Uitspraak BRS.25.001682, BRS.25.001683 en BRS.26.000413
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3878
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van EA om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister een aanvraag van BSA om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. EA en BSA zijn allebei door Griekenland erkend als vluchteling. Na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus zijn zij naar Nederland gereisd waar zij opnieuw een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Nederland heeft geen gebruik gemaakt van de in artikel 33, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, geboden mogelijkheid om de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren. Deze zijn dus inhoudelijk in behandeling genomen. De reden hiervoor is dat voor zowel EA als voor BSA wordt aangenomen dat de voorzienbare levensomstandigheden in Griekenland hen zouden blootstellen aan een ernstig risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het EU Handvest.
- Verwijzingsuitspraak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001682, BRS.25.001683 en BRS.26.000413
ECLI:NL:RVS:2026:3878
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Verwijzingsuitspraak in het kader van de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie, en
2. [EA]
appellanten,
tegen de hieronder genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, in de gedingen tussen:
Naam vreemdelingen Datum uitspraak Zaaknummers
[EA] 17 oktober 2025 NL25.29063
[BSA] 14 januari 2026 NL25.43197
en
de minister.
Procesverloop
In de zaak met nrs. BRS.25.001682 (hoger beroep minister in de zaak van EA) en BRS.25.001683 (hoger beroep EA)
Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van EA om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door EA ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover tegen EA een terugkeerbesluit en inreisverbod is uitgevaardigd en het besluit voor het overige in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en EA hoger beroep ingesteld.
EA heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en EA hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft deze zaken op een zitting behandeld op 8 januari 2026, waar EA, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, zijn verschenen.
In de zaak met nr. BRS.26.000413 (hoger beroep minister in de zaak van BSA)
Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister een aanvraag van BSA om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten.
Bij uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door BSA ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover tegen BSA een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en het besluit voor het overige in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
BSA, vertegenwoordigd door mr. B.H. Werink, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en BSA hebben een nader stuk ingediend.
In beide zaken
De Afdeling heeft de partijen in de zaak met nrs. BRS.25.001682 en BRS.25.001683 meegedeeld dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is heropend. Daarbij is meegedeeld dat de Afdeling voornemens is het Hof van Justitie te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in deze zaak voor te leggen vragen. Aan alle partijen is verder meegedeeld dat de Afdeling aanleiding ziet de zaak met nr. BRS.26.000413 bij deze prejudiciële procedure te betrekken, omdat die over een samenhangende rechtsvraag gaat. Naar het oordeel van de Afdeling geven deze twee zaken een volledig beeld van de situatie waarover de Afdeling prejudiciële vragen stelt. Aan alle partijen zijn de vragen in concept voorgelegd.
EA en BSA hebben op deze conceptvragen gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. EA en BSA zijn allebei door Griekenland erkend als vluchteling. Na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus zijn zij naar Nederland gereisd waar zij opnieuw een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Nederland heeft geen gebruik gemaakt van de in artikel 33, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, geboden mogelijkheid om de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren. Deze zijn dus inhoudelijk in behandeling genomen. De reden hiervoor is dat voor zowel EA als voor BSA wordt aangenomen dat de voorzienbare levensomstandigheden in Griekenland hen zouden blootstellen aan een ernstig risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het EU Handvest.
Het Hof is in het arrest van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, ingegaan op een vergelijkbare situatie. Het Hof heeft in dat arrest uiteengezet dat de lidstaat waarin een opvolgend verzoek wordt behandeld (de onderzoekende lidstaat) niet gebonden is aan de door de eerste lidstaat (de statusverlenende lidstaat) toegekende vluchtelingenstatus. De onderzoekende lidstaat moet in dat geval het verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzoeken. In het kader van dat onderzoek moet de onderzoekende lidstaat wel ten volle rekening houden met de beslissing van de statusverlenende lidstaat om de aanvrager internationale bescherming te verlenen en met de elementen die deze beslissing ondersteunen.
1.1. Deze verwijzingsuitspraak gaat over de manier waarop het arrest QY ten uitvoer moet worden gelegd. Allereerst wil de Afdeling weten hoe de term "ten volle rekening houden" uit punt 76 van dit arrest moet worden uitgelegd. Daarnaast gaat deze verwijzingsuitspraak over de vraag of de onderzoekende lidstaat de statusverlenende lidstaat in alle gevallen moet verzoeken of hij de door hem toegekende vluchtelingenstatus wil intrekken, als de onderzoekende lidstaat heeft vastgesteld dat de verzoeker niet of niet langer is te kwalificeren als vluchteling, en zo ja, welke termijn de statusverlenende lidstaat dan krijgt om te reageren en wat de gevolgen zijn als die termijn niet wordt nageleefd en de statusverlenende lidstaat niet reageert. Ook gaat deze verwijzingsuitspraak in op de vraag of het Unierecht zich ertegen verzet dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd tegen een derdelander die door een andere lidstaat is erkend als vluchteling en die nog steeds in het bezit is van de door die lidstaat toegekende vluchtelingenstatus.
1.2. Hierna zal de Afdeling eerst kort de feiten en het verloop van de procedures uiteenzetten. Daarna volgt een beschrijving van de geschillen in hoger beroep. Vervolgens volgt een overzicht van de toepasselijke wet- en regelgeving. Tot slot volgen de redenen om tot prejudiciële verwijzing over te gaan. De Afdeling zal hierbij voor zover nodig ook ingaan op de prejudiciële verwijzingsuitspraak van 19 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2026:3626, van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem. Deze zaak is nu aanhangig bij het Hof (zaak C-125/26; Dremen) en de vragen die in deze prejudiciële verwijzingsuitspraak worden gesteld, komen voor een deel overeen met de door de zittingsplaats Haarlem gestelde vragen. De Afdeling verzoekt het Hof daarom deze zaak gevoegd te behandelen met die zaak.
1.3. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.
De feiten en het verloop van de procedures
Zaken nrs. BRS.25.001682 en BRS.25.001683
2. EA heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 3 november 2022 is hij door de Griekse autoriteiten erkend als vluchteling. Die autoriteiten hebben aan hem de vluchtelingenstatus toegekend. Hierna is EA naar Nederland gereisd, waar hij op 4 maart 2023 opnieuw om internationale bescherming heeft verzocht. De minister heeft de Griekse autoriteiten ingelicht over deze asielaanvraag en meegedeeld dat deze door Nederland inhoudelijk in behandeling is genomen. Na ontvangst en bestudering van het Griekse asieldossier heeft de minister de aanvraag van EA afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister van belang geacht dat EA in Nederland wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen in Afghanistan en dat zijn asielrelaas inhoudelijk tegenstrijdig is. Daarbij komt dat uit raadpleging van het Griekse asieldossier is gebleken dat EA in Griekenland op belangrijke punten anders heeft verklaard dan in Nederland; bijvoorbeeld over zijn leeftijd en de gebeurtenissen in Afghanistan. Daarom acht de minister de door EA gestelde gebeurtenissen in Afghanistan ongeloofwaardig. De minister heeft ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod tegen EA uitgevaardigd.
2.1. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, heeft overwogen dat, nu de minister de asielaanvraag van EA niet op grond van artikel 33, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn niet-ontvankelijk heeft verklaard, uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865, volgt dat de minister contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten om informatie uit te wisselen over het verzoek van EA om internationale bescherming. De minister heeft dit volgens de rechtbank ook op de juiste wijze gedaan. Hij heeft het Griekse asieldossier op basis waarvan de Griekse autoriteiten de vluchtelingenstatus aan EA hebben toegekend ontvangen en bestudeerd. Vervolgens heeft hij het asielverzoek van EA opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken beoordeeld aan de hand van de in de Procedurerichtlijn en de Kwalificatierichtlijn neergelegde criteria. Voor zover EA over de geconstateerde tegenstrijdigheden betoogt dat de minister de audio-opnames van de in Griekenland afgenomen gehoren had moeten opvragen om te controleren of de Griekse autoriteiten zijn relaas wel goed hadden overgenomen in de schriftelijke verslaglegging, heeft de rechtbank geoordeeld dat de samenwerkingsverplichting naar haar oordeel niet zo ver gaat dat de minister deze schriftelijke verslaggeving op juistheid moet controleren. Volgens de rechtbank had EA eventuele onjuistheden in zijn Griekse dossier in Griekenland naar voren moeten brengen en dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank volgt niet het betoog van EA dat de minister hem daarover nader had moeten horen. De minister heeft EA naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen tegenwerpen dat hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 ook volgt dat de minister de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet kan intrekken of beëindigen en dat deze mogelijkheid alleen openstaat voor de Griekse autoriteiten. Nu niet is gebleken dat de Griekse autoriteiten de vluchtelingenstatus hebben ingetrokken, kon tegen EA geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd, aldus de rechtbank.
2.2. EA en de minister zijn allebei tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
EA betoogt in zijn hogerberoepschrift dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het enkele feit dat de minister over het Griekse asieldossier beschikt, onvoldoende is om te concluderen dat de minister "ten volle rekening heeft gehouden" met dat dossier. Volgens EA volgt uit het arrest QY dat de minister rekening moet houden met het Griekse besluit om aan hem de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen die deze beslissing dragen. Dit betekent volgens EA dat de minister moet uitgaan van de door Griekenland geloofwaardig geachte relevante elementen en dat hij daarbij aan zaken, zoals verklaringen en documenten opgenomen in het Griekse dossier, geen eigen betekenis mag toekennen. Volgens EA verzet het interstatelijk vertrouwensbeginsel zich ertegen dat de minister het Griekse asieldossier op juistheid controleert. De minister heeft hem bij de besluitvorming dan ook ten onrechte tegengeworpen dat zijn asielrelaas in Griekenland op relevante punten verschilt met het in Nederland naar voren gebrachte relaas. Het is volgens EA niet de bedoeling dat de minister alle verklaringen die in Griekenland zijn afgelegd, vergelijkt met de in Nederland afgelegde verklaringen.
De minister betoogt in zijn hogerberoepschrift dat hij een geactualiseerde beoordeling heeft gemaakt van het verzoek van EA om internationale bescherming. Volgens de minister kan EA niet (meer) als vluchteling worden beschouwd. Ook komt hij niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming. Hoewel de minister onderkent dat EA in Griekenland nog over de vluchtelingenstatus beschikt, kan hij hem niet op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn aanzeggen terug te keren naar Griekenland, omdat EA daar in een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige situatie terecht dreigt te komen. In dat geval moet volgens de minister worden teruggevallen op artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn: nu uit de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming naar voren is gekomen dat er bij terugkeer naar Afghanistan geen gegronde vrees is voor vervolging en EA dus geen vluchteling (meer) is - en hij ook niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming - moet een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. Volgens de minister is het voor de uitvoeringspraktijk onwerkbaar om bovenop het contact met de Griekse autoriteiten om het dossier op te vragen, dat te laten vertalen en een eigen asielbeoordeling te maken, óók nog eens contact op te nemen met die autoriteiten over het resultaat van de eigen beoordeling. Volgens de minister reageren de Griekse autoriteiten niet op zo’n mededeling. Hij wijst erop dat hij in dit geval de Griekse autoriteiten wel heeft ingelicht over zijn beslissing dat EA niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming, maar dat van die autoriteiten nog altijd geen reactie is gekomen. De minister weet dus ook niet of de Griekse autoriteiten bereid zijn om de aan EA verleende status in te trekken.
Zaak nr. BRS.26.000413
3. BSA is op 23 september 2022 in Griekenland erkend als vluchteling en heeft daar de vluchtelingenstatus gekregen. Hierna is hij naar Nederland gereisd waar hij opnieuw om internationale bescherming heeft verzocht. In Nederland heeft hij verklaard dat hij uit Somalië komt en dat hij de Somalische nationaliteit heeft. De minister heeft bij de Griekse autoriteiten hun asieldossier over BSA opgevraagd, dit bestudeerd en bij de beoordeling van het asielverzoek betrokken. Uit dat Griekse dossier blijkt dat BSA in Griekenland heeft verklaard dat hij uit Eritrea komt en dat hij de Eritrese nationaliteit heeft. Vervolgens heeft de minister BSA aan een taalanalyse onderworpen en hieruit blijkt dat BSA is te herleiden tot Ethiopië. De minister heeft de asielaanvraag van BSA vervolgens afgewezen, omdat er onduidelijkheid bestaat over zijn nationaliteit en herkomst. Ook is tegen hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin staat dat BSA moet terugkeren naar Ethiopië.
3.1. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde nationaliteit en herkomst van BSA niet geloofwaardig zijn. Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat de minister BSA heeft opgedragen onmiddellijk terug te keren naar Ethiopië, maar dat nog onduidelijkheid bestaat over de door Griekenland toegekende status. De minister heeft namelijk geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om informatie uit te wisselen over de door hem gemaakte beoordeling dat BSA niet kan worden aangemerkt als vluchteling. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2936, heeft de minister tegen BSA dus geen terugkeerbesluit kunnen uitvaardigen, aldus de rechtbank.
3.2. De minister is in hoger beroep gekomen tegen deze uitspraak. Onder verwijzing naar zijn hogerberoepschrift in zaak nr. BRS.26.001682 voert hij opnieuw aan dat het voor de uitvoeringspraktijk onwerkbaar is om de Griekse autoriteiten in te lichten over de uitkomst van de eigen beoordeling, omdat de Griekse autoriteiten daar niet op reageren.
Het wettelijk kader zoals dat gold vóór 12 juni 2026
Het recht van de Europese Unie
Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
Artikel 4
[…]
3. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.
[…]
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest)
Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013)
Artikel 34 (Informatie-uitwisseling)
1. Elke lidstaat verstrekt aan alle lidstaten die daarom vragen toereikende, ter zake dienende en niet buitensporige persoonsgegevens betreffende de verzoeker teneinde:
[…]
b) het verzoek om internationale bescherming te behandelen
[…]
2. De in lid 1 bedoelde informatie mag alleen betrekking hebben op:
a) de gegevens ter identificatie van de verzoeker […]
[…]
e) de door een lidstaat afgegeven verblijfstitels of visa;
[…]
g) de datum waarop een eventueel vroeger verzoek om internationale bescherming is ingediend, de datum waarop het huidige verzoek is ingediend, de stand van de procedure en de strekking van de eventueel genomen beslissing.
3. Bovendien kan de verantwoordelijke lidstaat, voor zover dat nodig is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, een andere lidstaat verzoeken hem de door de verzoeker opgegeven redenen ter staving van zijn verzoek en, in voorkomend geval, de redenen van de jegens betrokkene genomen beslissing mee te delen. […]
[…]
5. De aangezochte lidstaat moet binnen vijf weken antwoorden. Eventuele overschrijdingen van die termijn worden gemotiveerd. De niet-naleving van de termijn van vijf weken ontslaat de aangezochte lidstaat niet van zijn antwoordplicht. […]
[…]
Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG)
Artikel 6 (Terugkeerbesluit)
1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
2. De onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de betrokkene vereist is, is lid 1 van toepassing.
[…]
4. De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.
[…]
6. Deze richtlijn belet niet dat in de lidstaten het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit en/of een inreisverbod overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratieve of rechterlijke besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht.
Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU)
Overweging 21
De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht.
Artikel 2 (Definities)
In deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
d) "vluchteling": een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, […], en op wie artikel 12 niet van toepassing is;
e) "vluchtelingenstatus": de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;
[..]
h) "verzoek om internationale bescherming": een verzoek van een onderdaan van en derde land of een staatloze om bescherming van de lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht;
i) "verzoeker": een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
[…]
Artikel 3 (Gunstiger normen)
De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.
Artikel 4 (Beoordeling van feiten en omstandigheden)
1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
[…]
Artikel 11 (Beëindiging)
1. Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer hij:
[…]
e) omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend hebben opgehouden te bestaan, niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit;
[…]
Artikel 13 (Verlening van de vluchtelingenstatus)
De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.
Artikel 14 (Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus)
1. Met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.
2. Onverminderd de plicht van een vluchteling uit hoofde van artikel 4, lid 1, om melding te maken van alle relevante feiten en alle relevante documenten waarover hij beschikt, over te leggen, toont de lidstaat die de vluchtelingenstatus heeft verleend per geval aan dat de betrokken persoon geen vluchteling meer is of dat nooit geweest is, overeenkomstig lid 1.
3. De lidstaten trekken de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in, beëindigen deze of weigeren deze te verlengen indien, nadat hem de vluchtelingenstatus is verleend, door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld dat:
a) hij op grond van artikel 12 van de vluchtelingenstatus uitgesloten is of had moeten zijn;
b) hij feiten verkeerd heeft weergegeven en heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus.
[…]
Artikel 21 (Bescherming tegen refoulement)
1. De lidstaten eerbiedigen het beginsel van non-refoulement met inachtneming van hun internationale verplichtingen.
2. Wanneer dit op grond van de in lid 1 genoemde internationale verplichtingen niet verboden is, mogen de lidstaten een al dan niet formeel erkende vluchteling uitzetten of terugleiden wanneer:
a) er goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt; of
b) hij gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.
3. De lidstaten mogen de verblijfstitel van een vluchteling op wie lid 2 van toepassing is, intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen of te verstrekken.
Artikel 36 (Samenwerking)
[…]
De lidstaten nemen in overleg met de Commissie alle passende maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde instanties tot stand te brengen.
Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU)
Artikel 1 (Doel)
Deze richtlijn beoogt de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming uit hoofde van Richtlijn 2011/95/EU.
Artikel 10 (Vereisten voor de behandeling van verzoeken)
[…]
2. Bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming gaat de beslissingsautoriteit eerst na of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen.
3. De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:
a) het onderzoek naar en de beslissing over verzoeken individueel, objectief en onpartijdig wordt verricht, respectievelijk genomen;
b) er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken;
c) het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de nodige kennis heeft over de normen die van toepassing zijn op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht;
d) het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze, kind- of gendergerelateerde kwesties.
4. De in hoofdstuk V bedoelde instanties hebben via de beslissingsautoriteit of de verzoeker dan wel anderszins toegang tot de in lid 3, onder b), bedoelde algemene informatie die zij nodig hebben om hun taak uit te oefenen.
6. De lidstaten stellen voorschriften vast voor de vertaling van stukken die relevant zijn voor de behandeling van verzoeken.
Artikel 11 (Vereisten voor een beslissing van de beslissingsautoriteit)
1. De lidstaten zorgen ervoor dat beslissingen over verzoeken om internationale bescherming schriftelijk worden bekendgemaakt.
2. De lidstaten zorgen er tevens voor dat beslissingen waarbij verzoeken worden afgewezen wat de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus betreft, in feite en in rechte worden gemotiveerd en dat schriftelijke informatie wordt verstrekt over de wijze waarop een negatieve beslissing kan worden aangevochten.
De lidstaten hoeven geen schriftelijke informatie te verstrekken over de wijze waarop tegen een negatieve beslissing schriftelijk beroep kan worden aangetekend in samenhang met die beslissing, indien zulke informatie in een vroeger stadium aan de verzoeker is verstrekt, ofwel schriftelijk ofwel door voor hem toegankelijke elektronische middelen.
[…]
Artikel 31 (Behandelingsprocedure)
1. De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.
[…]
8. De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien:
[…]
e) de verzoeker kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn bewering alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet op grond van Richtlijn 2011/95/EU in aanmerking komt; of
[…]
Artikel 32 (Ongegronde verzoeken)
1. Onverminderd artikel 27 kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU.
2. In gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, lid 8, vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.
Artikel 33 (Niet-ontvankelijke verzoeken)
1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.
2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:
a) een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;
[…]
Artikel 44 (Intrekking van de internationale bescherming)
De lidstaten zorgen ervoor dat een onderzoek om de internationale bescherming van een bepaalde persoon in te trekken, kan beginnen wanneer er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn waaruit blijkt dat er redenen zijn om de geldigheid van de internationale bescherming opnieuw te onderzoeken.
Artikel 45 (Procedureregels)
1. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de bevoegde autoriteit overweegt de internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of staatloze in te trekken overeenkomstig artikel 14 of artikel 19 van Richtlijn 2011/95/EU, de betrokkene de volgende waarborgen geniet:
a) hij wordt er schriftelijk van in kennis gesteld dat de bevoegde autoriteit heroverweegt of hij in aanmerking komt om internationale bescherming te genieten, en van de redenen voor die heroverweging, en
b) hem wordt de kans geboden om, tijdens een persoonlijk onderhoud overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder b), en de artikelen 14 tot en met 17, of in een schriftelijke verklaring, de redenen voor te leggen waarom de internationale bescherming niet mag worden ingetrokken.
[…]
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de beslissing van de bevoegde autoriteit om de internationale bescherming in te trekken, schriftelijk wordt meegedeeld. De redenen in feite en in rechte worden in de beslissing genoemd en informatie over de manier waarop de beslissing kan worden aangevochten wordt schriftelijk verstrekt.
4. Zodra de bevoegde autoriteit de beslissing heeft genomen om de internationale bescherming in te trekken, zijn artikel 20, artikel 22, artikel 23, lid 1, en artikel 29 eveneens van toepassing.
5. Bij wijze van afwijking van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel kunnen de lidstaten beslissen dat de internationale bescherming van rechtswege vervalt indien de persoon die internationale bescherming geniet ondubbelzinnig afziet van zijn erkenning als persoon die internationale bescherming geniet. Een lidstaat mag ook bepalen dat de internationale bescherming van rechtswege vervalt indien de persoon die internationale bescherming geniet, een onderdaan van die lidstaat is geworden.
Nationaal recht
Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
Artikel 30a
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:
a) de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet;
[…]
Artikel 30b
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:
[…]
e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
[…]
Artikel 31
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
2. De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.
3. De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling.
[…]
Artikel 45
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
a) de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;
b) de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
[…]
8. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.
[…]
Artikel 62
1. Nadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.
2. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:
a) een risico bestaat dat een vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;
b) de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of
c) de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
[…]
Artikel 62a
1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:
[…]
b. de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of
[…]
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.
3. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Artikel 63
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, kan worden uitgezet.
2. Onze Minister is bevoegd tot uitzetting.
[…]
Aanleiding voor de prejudiciële vragen
4. Het Hof heeft in het arrest QY in de punten 56 tot en met 80 uitgelegd wat een lidstaat moet doen als bij hem een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend door een persoon die door een andere lidstaat is erkend als vluchteling. Meer specifiek gaat dit arrest over de situatie waarin de onderzoekende lidstaat geen gebruik kan maken van de in artikel 33, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verzoeker bij terugkeer naar de statusverlenende lidstaat in een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige situatie terecht kan komen. Het Hof heeft geoordeeld dat de onderzoekende lidstaat het verzoek om internationale bescherming in dat geval inhoudelijk moet beoordelen en dat het Unierecht geen verplichting bevat voor die lidstaat om bij de beoordeling van dat verzoek de door de statusverlenende lidstaat toegekende vluchtelingenstatus automatisch te erkennen en over te nemen. De onderzoekende lidstaat mag het onderzoek of internationale bescherming moet worden verleend dus opnieuw verrichten. Daarbij moet hij wel rekening houden met de in de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn neergelegde vereisten. Verder moet de onderzoekende lidstaat, mede gelet op het beginsel van loyale samenwerking, bedoeld in artikel 4, derde lid, eerste volzin, van het VEU, bij zijn beoordeling ten volle rekening houden met de beslissing van de statusverlenende lidstaat om de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd. Dat betekent dat de onderzoekende lidstaat bij een nieuw verzoek om internationale bescherming van een persoon die eerder door een andere lidstaat is erkend als vluchteling, zo spoedig mogelijk begint met het uitwisselen van informatie met die laatste lidstaat. De onderzoekende lidstaat moet de statusverlenende lidstaat dus in kennis stellen van het bij hem ingediende nieuwe verzoek. Ook moet hij zijn standpunt over het nieuwe verzoek aan die lidstaat meedelen en deze verzoeken om hem binnen een redelijke termijn de informatie te geven waarover die lidstaat beschikt en die voor hem aanleiding was aan verzoeker de vluchtelingenstatus toe te kennen.
4.1. In de voorliggende geschillen is wederom sprake van personen die om internationale bescherming verzoeken, terwijl zij eerder door Griekenland zijn erkend als vluchteling en die nog steeds over de door die lidstaat toegekende vluchtelingenstatus beschikken. De Afdeling moet voor de beslechting van deze geschillen beoordelen of de minister op de juiste wijze rekening heeft gehouden met de door Griekenland overgelegde informatie uit de door die lidstaat opgebouwde asieldossiers. Verder moet de Afdeling zich uitlaten over de vraag of de minister de Griekse autoriteiten in alle gevallen moet verzoeken de door die lidstaat toegekende vluchtelingenstatus in te trekken als hij bij de eigen beoordeling heeft vastgesteld dat de verzoekers om internationale bescherming niet kunnen worden gekwalificeerd als vluchteling, omdat zij niet voldoen aan de in de hoofdstukken II en III van de Kwalificatierichtlijn neergelegde criteria, en zo ja, welke termijn de minister de Griekse autoriteiten dan moet geven voor een reactie en of het uitblijven van een reactie gevolgen heeft. Tot slot rijst de vraag of de minister een terugkeerbesluit kan uitvaardigen als een persoon door Griekenland is erkend als vluchteling en de vluchtelingenstatus (nog) niet is ingetrokken door de Griekse autoriteiten. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de hierna volgende prejudiciële vragen te stellen.
De betekenis van de term "ten volle rekening houden"
5. In punt 76 van het arrest QY heeft het Hof overwogen dat de onderzoekende lidstaat waar een verzoek om internationale bescherming is ingediend, weliswaar niet verplicht is de door een statusverlenende lidstaat toegekende vluchtelingenstatus te erkennen en over te nemen, maar dat die lidstaat wel ten volle rekening moet houden met de door de statusverlenende lidstaat genomen beslissing en de elementen die deze beslissing ondersteunen.
5.1. De minister heeft in zowel de zaken van EA als BSA contact opgenomen met de Griekse autoriteiten die aan hen de vluchtelingenstatus hebben toegekend. Die autoriteiten hebben vervolgens de besluiten, waarin zij aan EA en BSA de vluchtelingenstatus hebben toegekend, samen met de asieldossiers, aan de minister gezonden. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met het opvragen, vertalen, bestuderen en betrekken van die dossiers bij de beoordeling van de asielaanvragen, "ten volle rekening heeft gehouden" met de Griekse asielbeslissingen en met de stukken die deze besluiten ondersteunen. Volgens de minister past daarbij ook dat hij controleert of de in Griekenland en de in Nederland afgelegde verklaringen met elkaar overeenkomen. EA heeft in zijn hogerberoepschrift evenwel betoogd dat het niet de bedoeling is dat afgelegde verklaringen in de Griekse en de Nederlandse asielprocedure met elkaar worden vergeleken en dat de minister bij de eigen beoordeling moet uitgaan van de door Griekenland toegekende status, en met de elementen die deze beslissing ondersteunen.
5.2. De Afdeling wijst erop dat het Hof in punt 76 van het arrest QY niet heeft uitgelegd wat "ten volle rekening houden" betekent voor de hernieuwde beoordeling in de onderzoekende lidstaat waar om internationale bescherming is verzocht. De verschillende taalversies van het arrest QY scheppen hierover ook geen duidelijkheid. Zo staat in de Engelse versie "take full account of", in de Duitse versie "in vollem Umfang berücksichtigen" en in de Franse versie "tenir pleinement compte".
Hoewel in de punten 77 tot en met 79 van het arrest staat dat het doel van de informatie-uitwisseling tussen lidstaten is dat de onderzoekende lidstaat in staat wordt gesteld de verificaties die in het kader van de internationale beschermingsprocedure van hem worden verlangd, met volledige kennis van zaken uit te voeren, zou de term "ten volle rekening houden" - net zoals de Engelse, Duitse en Franse versie van die term - ook kunnen suggereren dat de onderzoekende lidstaat in beginsel ervan moet uitgaan dat de door de statusverlenende lidstaat toegekende status de verzoeker recht geeft op bescherming. Dit tenzij uit de raadpleging van het dossier van de statusverlenende lidstaat of uit het eigen onderzoek van de onderzoekende lidstaat aanknopingspunten naar voren komen die reden geven om van dat uitgangspunt af te wijken.
5.3. De vraag is hoe de beginselen van loyale samenwerking en interstatelijk vertrouwen zich in de voorliggende geschillen tot elkaar verhouden. Het beginsel van loyale samenwerking, zoals neergelegd in artikel 4, derde lid, eerste volzin van het VEU, dat is uitgewerkt in de artikelen 36 van de Kwalificatierichtlijn en 49 van de Procedurerichtlijn, moet naar het oordeel van de Afdeling zo worden opgevat dat de onderzoekende lidstaat zich ervan vergewist dat hij over alle stukken beschikt die hij nodig heeft om het verzoek om internationale bescherming opnieuw, volledig en naar de actuele stand van zaken te kunnen beoordelen.
5.4. Het Hof heeft eerder geoordeeld dat in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel moet worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het EU Handvest, die van het vluchtelingenverdrag en het EVRM (zie het arrest van het Hof van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:82, punt 82 en de daar aangehaalde rechtspraak), en dat het verbod op direct of indirect refoulement, zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 9 van de Procedurerichtlijn in al die staten wordt nageleefd (zie het arrest van het Hof van 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a., ECLI:EU:C:2023:934, punt 132). Dat betekent volgens de Afdeling dan ook dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan moet worden uitgegaan dat Griekenland de verzoeker in het verleden, gelet op de destijds van toepassing zijnde feiten en omstandigheden, op goede gronden de vluchtelingenstatus heeft toegekend. Maar naar het voorlopig oordeel van de Afdeling betekent dit niet dat de onderzoekende lidstaat in de eigen beoordeling zonder meer ervan uit moet gaan dat de verzoeker om internationale bescherming in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus. De onderzoekende lidstaat moet immers opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzoeken of de betrokken persoon in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus.
5.5. Het arrest QY biedt hierover evenwel geen duidelijkheid. De Afdeling ziet zich daarom allereerst gesteld voor de vraag hoe het Griekse asieldossier en de door Griekenland toegekende vluchtelingenstatus moeten worden meegewogen bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, omdat aangenomen moet worden dat de minister niet gebonden is aan de beslissing van de Griekse autoriteiten. De punten 72 en 73 van het arrest QY wijzen er immers op dat Nederland als onderzoekende lidstaat een verzoek om internationale bescherming volledig opnieuw moet onderzoeken. Als dan wordt vastgesteld dat de verzoeker om internationale bescherming geen vluchteling is of een persoon die subsidiaire bescherming behoeft, rijst de vraag welke waarde er in dat geval toekomt aan het Griekse asieldossier en de door Griekenland toegekende vluchtelingenstatus.
5.6. In het verlengde hiervan rijst de vraag of de onderzoekende lidstaat de door de statusverlenende lidstaat overgelegde stukken mag vergelijken met de uit het eigen onderzoek verkregen stukken. Het kan immers zo zijn dat de verzoeker om internationale bescherming zich bij het tweede verzoek in de onderzoekende lidstaat op andere feiten of omstandigheden beroept dan ten tijde van het eerste verzoek. De vraag is of de onderzoekende lidstaat de verzoeker bij de nieuwe beoordeling van het verzoek dan mag tegenwerpen dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is, omdat hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard in de verschillende lidstaten.
5.7. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande aanleiding om het Hof te verzoeken om bij wijze van een prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen:
Vraag 1a
In het geval dat een lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de door artikel 33, lid 1 en lid 2, onder a), van Richtlijn 2013/32/EU geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming met het oog op de toekenning van de vluchtelingenstatus in een andere lidstaat niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat de verzoeker zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, moeten de artikelen 10, lid 2 en lid 3, en artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2013/32/EU en artikel 4, lid 1 en lid 2, van Richtlijn 2011/95/EU, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in het arrest van het Hof van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, aldus worden uitgelegd dat de door de statusverlenende lidstaat overgelegde stukken met betrekking tot zijn beslissing en de elementen die die beslissing ondersteunen, door de onderzoekende lidstaat alleen in de eigen beoordeling worden betrokken om te voorkomen dat er relevante elementen worden gemist bij het individuele, volledige en naar de actuele stand van zaken te houden onderzoek of de verzoeker om internationale bescherming in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming? Of volgt uit de door de statusverlenende lidstaat toegekende status dat de verzoeker recht heeft op internationale bescherming, tenzij het dossier van de statusverlenende lidstaat of het eigen onderzoek van de onderzoekende lidstaat redenen bieden om van dit uitgangspunt af te wijken?
Vraag 1b
Is het de onderzoekende lidstaat toegestaan de door de statusverlenende lidstaat overgelegde stukken, waaronder door de asielzoeker afgelegde verklaringen, inhoudelijk te vergelijken met de uit het eigen onderzoek verkregen stukken?
5.8. De Afdeling wijst erop dat de rechtbank Den Haag zittingsplaats Haarlem, in haar prejudiciële verwijzing van 19 februari 2026 (bij het Hof geregistreerd als zaak C-125/26; Dremen) ook als eerste vraag de vraag heeft gesteld hoe "ten volle rekening houden" moet worden uitgelegd, maar dat die vraag gaat over een ander feitencomplex. In die zaak was de minister niet ingegaan op de inhoud van de Griekse asielbesluiten en de daarin gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling, omdat de Griekse autoriteiten geen herkomstbeoordeling hadden gemaakt - bijvoorbeeld door middel van een taalanalyse. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, ziet zich dus gesteld voor de vraag of de minister, alvorens te concluderen dat er geen reëel risico op refoulement bestaat, had moeten ingaan op de door Griekenland gemaakte geloofwaardigheidsboordeling - ook al acht hij de herkomst ongeloofwaardig.
Gelet op het voorgaande verzoekt de Afdeling het Hof de door haar gestelde prejudiciële vragen 1a en 1b aan te merken als een aanvulling op de door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, gestelde eerste vraag.
Mag een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd?
Het meedelen van de eigen beoordeling
6. Het Hof heeft in punt 78 van het arrest QY overwogen dat de onderzoekende lidstaat zijn standpunt over een verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land die door de statusverlenende lidstaat in het bezit is gesteld van de vluchtelingenstatus, aan laatstgenoemde lidstaat moet meedelen. De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld op welk moment dit moet gebeuren.
6.1. In het Nederlandse nationaal recht bepaalt artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 dat de afwijzing van een asielaanvraag, mede gelet op artikel 6, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, in beginsel ook een terugkeerbesluit omvat. Als er pas een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd als de Griekse autoriteiten de door hen toegekende status hebben ingetrokken, zal de minister de besluitvorming dus in twee delen moeten opknippen. Er moet dan op enig later moment een afzonderlijk terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. De Afdeling wijst erop dat artikel 6, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat het de lidstaten is toegestaan in één besluit zowel het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf als een terugkeerbesluit en/of inreisverbod op te nemen. Daarnaast volgt uit artikel 7, zesde lid, van het voorstel voor een Terugkeerverordening (2025/0059/COD) en punt 40 van de considerans van de Procedureverordening (2024/1348), dat ook het Unierecht ernaar streeft dat de beslissingen strekkende tot afwijzing van een asielverzoek ook een terugkeerbesluit omvatten. Naar het voorlopig oordeel van de Afdeling is het ook juist wenselijk dat een terugkeerbesluit zoveel mogelijk deel uitmaakt van de beslissing tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming, om onnodige vertraging te voorkomen. In dat kader wijst de Afdeling ook op artikel 37 van de Procedureverordening.
6.2. De minister heeft in zijn hogerberoepschrift in zaak nr. BRS.25.001682 uiteengezet dat het in praktisch opzicht onwenselijk is als hij gedurende het onderzoek naar een asielverzoek meer dan eens contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten. Hoewel de minister in de zaken van EA en BSA contact heeft opgenomen met de Griekse autoriteiten om alle stukken op te vragen, hij deze heeft laten vertalen, heeft bestudeerd en een gemotiveerd besluit heeft genomen, is het volgens de minister in de praktijk onuitvoerbaar om ook de (voorlopige) beslissing over een asielverzoek naar het Grieks te laten vertalen en deze ook aan de Griekse autoriteiten mee te delen met het verzoek om te laten weten of zij hierin aanleiding zien de door hen toegekende status in te trekken. Dit geldt volgens de minister te meer nu de Griekse autoriteiten op een dergelijke mededeling niet reageren. Zo is in de zaak van EA ondanks herhaaldelijk rappelleren nog geen reactie van de Griekse autoriteiten gekomen. Daarnaast gaat het om heel veel zaken. De minister wijst erop dat het ook voor de betrokken verzoekers om internationale bescherming wenselijk is dat zij snel een beslissing op hun asielverzoek ontvangen. Zolang de Griekse autoriteiten niet reageren, ligt het besluitvormingsproces stil, wat de minister ook met het oog op het voeren van een doeltreffend terugkeerbeleid niet wenselijk acht. De minister heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat een dergelijke samenwerking ook voor de Griekse autoriteiten belastend is. Het gaat dan immers niet uitsluitend om het doorzenden van het asieldossier, maar om een herbeoordeling van de asielaanvraag.
6.3. De Afdeling leidt uit de rechtspraak van het Hof af dat pas een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd als de statusverlenende lidstaat de door hem toegekende status heeft ingetrokken. De Afdeling wijst op het arrest van het Hof van 18 juni 2024, Generalstaatsanwaltschaft Hamm tegen A. (arrest Hamm), ECLI:EU:C:2024:521, dat op dezelfde dag is gewezen als het arrest QY. Het Hof heeft in dat arrest onder punt 71 overwogen dat het Unierecht zich alleen dan niet verzet tegen de uitlevering door een lidstaat van een onderdaan van een derde land die in het bezit is van een door een andere lidstaat toegekende vluchtelingenstatus, als die laatste lidstaat beslist om die status op grond van artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn in te trekken én de eerste lidstaat heeft vastgesteld dat de desbetreffende persoon niet of niet langer de hoedanigheid heeft van vluchteling.
6.4. Hoewel dit arrest gaat over een andere situatie, namelijk over uitlevering en niet over een verzoek om internationale bescherming, leidt de Afdeling uit dit arrest af dat de onderzoekende lidstaat, als hij tot de conclusie komt dat een verzoeker om internationale bescherming niet of niet langer een vluchteling is, de statusverlenende lidstaat altijd moet verzoeken de vluchtelingenstatus die hij aan die verzoeker heeft toegekend in te trekken alvorens een terugkeerbesluit te kunnen uitvaardigen. In punt 42 van het arrest Hamm staat ook dat het alleen de statusverlenende lidstaat is die de vluchtelingenstatus kan intrekken. Uit punt 70 van dat arrest en uit de punten 77 tot en met 79 van het arrest QY leidt de Afdeling verder af dat het doel van de informatie-uitwisseling tussen de onderzoekende lidstaat en de statusverlenende lidstaat ook is dat laatstgenoemde lidstaat in staat wordt gesteld om de vluchtelingenstatus in te trekken op grond van artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn, met volledige inachtneming van de waarborgen van artikel 45 van de Procedurerichtlijn.
6.5. Gelet op de punten 42 en 70 van het arrest Hamm en de punten 77 tot en met 79 van het arrest QY gaat de Afdeling er vooralsnog van uit dat de minister de Griekse autoriteiten in alle gevallen moet meedelen wat de uitkomst is van de eigen beoordeling en dat hij aan die autoriteiten moet vragen of zij de door hen toegekende status willen intrekken. Dit is ook wat de Afdeling in haar uitspraak van 3 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2936, heeft geoordeeld. De Afdeling heeft wel begrip voor het standpunt van de minister dat de uitvoeringspraktijk tegen praktische problemen aanloopt als Griekenland niet reageert op een verzoek om intrekking. In de zaak van EA heeft Griekenland namelijk - ondanks herhaaldelijk rappelleren - niet gereageerd, waardoor EA nog steeds wordt geacht over de vluchtelingenstatus te beschikken. In de zaak van BSA heeft de minister vanuit praktisch oogpunt, maar in strijd met de genoemde Afdelingsuitspraak van 3 juli 2025, de Griekse autoriteiten in het geheel niet ingelicht over zijn beslissing om BSA niet aan te merken als vluchteling of als iemand die subsidiaire bescherming behoeft, zodat ook BSA nog wordt geacht over de vluchtelingenstatus te beschikken. De Afdeling wijst er ook op dat er bij haar inmiddels meerdere zaken aanhangig zijn waarin dezelfde problematiek speelt en waarin de minister ervoor heeft gekozen om de Griekse autoriteiten niet te verzoeken de door hen toegekende vluchtelingenstatus in te trekken, omdat hij niet verwacht dat de Griekse autoriteiten daarop zullen reageren.
6.6. De Afdeling ziet zich daarom ook voor de vraag gesteld of van de Griekse autoriteiten mag worden verwacht dat zij reageren op de mededeling van de minister dat de verzoeker om internationale bescherming niet of niet langer kan worden aangemerkt als vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, en zo ja, binnen welke termijn. De Afdeling wijst erop dat uit artikel 34, vijfde lid, van de Dublinverordening volgt dat voor de uitwisseling van informatie in een Dublinprocedure een termijn van vijf weken is voorgeschreven. De Afdeling vraagt zich af of die termijn naar analogie ook geldt in een geval als dit, waarin de onderzoekende lidstaat de uitkomst van de eigen beoordeling van een verzoek om internationale bescherming aan de statusverlenende lidstaat meedeelt en laatstgenoemde lidstaat daarop moet reageren. Ook vraagt de Afdeling zich af welke gevolgen worden verbonden aan het niet-naleven van die termijn.
6.7. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande aanleiding het Hof te verzoeken om bij wijze van een prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen:
Vraag 2a
Moet punt 78 van het arrest van het Hof van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, aldus worden uitgelegd dat de onderzoekende lidstaat de statusverlenende lidstaat expliciet moet verzoeken de door hem aan een verzoeker toegekende vluchtelingenstatus in te trekken?
Vraag 2b
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt: binnen welke termijn dient de statusverlenende lidstaat op dat verzoek te reageren? Kan de in artikel 34, lid 5, van Verordening (EU) nr. 604/2013 genoemde termijn van vijf weken naar analogie worden toegepast in die gevallen waarin een onderzoekende lidstaat de statusverlenende lidstaat verzoekt of hij de door hem toegekende vluchtelingenstatus wil intrekken? En welke gevolgen moeten er worden verbonden aan het niet-naleven van die termijn?
Wanneer de statusverlenende lidstaat de door hem toegekende vluchtelingenstatus niet intrekt.
7. In het verlengde van de vragen 2a en 2b ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld wat er moet gebeuren als de statusverlenende lidstaat niet of niet tijdig reageert op een verzoek om intrekking van de door hem toegekende status. De Afdeling wijst erop dat het antwoord op die vraag ook van belang is voor de situatie dat de statusverlenende lidstaat te kennen geeft dat hij de door hem toegekende status wenst te handhaven.
7.1. De verzoeken om internationale bescherming van zowel EA als BSA zijn afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000. Dit artikel is een implementatie van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. De minister heeft in de zaken van EA en BSA vastgesteld dat in hun geval bij terugkeer naar hun land van herkomst geen reëel risico op refoulement bestaat. Daarom komen zij volgens de minister niet in aanmerking voor internationale bescherming en moeten zij terugkeren naar respectievelijk Afghanistan en Ethiopië.
7.2. In beide procedures moet er dus van worden uitgegaan dat EA en BSA nog steeds beschikken over de door Griekenland toegekende vluchtelingenstatus. De minister wijst er evenwel op dat hij EA en BSA niet kan opdragen zich onmiddellijk naar het Griekse grondgebied te begeven, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, omdat de levensomstandigheden in Griekenland hen zouden blootstellen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Omdat zo’n aanzegging niet kan worden gedaan, moet volgens de minister worden teruggevallen op artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Volgens hem betekent dit dat, omdat EA en BSA niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel en dus niet langer rechtmatig op het Nederlandse grondgebied verblijven, tegen hen een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd.
7.3. De Afdeling stelt vast dat, wanneer de onderzoekende lidstaat concludeert dat een verzoeker om internationale bescherming niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming, de vraag rijst of tegen die verzoeker ook een terugkeerbesluit - en daarmee een eventueel inreisverbod - kan worden uitgevaardigd als de door de statusverlenende lidstaat toegekende vluchtelingenstatus (nog) niet op grond van artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken of beëindigd. Het Hof heeft zich hierover nog niet uitgelaten.
7.4. Zoals de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, in haar prejudiciële verwijzing van 19 februari 2026 heeft opgemerkt, heeft het Verwaltungsgericht Stuttgart deze vraag in zijn verwijzingsbeslissing van 3 mei 2023, El Baheer, zaak C-288/23, aan het Hof voorgelegd. Deze prejudiciële vraag is echter ingetrokken, omdat aan de betrokken onderdaan van een derde land alsnog de subsidiaire beschermingsstatus was verleend. Echter, in die zaak werd de vraag gesteld vanuit de gedachte dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van de betrokken onderdaan kon verzetten, omdat er op dat moment nog onduidelijkheid over bestond of de onderzoekende lidstaat gebonden was aan de door de statusverlenende lidstaat toegekende vluchtelingenstatus.
7.5. In de zaken van EA en BSA heeft de minister vastgesteld dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst geen reëel risico op refoulement lopen. Zolang Griekenland als statusverlenende lidstaat de door hem aan EA en BSA toegekende vluchtelingenstatus niet intrekt, ontstaat naar het oordeel van de Afdeling de paradoxale situatie dat de verzoekers om internationale bescherming geen vluchteling zijn, maar tegelijkertijd wel beschikken over de vluchtelingenstatus.
7.6. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande aanleiding om het Hof te verzoeken om bij wijze van een prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vraag:
Vraag 3
Als de onderzoekende lidstaat vaststelt dat een verzoeker om internationale bescherming niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming en de verzoeker tegelijkertijd niet kan worden aangezegd terug te keren naar de statusverlenende lidstaat, als bedoeld in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2008/115/EG, omdat de verzoeker daar in een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige situatie terecht kan komen, mag aan hem of haar dan een terugkeerbesluit op grond van artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2008/115/EG, worden uitgevaardigd als de beschermingsstatus in de statusverlenende lidstaat (nog) niet is ingetrokken?
7.7. De Afdeling wijst erop dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, in haar prejudiciële verwijzing van 19 februari 2026 ook vragen heeft gesteld over het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. De Afdeling verzoekt het Hof dan ook de door haar gestelde prejudiciële vraag 3 aan te merken als een aanvulling op de door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, gestelde prejudiciële vragen.
Conclusie
8. De behandeling van de hoger beroepen in de zaken nrs. BRS.25.001682, BRS.25.001683 en BRS.26.000413 zal worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:
Vraag 1a
In het geval dat een lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de door artikel 33, lid 1 en lid 2, onder a), van Richtlijn 2013/32/EU geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming met het oog op de toekenning van de vluchtelingenstatus in een andere lidstaat niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de levensomstandigheden in die lidstaat de verzoeker zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, moeten de artikelen 10, lid 2 en lid 3, en artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2013/32/EU en artikel 4, lid 1 en lid 2, van Richtlijn 2011/95/EU, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in het arrest van het Hof van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, aldus worden uitgelegd dat de door de statusverlenende lidstaat overgelegde stukken met betrekking tot zijn beslissing en de elementen die die beslissing ondersteunen, door de onderzoekende lidstaat alleen in de eigen beoordeling worden betrokken om te voorkomen dat er relevante elementen worden gemist bij het individuele, volledige en naar de actuele stand van zaken te houden onderzoek of de verzoeker om internationale bescherming in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming? Of volgt uit de door de statusverlenende lidstaat toegekende status dat de verzoeker recht heeft op internationale bescherming, tenzij het dossier van de statusverlenende lidstaat of het eigen onderzoek van de onderzoekende lidstaat redenen bieden om van dit uitgangspunt af te wijken?
Vraag 1b
Is het de onderzoekende lidstaat toegestaan de door de statusverlenende lidstaat overgelegde stukken, waaronder door de asielzoeker afgelegde verklaringen, inhoudelijk te vergelijken met de uit het eigen onderzoek verkregen stukken?
Vraag 2a
Moet punt 78 van het arrest van het Hof van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, aldus worden uitgelegd dat de onderzoekende lidstaat de statusverlenende lidstaat expliciet moet verzoeken de door hem aan een verzoeker toegekende vluchtelingenstatus in te trekken?
Vraag 2b
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt: binnen welke termijn dient de statusverlenende lidstaat op dat verzoek te reageren? Kan de in artikel 34, lid 5, van Verordening (EU) nr. 604/2013 genoemde termijn van vijf weken naar analogie worden toegepast in die gevallen waarin een onderzoekende lidstaat de statusverlenende lidstaat verzoekt of hij de door hem toegekende vluchtelingenstatus wil intrekken? En welke gevolgen moeten er worden verbonden aan het niet-naleven van die termijn?
Vraag 3
Als de onderzoekende lidstaat vaststelt dat een verzoeker om internationale bescherming niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming en de verzoeker tegelijkertijd niet kan worden aangezegd terug te keren naar de statusverlenende lidstaat, als bedoeld in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2008/115/EG, omdat de verzoeker daar in een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige situatie terecht kan komen, mag aan hem of haar dan een terugkeerbesluit op grond van artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2008/115/EG, worden uitgevaardigd als de beschermingsstatus in de statusverlenende lidstaat (nog) niet is ingetrokken?
II. schorst de behandeling van de hoger beroepen tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
644
Afdeling bestuursrechtspraak stelt opnieuw prejudiciële vragen over Griekse statushouders
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een verwijzingsuitspraak van vandaag (8 juli 2026) zogenoemde prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg. Zij wil van het Europese Hof weten hoe de minister van Asiel en Migratie informatie die hij ontvangt van de Griekse autoriteiten moet betrekken bij de beoordeling van asielaanvragen van Griekse statushouders in Nederland, en of aan die statushouders een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd.
Achtergrond
In deze zaken gaat het om vreemdelingen uit Afghanistan en Ethiopië die door Griekenland zijn erkend als vluchteling en daar een verblijfsvergunning hebben gekregen. Zij zijn daarna doorgereisd naar Nederland, waar zij opnieuw asiel hebben aangevraagd. De minister kan deze vreemdelingen niet terugsturen naar Griekenland vanwege de opvangsituatie in dat land. Daarom heeft hij zelf hun asielaanvragen inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen.
Eerdere prejudiciële procedure over Griekse statushouders
In augustus 2023 stelde de Afdeling bestuursrechtspraak al eerder prejudiciële vragen over Griekse statushouders aan het Hof van Justitie in Luxemburg. De vraag was toen of Nederland gebonden is aan de vluchtelingenstatus die Griekenland heeft toegekend. Het Hof van Justitie antwoordde in juni 2024 dat de minister daar niet aan is gebonden, maar dat hij wel informatie moet uitwisselen met de Griekse autoriteiten en rekening moet houden met hun besluit. Ook moet de minister de Griekse autoriteiten meedelen wat de uitkomst is van zijn besluit. Het is dan aan de Griekse autoriteiten om te bepalen of zij de door hen toegekende vluchtelingenstatus intrekken of niet.
Geen reactie van Griekenland
De minister heeft in deze zaken de asielaanvragen van de vreemdelingen afgewezen, omdat zij in Nederland andere verklaringen hebben afgelegd dan in Griekenland. De minister heeft de Griekse asieldossiers opgevraagd en bij zijn beoordeling betrokken. Maar hij heeft ook laten weten dat het in de praktijk niet werkt om de Griekse autoriteiten te vragen of zij de door hen toegekende vluchtelingenstatus willen intrekken. Dat komt omdat zij daar niet op reageren.
Prejudiciële vragen
De Afdeling bestuursrechtspraak wil nu van het Hof van Justitie in Luxemburg weten hoe de uit Griekenland verkregen informatie bij de inhoudelijke beoordeling moet worden betrokken en of de minister het Griekse asieldossier met het Nederlandse mag vergelijken. Ook stelt de Afdeling bestuursrechtspraak de vraag of de minister de Griekse autoriteiten in alle gevallen expliciet moet vragen of zij de aan de vreemdelingen verleende vluchtelingenstatus willen intrekken, en, zo ja, binnen welke termijn dit moet gebeuren en of het uitblijven van een reactie van de Griekse autoriteiten gevolgen heeft. Tot slot wil de Afdeling bestuursrechtspraak van het Europese Hof weten of de minister een terugkeerbesluit kan uitvaardigen aan vreemdelingen van wie hij de asielaanvraag heeft afgewezen, maar die wel over de vluchtelingenstatus in Griekenland beschikken. De Afdeling bestuursrechtspraak sluit zich hiermee deels aan bij de prejudiciële vragen die de rechtbank in Haarlem in februari 2025 aan het Hof van Justitie heeft gesteld.
Schorsing van de behandeling van de rechtszaken
De Afdeling bestuursrechtspraak schorst de verdere behandeling van deze rechtszaken in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie in Luxemburg. Daarna zal de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling van de zaken voortzetten en uiteindelijk een definitieve uitspaak doen.