Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406367/1/V2

Uitspraak 202406367/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3863
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 6 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkenen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Betrokkenen vormen een gezin van twee ouders met hun twee meerderjarige dochters. Zij hebben de Iraanse nationaliteit. De minister heeft aan de moeder en de twee dochters op 7 augustus 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat hij geloofwaardig achtte dat zij bekeerd zijn. De vader is zijn gezin later nagereisd en de minister heeft aan hem op 29 maart 2018 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In de besluiten van 6 mei 2022 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkenen met behulp van de juridisch adviseur valse verklaringen hebben afgelegd. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de vergunningen mocht intrekken en hoe een herbeoordeling in een geval als dit moet plaats vinden.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persbericht
Volledige tekst

202406367/1/V2.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D],
2.       de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 juni 2024 en haar einduitspraak van 19 september 2024 in zaken nrs. NL22.10260, NL22.10262, NL22.10264 en NL22.10265 in het geding tussen:

[appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluiten van 6 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkenen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij tussenuitspraak van 28 juni 2024 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan die besluiten klevend gebrek te herstellen.

Bij uitspraak van 19 september 2024 heeft de rechtbank de tegen die besluiten door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraken hebben betrokkenen en de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen en de minister hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkenen hebben daarop gereageerd.

De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.

Betrokkenen en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De UNHCR heeft te kennen gegeven geen gebruik te kunnen maken van de gelegenheid om aan de procedure deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202503091/1/V2 op een zitting behandeld op 15 oktober 2025, waar betrokkenen, bijgestaan door mr. A. Berends, advocaat in Amsterdam, en T. Mehrian Isfahani, tolk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.J. Klungel, mr. J.P. Guerain en mr. T. Mijnals, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Betrokkenen vormen een gezin van twee ouders met hun twee meerderjarige dochters. Zij hebben de Iraanse nationaliteit. De minister heeft aan de moeder en de twee dochters op 7 augustus 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat hij geloofwaardig achtte dat zij bekeerd zijn. De vader is zijn gezin later nagereisd en de minister heeft aan hem op 29 maart 2018 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

1.1.    Bij arrest van 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4067, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een juridisch adviseur veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens mensensmokkel, met ontzetting van het recht tot uitoefening van zijn beroep van beroepsmatige dienstverlener in het vreemdelingenrechtelijke domein voor de duur van tien jaar. De juridisch adviseur heeft fictieve asielrelazen tegen betaling aangeboden en vreemdelingen geholpen met het instuderen van een dergelijk relaas met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel. Naar aanleiding hiervan heeft de minister het zogeheten Ambrose-project opgezet om uit te zoeken welke vreemdelingen gebruik hebben gemaakt van de diensten van deze juridisch adviseur en na te gaan of die vreemdelingen op frauduleuze wijze in het bezit zijn gekomen van een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft desgevraagd toegelicht dat het Ambrose-project een onderzoek omvat naar 102 personen, exclusief familieleden die op nareis naar Nederland zijn gekomen en kinderen die in Nederland zijn geboren. Deze zaak valt onder dit project.

1.2.    In de besluiten van 6 mei 2022 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkenen met behulp van de juridisch adviseur valse verklaringen hebben afgelegd. Hij heeft daarom de verblijfsvergunningen asiel op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ingetrokken. De minister heeft voorts op grond van paragraaf C2/10.2.1.2 van de Vc 2000 een herbeoordeling verricht of betrokkenen op basis van alle op dat moment beschikbare en geloofwaardige elementen en bevindingen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 desondanks in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is. In het kader van die herbeoordeling zijn betrokkenen gebleven bij het oorspronkelijke asielmotief dat zij bekeerd zouden zijn. Nu gebleken is dat zij destijds valse verklaringen hebben afgelegd met behulp van de juridisch adviseur, is volgens de minister niet meer te achterhalen welke verklaringen authentiek zijn. Hij heeft de gestelde bekeringen daarom niet alsnog geloofwaardig geacht.

1.3.    Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Leeswijzer

2.       Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de vergunningen mocht intrekken en hoe een herbeoordeling als hierboven bedoeld in een geval als dit moet plaats vinden. De uitspraak is als volgt opgebouwd. De Afdeling geeft eerst de uitspraak van de rechtbank weer. Vervolgens bespreekt de Afdeling het hoger beroep van betrokkenen waarbij de intrekking van de verblijfsvergunningen centraal staan. Daarna bespreekt de Afdeling het hoger beroep van de minister waarbij de herbeoordeling centraal staat. Wegens het zaaksoverstijgende karakter van deze zaak zal de Afdeling een algemene oordeel geven over de wijze waarop de minister een herbeoordeling dient te verrichten bij vreemdelingen die vasthouden aan hun oorspronkelijke asielmotief van afvalligheid en bekering. Daarna geeft de Afdeling een oordeel over de concrete herbeoordeling van de aanvraag van betrokkenen. Tot slot volgt een conclusie.

Het oordeel van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten voor intrekking van de verblijfsvergunningen asiel, zoals die zijn neergelegd in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Zij heeft overwogen dat betrokkenen over twee essentiële onderdelen van hun relaas, de inval in hun woning in Iran en hun gestelde bekering en afvalligheid, onjuiste gegevens hebben verstrekt en dat die gegevens doorslaggevend zijn geweest bij de verlening van de vluchtelingenstatus. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat zij een contract hadden met de juridisch adviseur en dat zij hebben toegegeven dat de inval in hun woning in Iran verzonnen is. Zij heeft verder overwogen dat uit de tapverslagen en de verhoren bij de Koninklijke Marechaussee voldoende blijkt dat ook over de gestelde afvalligheid en bekering afstemming heeft plaatsgevonden tussen betrokkenen en de juridisch adviseur. Daarnaast heeft de rechtbank erop gewezen dat betrokkenen de juridisch adviseur hebben bezocht, waarbij het niet duidelijk is wat tijdens deze afspraken nog meer besproken is. Zij heeft overwogen dat dit voor rekening en risico van betrokkenen komt. De rechtbank heeft in dit kader tot slot geoordeeld dat de minister geen nadere evenredigheidsbeoordeling hoefde te verrichten.

3.1.    De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de minister bij de herbeoordeling op grond van paragraaf C2/10.2.1.2 van de Vc 2000 niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de gehoren van betrokkenen niet op de juiste wijze heeft afgenomen, omdat hij hen niet over alle elementen uit werkinstructie (WI) 2022/3 heeft bevraagd. Ook had hij betrokkenen in de gelegenheid moeten stellen om nader in te gaan op de eerder afgelegde verklaringen.

Het hoger beroep van betrokkenen

4.       Betrokkenen klagen in hun eerste grief over het onder 3 weergegeven oordeel van de rechtbank dat zij over beide essentiële onderdelen van hun relaas onjuiste gegevens hebben verstrekt.

4.1.    Betrokkenen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd op welke concrete punten betrokkenen daadwerkelijk onjuiste gegevens hebben verstrekt over de afvalligheid en bekering. Zij betogen daarbij dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hen heeft gelegd.

4.2.    De Afdeling stelt vast dat in hoger beroep niet in geschil is dat een van de betrokkenen op 24 juli 2017 een contract heeft afgesloten met de juridisch adviseur. Ook is niet in geschil dat betrokkenen op advies van de juridisch adviseur de inval in hun woning in Iran hebben verzonnen.

4.3.    Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de minister een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekken als een vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl deze tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Het is aan de minister om aannemelijk te maken dat een dergelijk geval zich voordoet. Als de minister aan deze bewijslast heeft voldaan, is het aan een vreemdeling om daarover voldoende twijfel te zaaien (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:280, onder 2.1).

4.4.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de verhoren bij de Koninklijke Marechaussee en de verslagen van de telefoontaps, die zijn afgenomen ten behoeve van de strafzaak tegen de juridisch adviseur, voldoende blijkt dat betrokkenen onjuiste gegevens hebben verstrekt over hun afvalligheid en bekeringen. Daarvoor acht de Afdeling het volgende van belang.

4.4.1. Uit het tapverslag van een gesprek dat op 28 november 2017 heeft plaatsgevonden valt op te maken, dat de juridisch adviseur instructies heeft gegeven over de wijze waarop betrokkenen een eerder ontstane tegenstrijdigheid over het moment van bekering konden herstellen. De juridisch adviseur heeft in dat gesprek ook uitleg over een boek over de Islam gegeven. Uit het tapverslag van een gesprek op 30 november 2017 valt op te maken dat de juridisch adviseur betrokkenen heeft geïnstrueerd wat zij moesten verklaren over de inval in hun woning. Ook heeft de juridisch adviseur in dat gesprek uitgelegd hoe betrokkenen hun relaas persoonlijk moesten maken door over hun dagelijkse leven te verklaren met ervaringen over onderdrukking van vrouwen. Tot slot volgt uit het tapverslag van het gesprek dat op 3 december 2017 heeft plaatsgevonden dat de juridisch adviseur met betrokkenen besproken heeft hoe zij de verklaringen van twee van hen op elkaar aan konden laten sluiten en welke rol hun tante in het door hen gestelde bekeringsproces toegedicht zou moeten worden.

4.4.2. Uit de processen-verbaal van de verhoren bij de Koninklijke Marechaussee valt op te maken dat betrokkenen erkennen dat de juridisch adviseur adviezen en stukken over de gestelde bekering van betrokkenen heeft verstrekt. Volgens betrokkenen heeft hij hen geholpen hun relaas samen te vatten en op bepaalde punten ‘recht te breien’. Hij heeft verder geholpen door middel van telefonische adviezen en het geven van schriftelijke notities die betrokkenen voor de gehoren bij de IND moesten bestuderen. Betrokkenen geven bij de verhoren als concrete voorbeelden hiervan dat de juridisch adviseur heeft uitgelegd wat evangelisatie is en dat hij inlichtingen heeft gegeven over christelijke feestdagen.

4.5.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het voorgaande volgt dat betrokkenen onjuiste gegevens hebben verstrekt over hun gestelde bekering. Anders dan betrokkenen betogen, is daarbij niet van belang dat zij stellen sommige punten alleen wat te hebben aangedikt, en dat zij niet alles wat de juridisch adviseur hen heeft voorgehouden ook daadwerkelijk bij de asielgehoren hebben aangevoerd. Het is immers de verantwoordelijkheid van betrokkenen om hun persoonlijke relaas naar voren te brengen en daarbij authentieke verklaringen af te leggen. Dat hebben betrokkenen in dit geval niet gedaan, omdat zij over hun gestelde bekeringen met hun juridisch adviseur afgestemde, ingestudeerde en niet-authentieke verklaringen hebben afgelegd die essentieel waren voor de vergunningverlening. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, komt het in dit verband voor rekening en risico van betrokkenen dat niet meer precies van elke verklaring valt na te gaan of die van de juridisch adviseur afkomstig is. Anders dan betrokkenen betogen, is de bewijslast daarmee niet omgedraaid. Door de handelwijze van betrokkenen hoefde de minister hen bij zijn intrekkingsbesluiten niet in grote lijnen als geloofwaardig te beschouwen en hun niet in grote lijnen het voordeel van de twijfel te gunnen (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt stelt dat betrokkenen onjuiste gegevens hebben verstrekt die doorslaggevend zijn geweest voor de vergunningverlening. Betrokkenen zijn er niet in geslaagd om hierover voldoende twijfel te zaaien. De rechtbank heeft dit onderkend. De grief slaagt niet.

5.       Betrokkenen klagen in hun tweede grief over het onder 3 weergegeven oordeel van de rechtbank dat de minister geen aanvullende evenredigheidsbeoordeling hoefde te verrichten en dat hij niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

5.1.    Daargelaten of de minister gehouden was om een aanvullende evenredigheidsbeoordeling te verrichten, slaagt het betoog van betrokkenen niet. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister ambtshalve de individuele omstandigheden van betrokkenen gewogen in het kader van artikel 8 van het EVRM en heeft hij eveneens ambtshalve getoetst of er aanleiding bestond om betrokkenen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. De rechtbank heeft terecht overwogen dat betrokkenen niet hebben gesteld dat er relevante elementen zijn die daarbij niet aan de orde zijn gekomen of meegewogen zijn. Dit hebben betrokkenen ook in hoger beroep niet gedaan. Er bestaat daarom geen reden om aan te nemen dat een evenredigheidsbeoordeling tot een andere uitkomst had kunnen leiden.

5.2.    Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door betrokkenen opgeworpen vraag over een aanvullende evenredigheidsbeoordeling niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

5.3.    Daarnaast heeft de minister niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Anders dan betrokkenen betogen, heeft de minister toegelicht dat hij in alle gevallen die onder het Ambrose-project vallen, op basis van individuele feiten en omstandigheden beoordeelt of hij tot intrekking overgaat. Op de zitting bij de Afdeling heeft de minister verder geconcretiseerd dat hij in een aantal gevallen geloofwaardig heeft geacht dat vreemdelingen na de oorspronkelijke inwilliging van hun asielaanvragen alsnog daadwerkelijk zijn bekeerd tot het christendom. Ten aanzien van betrokkenen heeft de minister dat niet geloofwaardig geacht, zodat geen sprake is van gelijke gevallen. De grief slaagt niet.

Tussenconclusie na het hoger beroep van betrokkenen

6.       De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 rechtmatig was. Het hoger beroep van betrokkenen is daarom ongegrond. De Afdeling zal hierna het hoger beroep van de minister bespreken.

Het hoger beroep van de minister

7.       De minister klaagt in zijn grieven over het onder 3.1 weergegeven oordeel van de rechtbank dat hij bij de herbeoordeling op grond van paragraaf C2/10.2.1.2 van de Vc 2000 ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen.

7.1.    In paragraaf C2/10.2.1.2 van de Vc 2000 staat:

"(…) De IND beoordeelt bij een intrekking of niet-verlenging op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, Vw op het moment van de herbeoordeling of de vreemdeling op grond van alle beschikbare en geloofwaardige elementen en bevindingen op grond van artikel 29, eerste lid, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. (…)"

Over de verdere invulling van deze herbeoordeling is geen specifieke regelgeving of aanvullend beleid voorhanden. De Afdeling zal daarom eerst in algemene zin ingaan op welke wijze de minister te werk moet gaan bij een herbeoordeling van asielverzoeken van vreemdelingen die na de intrekking van hun verblijfsvergunning asiel blijven vasthouden aan hun oorspronkelijke asielmotief van bekering of afvalligheid.

Het beoordelingskader

7.2.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 28 juni 2024 overwogen dat het beoordelingskader in de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713, ook van toepassing is op de situatie van betrokkenen. De minister voert op zichzelf terecht aan dat die uitspraak van de Afdeling niet gaat over herbeoordelingen, maar over de wijze waarop de minister geloofsgroei moet beoordelen bij opvolgende asielaanvragen. Voor beide situaties geldt echter dat er eerder afgelegde verklaringen over een bekering zijn die niet geloofwaardig zijn bevonden, maar er nieuwe of aanvullende argumenten, feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de betrokkene toch voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking zou kunnen komen. Daarom is de uitspraak van 28 september 2022 bij herbeoordelingen naar analogie van toepassing. Wat dit betekent voor het toetsingskader voor herbeoordelingen legt de Afdeling hierna uit.

7.3.    Partijen zijn het erover eens dat de minister de bij het intrekkingsgehoor afgelegde nieuwe verklaringen moet beoordelen in samenhang met wat een vreemdeling in de voorgaande procedure over de bekering heeft aangevoerd. Dit betekent dat hij een overkoepelende geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij de minister WI 2024/6 (voorheen: WI 2014/10) toepast. De Afdeling wijst in dit verband op haar hiervoor genoemde uitspraak van 28 september 2022, onder 4.4, waarin dit nader is uitgewerkt in het geval van gestelde geloofsgroei.

7.4.    Anders dan de minister betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij de beoordelingswijze uit WI 2022/3 over bekeerlingen en afvalligen ook hier moet toepassen. De Afdeling ziet door het ontbreken van een duidelijke uitleg van de minister niet in waarom de beoordelingswijze anders zou zijn in herbeoordelingszaken zoals die onder het Ambrose-project vallen. Daarom moet de minister ook in dit type zaken bij het intrekkingsgehoor vragen stellen over de drie volgende elementen: 1) de motieven voor en het proces van bekering of afvalligheid, 2) de kennis van het nieuwe geloof en 3) de activiteiten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van veranderingen. De Afdeling begrijpt dat verklaringen over de activiteiten die een vreemdeling na de oorspronkelijke vergunningverlening heeft verricht, voor de herbeoordeling het meest inzichtelijk zijn. Zij volgt het betoog van de minister dat het bij het intrekkingsgehoor alleen nog nuttig is om vragen over element 3 te stellen, echter niet. Over elementen 1 (motieven en proces) en 2 (kennis van het nieuwe geloof) kunnen immers evenzeer vragen gesteld worden waarbij de daarop gegeven antwoorden relevant kunnen zijn bij de herbeoordeling. Bij element 1 kan gedacht worden aan vragen over de persoonlijke beleving van de voortzetting en mogelijke intensivering van het geloof of de afvalligheid. Bij element 2 kan gedacht worden aan het stellen van andere, meer verdiepende kennisvragen dan in de voorgaande procedure. Deze vragen zijn ook van belang, omdat ontoereikende verklaringen over een van de drie elementen door overtuigende verklaringen over de andere elementen gecompenseerd kunnen worden (vergelijk paragraaf 3.4.4 van WI 2022/3 en de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, onder 4.5).

7.5.    Hier staat tegenover dat de minister niet ten onrechte uitgaat van een verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling in een geval als hier aan de orde. De eerdere verklaringen die een vreemdeling heeft afgelegd, zijn immers achteraf bezien niet-authentiek en dus onbetrouwbaar bevonden. Dit vormt dan ook het uitgangspunt bij de herbeoordeling. Dat betekent dat de minister in dit soort gevallen van een vreemdeling mag verlangen dat hij bij het intrekkingsgehoor toelicht waarom hij toch in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Daarbij dient een vreemdeling te reflecteren op zijn handelen bij de oorspronkelijke asielaanvraag, inzichtelijk te maken wat er heeft plaatsgevonden ná het verkrijgen van de verblijfsvergunning asiel en waarom nieuw ingebrachte elementen en bevindingen zouden moeten leiden tot een voor hem positieve uitkomst. Als de vreemdeling dit niet doet of louter herhaalt wat hij in de voorgaande procedure al heeft aangevoerd, kan dit voor de minister aanleiding zijn om het stellen van nadere vragen over de gestelde bekering of afvalligheid achterwege te laten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, onder 6.1.

7.6.    De minister wijst er terecht op dat uit het arrest van het Hof van 29 juni 2023, X, ECLI:EU:C:2023:523, punten 91 tot en met 93, volgt dat een valse verklaring uit een eerdere procedure een relevant element is voor de beantwoording van de vraag of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Weliswaar staat een valse verklaring er op zichzelf niet aan in de weg dat een asielzoeker niettemin in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Maar het Hof specificeert dat het daarbij ging om een asielzoeker die bij de eerste gelegenheid zijn oorspronkelijke verzoek toegelicht en ingetrokken heeft en daarvoor in de plaats andere beweringen heeft aangevoerd (zie de punten 93 en 95). Anders dan betrokkenen betogen, heeft de minister in dit licht bezien terecht het standpunt ingenomen dat vreemdelingen in herbeoordelingszaken in beginsel niet langer het voordeel van de twijfel wordt gegund als onjuiste verklaringen tot vergunningverlening hebben geleid. In deze zaak doen zich ook geen omstandigheden voor om af te wijken van dit uitgangspunt, onder meer omdat betrokkenen pas op hun valse verklaringen over de inval in hun woning zijn teruggekomen nadat ze daarmee bij de verhoren van de Koninklijke Marechaussee zijn geconfronteerd.

7.7.    Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag over de wijze waarop valse verklaringen bij de besluitvorming moeten worden betrokken, kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten Cilfit, punt 16, Consorzio Italian Management, punten 39 en 40, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

7.8.    De minister betoogt tot slot op goede gronden dat hij bij de herbeoordeling meer betekenis mag hechten aan documenten in het licht van de nieuwe verklaringen van een vreemdeling over zijn bekering of afvalligheid. Het is voor die herbeoordeling immers zeer relevant of, en zo ja, welke activiteiten een vreemdeling na de oorspronkelijke vergunningverlening heeft verricht. Zoals de minister op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, kan een vreemdeling dit onderbouwen met objectieve documenten, maar ook met subjectieve documenten zoals eigen verklaringen, verklaringen van derden, berichten op sociale media en foto’s.

Herbeoordeling van de asielverzoeken

7.9.    De minister betoogt echter tevergeefs dat hij de herbeoordeling zorgvuldig heeft uitgevoerd en deugdelijk heeft gemotiveerd. Zoals de Afdeling onder 7.4 heeft overwogen, dient de minister ook bij de herbeoordeling de beoordelingswijze uit WI 2022/3 toe te passen. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de vragen bij het intrekkingsgehoor zich vooral hebben gericht op element 3, dat er slechts enkele vragen over element 1 zijn gesteld en helemaal geen vragen over element 2. De minister heeft niet weersproken dat hij betrokkenen daarmee bij de intrekkingsgehoren onvoldoende naar alle elementen uit WI 2022/3 heeft bevraagd.

Conclusie

8.       Hoewel de minister zijn betogen over de verzwaarde bewijslast en het ontbreken van het voordeel van de twijfel terecht heeft voorgedragen, leiden de grieven niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat WI 2022/3 van toepassing is en dat de intrekkingsgehoren bij betrokkenen niet op de juiste wijze zijn afgenomen. De grieven slagen daarom niet. Het hoger beroep van de minister is ongegrond.

9.       De hoger beroepen zijn ongegrond. Ook roepen de hoger beroepen verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24). De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden die betrokkenen voor de behandeling van het hoger beroep van de minister hebben gemaakt. De overige proceskosten hoeft de minister niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraken;

II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep van de minister opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Veen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

986

Persbericht

Minister trekt terecht asiel in na gekochte en verzonnen asielverhalen

De minister van Asiel en Migratie mag een asielvergunning intrekken als hij erachter komt dat een asielzoeker zijn asielmotief heeft verzonnen en heeft gebaseerd op valse verklaringen. Maar de minister moet daarna wel altijd een deugdelijke herbeoordeling maken of de asielzoeker alsnog in aanmerking komt voor asiel. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee uitspraken van vandaag (8 juli 2026) in het zogenoemde ‘Ambroseproject’.

Achtergrond

In december 2023 veroordeelde het gerechtshof in 's-Hertogenbosch een juridisch adviseur tot een gevangenisstraf van vier jaar voor mensensmokkel. Hij verkocht verzonnen asielverhalen voor flinke bedragen aan asielzoekers uit onder andere Iran en hielp ze bij het instuderen hiervan om in Nederland asiel te krijgen. Dit leidde tot het zogenoemde ‘Ambroseproject’, waarin de minister onderzoek deed naar ruim honderd asielvergunningen die hij had verleend. Zo deed hij ook onderzoek naar twee Iraanse gezinnen die hij in 2017 asiel verleende. De minister geloofde dat de gezinnen afvalligen en bekeerd zijn en daarom in Iran gevaar lopen. Maar na het onderzoek concludeert de minister dat de gezinnen hulp hebben gehad van de veroordeelde juridisch adviseur en valse verklaringen hebben gegeven. Daarom heeft de minister de asielvergunningen ingetrokken. De gezinnen houden nog altijd vast aan hun oorspronkelijke asielmotief.

Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak

De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de minister de asielvergunningen van de gezinnen terecht heeft ingetrokken nadat hij concludeerde dat zij valse verklaringen hebben gegeven. Wel moet de minister nog een deugdelijke herbeoordeling maken of de gezinnen wellicht toch nog in aanmerking komen voor asiel. Dat geldt ook als zij vasthouden aan hun oorspronkelijke asielmotief. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister in een van de zaken de herbeoordeling niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat het gezin niet over alle relevante aspecten van hun asielmotief is gehoord. De minister zal het gezin daarom opnieuw moeten horen en opnieuw een besluit moeten nemen of het gezin in aanmerking komt voor asiel. In de andere zaak oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister de herbeoordeling wel deugdelijk heeft gedaan en dat hij terecht geen asiel heeft verleend.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon