gezegd, overwogen dat de raad de ruimtelijke gevolgen van de voorziene bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming "Maatschappelijk" onvoldoende heeft onderzocht. De stelling van de raad dat de invulling van de voorziene maatschappelijke bestemming met een Integraal Kindcentrum (IKC) een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden betrof, achtte de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. In zoverre achtte de Afdeling het besluit van 13 december 2021, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, onzorgvuldig voorbereid. De raad heeft op de zitting echter benadrukt dat het zijn bedoeling was om met de bestemming "Maatschappelijk" enkel en alleen te voorzien in een IKC. De Afdeling heeft daarom uit een oogpunt van finale geschilbeslechting de overige beroepsgronden van [appellant] en anderen in de tussenuitspraak besproken, waarbij de Afdeling ervan uit is gegaan dat binnen de bestemming "Maatschappelijk" alleen is voorzien in een IKC waarbij educatieve voorzieningen en kinderopvang integraal zijn samengebracht.

1.2.    Onder 10.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan bij de invulling van de voorziene groenbestemming evenmin is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook in zoverre achtte de Afdeling het bestemmingsplan onzorgvuldig voorbereid.

1.3.    Onder 11.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat het plandeel met de bestemming "Wonen - Woongebouw" in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen dat niet duidelijk was of de raad met de voorziene bestemming "Wonen - Woongebouw" daadwerkelijk heeft bereikt wat hij heeft beoogd, omdat de raad met deze bestemming enerzijds aangaf te willen voorzien in een zorgcomponent, terwijl anderzijds met deze bestemming slechts werd voorzien in reguliere bewoning waarbij de nadruk niet mag liggen op de zorgcomponent.

1.4.    Onder 14.5 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling over de in artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen onderzoeksplicht overwogen dat daarmee de afweging of sprake is van een goede ruimtelijke ordening van een bij recht voorziene functie wordt doorgeschoven naar een later tijdstip, te weten, naar het moment dat het college van burgemeester en wethouders moet beslissen of toepassing wordt gegeven aan artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels. Dat is naar het oordeel van de Afdeling niet in overeenstemming met het systeem van artikel 3.1 van de Wro.

1.5.    Onder 16.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat niet inzichtelijk is gemaakt of de raad is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden bij het in kaart brengen van de parkeerbehoefte die met de voorziene bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt gegenereerd. In zoverre achtte de Afdeling het plan eveneens in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

1.6.    Onder 16.4 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat in artikel 15.1, onder b, van de planregels in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening, niet is aangegeven op de uitoefening van welke bevoegdheid artikel 15 betrekking heeft. Ook dit achtte de Afdeling in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

1.7.    Onder 17.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeerafwikkeling in en om het plangebied kan worden gerealiseerd. Ook in zoverre achtte de Afdeling het bestemmingsplan onzorgvuldig voorbereid.

1.8.    De verschillende geconstateerde gebreken maakten dat de Afdeling niet kon beoordelen of wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd aanleiding gaf voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte heeft beroepen op de uitzondering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit m.e.r. In 8.4 van de tussenuitspraak is overwogen dat de Afdeling dat in de einduitspraak zal beoordelen.

Het besluit van 13 december 2021

2.       Gelet op wat onder 8.4, 9.2, 10.2, 11.2, 14.5, 16.2, 16.4 en 17.3 in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van [appellant] en anderen gegrond. Het besluit van 13 december 2021 moet worden vernietigd.

Het herstelbesluit

3.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad met het herstelbesluit van 9 juli 2025 het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" opnieuw, zij het gewijzigd, vastgesteld.

Beroep tegen het herstelbesluit

3.1.    Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4 blijft het vóór 1 januari 2024 geldende recht van toepassing op het herstelbesluit.

Bestemming "Groen"

4.       De Afdeling stelt vast dat met het herstelbesluit de bestemming "Groen" is gewijzigd, met dien verstande dat een speel- en recreatieve voorziening nu alleen is toegestaan ter plaatse van de gronden waaraan op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van groen - speel- en recreatieve voorzieningen" is toegekend. Daarmee wordt binnen de groenbestemming niet langer onvoorwaardelijk voorzien in speeltuinen. [appellant] en anderen hebben zich in hun zienswijze niet meer gericht tegen de wijze waarop de raad tegemoet is gekomen aan hun daarop betrekking hebbende bezwaren. Hieruit leidt de Afdeling af dat zij zich in zoverre kunnen verenigen met het herstelbesluit.

Bestemming "Wonen - Woongebouw"

5.       In het herstelbesluit heeft de raad de bestemming "Wonen - Woongebouw" aangepast. Op grond van artikel 7.1, aanhef en onder a, van de regels van het herstelbesluit zijn de gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw" bestemd voor "woningen, waarbij het aantal woningen in totaal, in combinatie met het aantal woningen dat gerealiseerd wordt binnen de bestemming "Gemengd", niet meer dan 120 mag zijn en waarbij voorts geldt dat de woningen ook mogen worden gebruikt voor wonen in combinatie met een aan huis verbonden beroep". In artikel 1.55 van de planregels is "woning" gedefinieerd als: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten, mits sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning.

5.1.    In hun zienswijze geven [appellant] en anderen te kennen dat door de term "nagenoeg zelfstandige bewoning" nog steeds onduidelijk is of de raad met de bestemming "Wonen - Woongebouw" voorziet in een zorgcomponent of enkel en alleen in een woonfunctie. Onduidelijk blijft volgens hen wanneer een woonvorm, waarbij ook zorg wordt geboden, niet langer in overeenstemming is met de bestemming "Wonen - woongebouw". Uit de plantoelichting en de website van stichting De Luwte - de beoogde initiatiefnemer - valt volgens [appellant] en anderen af te leiden dat het beoogde gebruik van het voorziene woongebouw ziet op wonen, gecombineerd met intramurale zorg. Volgens hen ligt de nadruk dan niet meer op een woonfunctie en is het beoogde gebruik ook gericht op het verlenen van zorg.

5.2.    Uit de definitie van "woning" in samenhang bezien met artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels van het herstelbesluit leidt de Afdeling af dat op de gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw" alleen is voorzien in een woonfunctie waarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Dat brengt met zich dat bijvoorbeeld een zorginstelling die 24-uurs zorg verleent aan de bewoners van het voorziene gebouw op de gronden met deze bestemming niet is toegestaan. Zorg aan huis daarentegen is bijvoorbeeld wel toegestaan, zolang maar sprake blijft van nagenoeg zelfstandige bewoning. Dit acht de Afdeling niet onduidelijk. Paragraaf 2.2 van de plantoelichting is hier overigens ook op aangepast. Naar het oordeel van de Afdeling is dan ook niet langer onduidelijk of de raad heeft bereikt wat hij heeft beoogd. Dat de website van de beoogde initiatiefnemer de indruk wekt dat op de gronden met de bestemming "Wonen - Woonzorggebouw" een woonzorgcentrum wordt ontwikkeld waarbij de nadruk meer op de zorgfunctie dan op de woonfunctie ligt, doet, wat daar ook van zij, niet af aan de conclusie dat de gewijzigde bestemming "Wonen - Woongebouw" daar niet in voorziet. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet op afdoende wijze heeft geregeld in hoeverre het verlenen van zorg in overeenstemming is met de bestemming "Wonen - Woongebouw".

Het betoog slaagt niet.

Bestemming "Maatschappelijk"

6.       In het herstelbesluit heeft de raad de definitie van "maatschappelijke voorzieningen" in artikel 1.39 van de planregels gewijzigd, zodat op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk", op grond van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang bezien met artikel 1.39 van de planregels alleen nog is voorzien in voorzieningen in de vorm van basisscholen, buitenschoolse opvang, kinderdagopvangverblijven, zorg gericht op kinderen en andere vergelijkbare voorzieningen gericht op kinderen met de daarin onder artikel 5.1, onder b en c, van de planregels genoemde ondergeschikte dan wel bijbehorende voorzieningen.

7.       [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze tegen het herstelbesluit naar voren gebracht dat het bestemmingsplan met de bestemming "Maatschappelijk", ondanks de aangepaste definitie van "maatschappelijke voorzieningen", nog steeds voorziet in meer dan alleen de oprichting van een IKC. Daarmee is volgens [appellant] en anderen geen rekening gehouden bij de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het herstelbesluit. De onderzoeken zijn volgens hen dus nog steeds niet representatief. De Afdeling begrijpt [appellant] en anderen in zoverre aldus dat zij doelen op de zinsnede "zorg gericht op kinderen en andere vergelijkbare voorzieningen" in de gewijzigde definitiebepaling van "maatschappelijke voorzieningen" in artikel 1.39 van de planregels van het herstelbesluit. De raad heeft hierover toegelicht dat hij met deze zinsnede wenst te voorzien in bijvoorbeeld kinderfysiotherapie. De Afdeling zal aan de hand van de overige zienswijzen van [appellant] en anderen over de aspecten geluid, parkeren en verkeer beoordelen in hoeverre de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening.

Geluid

8.       [appellant] en anderen wijzen er in hun zienswijze over het herstelbesluit op dat, ondanks de gewijzigde definitie van "maatschappelijke voorzieningen" in artikel 1.39 van de planregels, de raad met de bestemming "Maatschappelijk" nog steeds voorziet in meer dan het beoogde IKC. Zo zijn alle vormen van voorzieningen gericht op kinderen toegestaan, zoals verenigingen en (intensieve) zorg voor kinderen. Ook zijn volgens hen ter plaatse sportvoorzieningen toegestaan die 24 uur per dag voor alle leeftijden tot 17 jaar toegankelijk zijn. Hierdoor kan volgens [appellant] en anderen voor wat betreft het aspect geluid redelijkerwijs niet worden aangesloten bij de in de VNG aanbevolen richtafstanden voor de categorie "Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs". Met de bestemming "Maatschappelijk" wordt voorzien in functies waarbij meer stem- en keelgeluiden te verwachten zijn dan die als relevante geluidbron zijn meegenomen in de richtafstanden voor de in de VNG-brochure genoemde bedrijfstypen "Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs" en "Kinderopvang". [appellant] en anderen zien hun stelling bevestigd in een uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3073, onder 12.4. In het verrichte akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het herstelbesluit is hier geen rekening mee gehouden. Hoewel in artikel 5.3.2, onder a, van de planregels geluidnormen zijn opgenomen, zijn die volgens [appellant] en anderen rechtsonzeker en niet handhaafbaar. In het herstelbesluit is artikel 5.3.2, onder b, van de planregels niet langer gehandhaafd door de raad. [appellant] en anderen voeren, kort gezegd, aan dat de raad dit niet had mogen doen zonder eerst nader onderzoek te doen naar de gevolgen van het stemgeluid van spelende kinderen voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen.

8.1.    De raad heeft erop gewezen dat de Afdeling in de tussenuitspraak onder 14-14.5 al een oordeel heeft gegeven over de akoestische gevolgen van een IKC. Zoals uit 9.3 van de tussenuitspraak volgt, is de Afdeling bij dat oordeel er uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting van uitgegaan dat de raad met de bestemming "Maatschappelijk" slechts heeft voorzien in een IKC waarbij educatieve voorzieningen en kinderopvang integraal zijn samengebracht. Uitgaande van een IKC waarbij educatieve voorzieningen en kinderopvang integraal zijn samengebracht, heeft de Afdeling geoordeeld dat in wat [appellant] en anderen hadden aangevoerd geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de raad niet mocht uitgaan van de door de VNG aanbevolen richtafstand voor basisscholen en kinderdagopvang in gemengd gebied. In 14.4 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling vervolgens vastgesteld dat ten aanzien van de woningen wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand en dat de raad, uitgaande van de toetsingssystematiek van de VNG-brochure, in beginsel mocht afzien van onderzoek naar de akoestische gevolgen van het IKC voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen. In wat [appellant] en anderen hadden aangevoerd zag de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daartoe wel gehouden was. De raad stelt terecht dat de Afdeling, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval doet zich hier niet voor.

8.2.    Voor zover [appellant] en anderen in hun zienswijze aanvoeren dat geen rekening is gehouden met het gebruik van de speel/sportvoorzieningen op het schoolplein buiten schooltijd/na sluiting van de kinderdagopvang door volwassenen, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is. Bij de beoordeling van de akoestische gevolgen van het bestemmingsplan hoeft de raad daarmee redelijkerwijs geen rekening te houden.

8.3.    [appellant] en anderen voeren in hun zienswijze over het herstelbesluit echter terecht aan dat de raad met de bestemming "Maatschappelijk", gelet op artikel 1.39 en artikel 5.1, aanhef en onder a, van de regels van het herstelbesluit, met de zinsnede "zorg gericht op kinderen en andere vergelijkbare voorzieningen gericht op kinderen" in de definitie van "maatschappelijke voorzieningen" in meer voorziet dan alleen een IKC waarbij educatieve voorzieningen en kinderopvang integraal zijn samengebracht. De raad heeft dus voorzien in een ruimere maatschappelijke bestemming dan waar de Afdeling in 14-14.5 van de tussenuitspraak van is uitgegaan. In zoverre heeft de Afdeling in de tussenuitspraak dus, anders dan wat de raad suggereert, nog geen eindoordeel gegeven. De raad heeft toegelicht dat hij met de toevoeging van deze zinsnede in de definitie van "maatschappelijke voorzieningen" heeft willen voorzien in bijvoorbeeld een praktijk voor kinderfysiotherapie. De raad acht, uitgaande van de toetsingssystematiek van de VNG, akoestisch onderzoek ten behoeve van de woningen van [appellant] en anderen nog steeds niet nodig, omdat een praktijk voor kinderfysiotherapie volgens de raad ten opzichte van een basisschool of een kinderdagopvang geen relevante akoestische gevolgen heeft. Dit acht de Afdeling op voorhand niet onaannemelijk. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt mocht stellen. In de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023 nam de raad van de betreffende gemeente een ander standpunt in dan de raad in deze procedure doet.

Het betoog slaagt daarom niet.

8.4.    [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat artikel 5.3.2 van de planregels niet uitvoerbaar en handhaafbaar is. Naar aanleiding van dit betoog heeft de Afdeling onder 14.5 van de tussenuitspraak geoordeeld dat in artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels ten onrechte een onderzoeksplicht voor een bij recht voorziene functie naar een later tijdstip wordt verschoven, te weten, naar het moment dat het college van burgemeester en wethouders moet beslissen of toepassing wordt gegeven aan artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels. In de tussenuitspraak is overwogen dat dit doorschuiven niet in overeenstemming is met het systeem van artikel 3.1 van de Wro.

8.5.    De raad heeft artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels in het herstelbesluit geschrapt. De raad heeft toegelicht dat hij met artikel 5.3.2, onder b, van de planregels aan de bezwaren van [appellant] en anderen tegen de voorziene maatschappelijke bestemming tegemoet wilde komen, maar dat hij een dergelijke waarborg uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk acht. Reden waarom hij heeft afgezien van de opname van een andere waarborg. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad van een dergelijke waarborg niet mocht afzien.

Het betoog slaagt niet.

8.6.    [appellant] en anderen voeren in hun zienswijze aan dat artikel 5.3.2, aanhef en onder a, van de planregels rechtsonzeker is. Hiermee hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden na de tussenuitspraak uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden die zij al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen brengen. Dit is gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde, niet aanvaardbaar. De Afdeling laat wat [appellant] en anderen in dit verband aanvoeren dan ook buiten bespreking.

Verkeer

9.       [appellant] en anderen voeren in hun zienswijze tegen het herstelbesluit aan dat het verkeersonderzoek dat ten grondslag ligt aan het herstelbesluit ondeugdelijk is. Zo is een verkeersgeneratie berekend voor de Hollewand en het Hof van Blom van in totaal 962 verkeersbewegingen per dag, maar onduidelijk is aan de hand van welke kencijfers van de CROW tot dit aantal is gekomen. Ook is onduidelijk hoe dit aantal zich verhoudt tot het aantal verkeersbewegingen in het akoestisch onderzoek (1.995 verkeersbewegingen per dag) en het stedenbouwkundig onderzoek (1.347 verkeersbewegingen per dag). Voorts wordt de verkeersafwikkeling op de dijk niet inzichtelijk gemaakt en zijn de verkeersbewegingen van twee andere ontwikkelingen in de directe omgeving niet bij de beoordeling betrokken. Verder wijzen [appellant] en anderen er in hun zienswijze op dat op pagina 12 van het verkeersrapport staat dat slechts de impact van "nieuwbouw op de oude ijsbaan" is onderzocht, terwijl het bestemmingsplan veel meer beslaat dan alleen de gronden van de oude ijsbaan. Ook is niet ingegaan op de ruimtelijke noodzaak en gevolgen van de Kiss & Ride.

9.1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in het rapport wegverkeerslawaai voldoende inzichtelijk is gemaakt hoeveel verkeersbewegingen het plan genereert, uitgaande van een IKC waarbij educatieve voorzieningen en kinderopvang integraal zijn samengebracht. Onduidelijk was echter hoe de raad tot de conclusie was gekomen dat de extra verkeersbewegingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid en -afwikkeling in en om het plangebied en in hoeverre de raad bepaalde maatregelen, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van de Kiss & Ride-voorziening, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht.

9.2.    In paragraaf 4 van de plantoelichting staat dat naar aanleiding van de tussenuitspraak nieuw parkeeronderzoek is verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Verkeer en parkeren, aanvulling op het Bestemmingsplan Woonzorgzone Hattem", van 16 juni 2025, opgesteld door Bono Traffics, (het aanvullend verkeersrapport) en als bijlage 17 bij de plantoelichting gevoegd. In het rapport wordt voor de bestaande situatie inzichtelijk gemaakt wat het totaal aantal motorvoertuigen op de Hollewand en het Hof van Blom per (gemiddelde werk)dag bedraagt. Vervolgens wordt de (procentuele) toename van het aantal motorvoertuigen als gevolg van de voorziene ontwikkeling op de Hollewand en het Hof van Blom weergeven. De toename op de Hollewand - aan de kant van Lageland - bedraagt volgens het verkeersrapport 329 (een stijging van 11,4%) verkeersbewegingen. Op de Hollewand - ter hoogte van het Hof van Blom - bedraagt de toename 329 (een stijging van 13,3%). De toename op het Hof van Blom bedraagt 304 (een toename van 32,6%). Geconcludeerd wordt dat de toevoeging van het verkeer dat met de voorziene ontwikkeling gepaard gaat, geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeerssituatie en de verkeersafwikkeling op de straten in de directe omgeving van het plangebied.

9.3.    [appellant] en anderen wijzen er terecht op dat in het aanvullend verkeersrapport niet wordt verklaard waarom niet langer wordt uitgegaan van de 1.278 verkeersbewegingen waarvan in het rapport wegverkeerslawaai werd uitgegaan. Hoewel [appellant] en anderen terecht stellen dat dit de begrijpelijkheid van de conclusies uit het aanvullend verkeersrapport niet ten goede komt, maakt die enkele constatering in dit geval niet dat de raad bij de vaststelling van het herstelbesluit het aanvullend verkeersrapport niet aan het herstelbesluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Een bestuursorgaan mag namelijk op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad op afdoende wijze toegelicht waarom hij zich ondanks de door [appellant] en anderen naar voren gebrachte aanknopingspunten mocht baseren op het aanvullende verkeersrapport. De Afdeling zal toelichten waarom zij dat vindt.

9.4.    De raad heeft toegelicht dat alle voorziene ontwikkelingen door de deskundige bij de beoordeling zijn betrokken. Met "Oude IJsbaan" is volgens de raad slechts bedoeld om het ontwikkelgebied te duiden. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan deze stelling van de raad te twijfelen. Over de Geldersedijk heeft de raad toegelicht dat deze weg niet bij de beoordeling is betrokken omdat deze zich voor gemotoriseerd verkeer op grote rijafstand (ongeveer 1 kilometer) van de ontwikkeling bevindt. Dat de Geldersedijk om die reden niet in het aanvullend verkeersrapport is betrokken acht de Afdeling niet onredelijk. De voetgangersoversteek van de Geldersedijk is wel betrokken in de beoordeling, zo heeft de raad toegelicht.

Over de door [appellant] en anderen genoemde ontwikkeling die niet zou zijn betrokken in het verkeersrapport heeft de raad toegelicht dat de ontwikkeling waarin het bestemmingsplan "Hattem - Dorpsweg 23-25" voorziet, leidt tot een afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Over de door [appellant] en anderen genoemde ontwikkeling waarin met het bestemmingsplan "Dorpsweg 22, Hattem" wordt voorzien, heeft de raad toegelicht dat die ontwikkeling leidt tot ongeveer 55 extra verkeerswegingen. Die toename is ondergeschikt en doet volgens de raad niet af aan de conclusies over de verkeerssituatie en verkeersafwikkeling in het verkeersrapport. Deze toelichting kan de Afdeling volgen.

9.5.    Verder begrijpt de Afdeling de raad zo dat zelfs als wordt uitgegaan van 1.278 extra verkeersbewegingen per dag, waarvan in het rapport wegverkeerslawaai wordt uitgegaan, in plaats van het aantal extra verkeersbewegingen dat in het aanvullend verkeersrapport is berekend, dit aantal verkeersbewegingen met of zonder Kiss & Ride op een aanvaardbare wijze kan worden verwerkt en afgewikkeld door de omliggende wegen. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan dit standpunt van de raad te twijfelen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het aanvullend verkeersrapport volgt dat het meeste verkeer wordt afgewikkeld via de Hollewand die volgens het rapport wordt aangemerkt als een erftoegangsweg waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Ook volgt uit het rapport dat de Hollewand zes meter breed is, voorzien is van een asfaltverharding, en dat ter hoogte van de bestemmingen "Wonen - Woongebouw" aan de Hollewand geen directe woningaansluitingen aanwezig zijn. Wat betreft de eventuele maatregelen die volgens het aanvullend verkeersrapport uit een oogpunt van verkeerveiligheid wenselijk zijn, is niet gebleken dat de aan die gronden toegekende bestemmingen aan de uitvoering van dergelijke maatregelen in de weg staan. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het waarborgen van een Kiss & Ride uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

10.     [appellant] en anderen betogen dat nog steeds niet inzichtelijk is of in de nieuw berekende parkeerbehoefte van 308 parkeerplaatsen kan worden voorzien. Zij betwisten een aantal aannames uit het aanvullend verkeersrapport, zoals de aanname dat 57 extra parkeerplaatsen zouden kunnen worden gerealiseerd binnen de verkeersbestemmingen. Verder is volgens hen geen rekening gehouden met het verdwijnen van de 19 tijdelijke parkeerplaatsen die in de bestaande situatie zijn gerealiseerd om bestaande parkeerproblemen op te lossen. Het aanvullend verkeersrapport houdt volgens hen bovendien ten onrechte rekening met 51 buitendijkse parkeerplaatsen voor het personeel van het IKC en het woonzorgcentrum. Bij hoogwater komen deze parkeerplaatsen volgens hen onder water te staan. Zij vrezen dan ook een afwenteling op de (omliggende) wijk. Verder betwisten zij, onder verwijzing naar het vaststellingsbesluit van 13 december 2021, dat een ondergrondse parkeergarage zal worden aangelegd.

10.1.  Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen aan de orde zal komen, moet de raad bij de vaststelling van het plan al wel bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:248, onder 9.2 en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5438, onder 14.2. Artikel 15.1, onder b, van de planregels is, in verband met het geconstateerde gebrek onder 16.4 van de tussenuitspraak, met het herstelbesluit gewijzigd vastgesteld. [appellant] en anderen hebben zich in hun zienswijze niet meer gericht tegen de wijze waarop de raad tegemoet is gekomen aan hun daarop betrekking hebbende bezwaren. Hieruit leidt de Afdeling af dat zij zich in zoverre kunnen verenigen met het herstelbesluit. De Afdeling begrijpt het resterende betoog van [appellant] en anderen zo dat, gelet op het gewijzigde artikel 15.1, onder b, van de planregels, het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, omdat niet duidelijk is waar de benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied kunnen worden gerealiseerd.

10.2.  In het aanvullend verkeersrapport is toegelicht dat het gewijzigde bestemmingsplan een parkeerbehoefte genereert van 308 parkeerplaatsen. [appellant] en anderen hebben dit aantal niet bestreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad alsnog op afdoende wijze inzichtelijk gemaakt waar in en om het plangebied in de berekende parkeerbehoefte kan worden voorzien. De Afdeling licht hierna toe hoe zij tot dat oordeel komt.

10.3.  Voor zover [appellant] en anderen betwisten dat de 57 extra parkeerplaatsen daadwerkelijk binnen de geldende verkeersbestemmingen kunnen worden gerealiseerd, heeft de raad gewezen op een situatietekening in het rapport waarop de benodigde 57 extra parkeerplaatsen volgens de raad staan ingetekend op gronden met een verkeersbestemming. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze situatietekening geen juiste situatie weergeeft.

10.4.  De parkeerbehoefte die het personeel van het IKC en het woonzorgcentrum genereert, kan volgens het aanvullend verkeersrapport buitendijks worden opgevangen. De raad heeft toegelicht dat daarmee in het aanvullend verkeersrapport wordt gedoeld op een bestaand parkeerterrein aan de overkant van de Geldersedijk. Op dit terrein is volgens de raad genoeg ruimte om te parkeren. [appellant] en anderen hebben dit niet bestreden. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad naast de borging in artikel 15.1 van de planregels, ook had moeten regelen waar de benodigde parkeerplaatsen voor het personeel van het IKC en het woonzorgcentrum exact moeten worden aangelegd. Hun stelling dat deze bestaande parkeerplaatsen eventueel kunnen onderlopen met water hebben [appellant] en anderen niet onderbouwd.

10.5.  Voor zover [appellant] en anderen, onder verwijzing naar het vaststellingsbesluit van de raad van 13 december 2021, in hun zienswijze aanvoeren dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat ten behoeve van een deel van de voorziene woningen ondergronds geparkeerd gaat worden, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, op de gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw", gelet op artikel 7.1, aanhef en onder b, van de planregels is voorzien in ondergronds parkeren. Overigens heeft de raad toegelicht dat het standpunt van de raad ten tijde van het vaststellingsbesluit van 13 december 2021, wat betreft het aspect parkeren, inmiddels achterhaald is. Ook in zoverre ziet de Afdeling dus geen aanleiding voor het oordeel dat in het aanvullend verkeersrapport is uitgegaan van een parkeersituatie die niet uitvoerbaar is.

10.6.  Over de 19 parkeerplaatsen die volgens [appellant] en anderen verdwijnen, heeft de raad toegelicht dat deze parkeerplaatsen slechts als tijdelijke voorziening waren aangelegd, vooruitlopend op de aanleg van de definitieve situatie op het ijsbaanterrein om parkeerproblemen in de bestaande situatie op te lossen. Zodra het ijsbaanterrein gereed is voor bouwwerkzaamheden voor de Woonzorgzone Geldersedijk, worden deze parkeerplaatsen volgens de raad op de definitieve locatie aangelegd. [appellant] en anderen hebben hier niets tegenin gebracht, zodat de Afdeling geen aanleiding heeft voor het oordeel dat de raad het toekomstig vervallen van de 19 tijdelijke parkeerplaatsen op onjuiste wijze bij de beoordeling heeft betrokken.

10.7.  Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling op voorhand geen reden om te oordelen dat het bestemmingsplan vanwege de parkeerbehoefte niet uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie m.e.r.-beoordeling

11.     In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de conclusie in de plan-m.e.r.-beoordeling niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Daardoor kon de Afdeling in de tussenuitspraak nog niet vaststellen of de raad zich terecht op het standpunt had gesteld dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft en daarmee of de raad zich terecht heeft beroepen op de uitzondering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit m.e.r. Zoals uit hetgeen hiervoor in deze uitspraak is overwogen volgt, biedt wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Gelet hierop en wat reeds in 8.4 van de tussenuitspraak is overwogen, bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet mocht beroepen op de uitzondering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit m.e.r.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie herstelbesluit

12.     Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] en anderen tegen het herstelbesluit is ongegrond.

Proceskosten

13.     De raad moet de proceskosten van [appellant] en anderen vergoeden.

Overschrijding redelijke termijn

14.     Stichting De Luwte heeft een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

14.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. De redelijke behandelingsduur in een zaak over een bestemmingsplan, dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, is niet overschreden als na de instelling van het beroep een tussenuitspraak is gedaan binnen een termijn van twee jaar en de einduitspraak is gedaan binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld.

14.2.  De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant] en anderen ontvangen op 31 januari 2022. De Afdeling heeft de redelijke termijn in deze procedure dus afgerond met twee jaar en zes maanden overschreden. Van deze overschrijding wordt vanwege de tussenuitspraak een periode van zestien maanden toegerekend aan de raad.

14.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding voor stichting De Luwte vastgesteld op € 2.500,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Hattem van 13 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hattem van 13 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem";

III.      verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Hattem van 9 juli 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" ongegrond;

IV.     wijst het verzoek van Stichting De Luwte om schadevergoeding toe;

V.      veroordeelt de raad van de gemeente Hattem tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00 met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.     gelast dat de raad van de gemeente Hattem aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Stichting De Luwte een schadevergoeding van € 1.166,67 te betalen;

VIII.    veroordeelt de raad van de gemeente Hattem om aan Stichting De Luwte een schadevergoeding van € 1.333,33 te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Knol
voorzitter

w.g. Stoof
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

749

Persaankondiging

Bestemmingsplan voor woonzorgcomplex en integraal kindcentrum in Hattem

Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Woonzorgzone Hattem’ dat de gemeenteraad van Hattem heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt drie appartementengebouwen, een woonzorgcomplex en een integraal kindcentrum mogelijk tussen de Geldersedijk en de Hollewand in Hattem, ten noordwesten van het historische stadscentrum. Enkele omwonenden zijn tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vrezen meer geluids- en parkeeroverlast. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in maart 2025 al een zogenoemde tussenuitspraak in deze zaak gedaan. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak had de gemeenteraad de ruimtelijke gevolgen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de maatschappelijke bestemming in het plan onvoldoende onderzocht. De gemeenteraad had onder meer niet aannemelijk gemaakt dat de invulling van de voorziene maatschappelijke bestemming met een Integraal Kindcentrum ‘een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden’ was. Ook had de gemeenteraad niet inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeerafwikkeling in en om het gebied kon worden verwezenlijkt. De Afdeling bestuursrechtspraak droeg de gemeenteraad op om het bestemmingsplan op diverse tekortkomingen binnen twintig weken te herstellen. In juli 2025 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan hierop aangepast. De omwonenden zijn het ook niet eens met dit zogenoemde herstelbesluit van de gemeenteraad. Volgens hen maakt het bestemmingsplan, ondanks de aangepaste definitie van ‘maatschappelijke voorzieningen’, nog steeds meer mogelijk dan alleen een Integraal Kindcentrum. In de uitspraak van 8 juli 2026 beoordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak of de gemeenteraad met het herstelbesluit aan de opdracht van de tussenuitspraak heeft voldaan of niet.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon