Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202307078/1/A3

Uitspraak 202307078/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3966
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij uitspraak van 21 maart 2018, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2018:974, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2017 in zaak nr. 16/3941 gegrond verklaard, die uitspraak van de rechtbank vernietigd en het door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018. In die zaak heeft de Afdeling geconcludeerd dat het college de betreffende Wob-verzoeken van [verzoeker] terecht wegens misbruik van recht buiten behandeling heeft gesteld. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om herziening aangevoerd dat zijn verstandhouding met de gemeente Amsterdam inmiddels aanzienlijk is verbeterd. De gemeente heeft in een brief van 16 november 2023 laten weten dat in een aantal zaken niet langer aan hem zal worden tegengeworpen dat hij misbruik van recht maakt. Gelet op zijn grote betrokkenheid als activist bij bepaalde onderwerpen, zou de gemeente nu niet meer stellen dat het hem niet om de gevraagde informatie te doen was.
  • Herziening
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202307078/1/A3.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], verblijvend in [plaats],
verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2018:974.

Procesverloop

Bij uitspraak van 21 maart 2018, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2018:974, heeft de Afdeling het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2017 in zaak nr. 16/3941 gegrond verklaard, die uitspraak van de rechtbank vernietigd en het door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 mei 2026, waar [verzoeker] is verschenen.

Overwegingen

1.       De Afdeling stelt voorop dat de rechter een verzoek om herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak alleen kan toewijzen als is voldaan aan alle criteria als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het is daarbij aan een verzoeker om hiervoor concrete feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken.

2.       Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."

3.       [verzoeker] heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018. In die zaak heeft de Afdeling geconcludeerd dat het college de betreffende Wob-verzoeken van [verzoeker] terecht wegens misbruik van recht buiten behandeling heeft gesteld. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om herziening aangevoerd dat zijn verstandhouding met de gemeente Amsterdam inmiddels aanzienlijk is verbeterd. De gemeente heeft in een brief van 16 november 2023 laten weten dat in een aantal zaken niet langer aan hem zal worden tegengeworpen dat hij misbruik van recht maakt. Gelet op zijn grote betrokkenheid als activist bij bepaalde onderwerpen, zou de gemeente nu niet meer stellen dat het hem niet om de gevraagde informatie te doen was. De gemeente ziet dat deze onderwerpen hem wel degelijk interesseerden en dat de verzoeken niet uitsluitend zijn ingediend om de gemeente te frustreren, aldus die brief.

[verzoeker] voert aan dat voormalig burgemeester Van der Laan er de oorzaak van is geweest dat misbruik van recht aan hem is tegengeworpen. Volgens [verzoeker] was Van der Laan vooringenomen ten opzichte van hem en heeft deze hem tegengewerkt.

[verzoeker] voert verder aan dat de Afdeling in de uitspraak van 21 maart 2018 ten onrechte heeft overwogen dat hij ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat het zijn bedoeling is om met zijn

Wob-verzoeken de gemeente te frustreren. Dat heeft hij niet verklaard.

Ook voert [verzoeker] aan dat hij geen eerlijk proces heeft gehad omdat hij niet aanwezig kon zijn bij de zitting om zijn hoger beroep toe te lichten. Hij stelt dat hij door gemeente onder druk was gezet om te solliciteren.

3.1.    De Afdeling zal de uitspraak van 21 maart 2018 niet herzien.

[verzoeker] heeft namelijk geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die zijn aan te merken als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Voor zover [verzoeker] heeft aangevoerd dat zijn verstandhouding met de gemeente inmiddels aanzienlijk is verbeterd, wordt overwogen dat dit géén feit of omstandigheid is die heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak.

Nog daargelaten of is voldaan aan de criteria van artikel 8:119, eerste lid, onder a en b, van de Awb, zou dat wat [verzoeker] heeft aangevoerd over Van der Laan niet tot een andere uitspraak dan die van 21 maart 2018 hebben kunnen leiden. De Afdeling heeft die uitspraak namelijk niet gebaseerd op de gestelde gedragingen van Van der Laan.

Voor zover [verzoeker] heeft aangevoerd dat de uitspraak van 21 maart 2018 is gebaseerd op een onjuiste lezing van zijn verklaringen op de zitting bij de rechtbank, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, dat betoog niet tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden omdat die uitspraak niet alleen berust op die verklaringen.

Dat wat [verzoeker] heeft aangevoerd over het gestelde oneerlijke proces kan niet tot herziening leiden omdat dit ziet op feiten en omstandigheden die al vóór de uitspraak bij hem bekend waren. Dat wat [verzoeker] daarover heeft aangevoerd zou overigens niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden omdat gesteld en ook niet is gebleken dat hij niet goed is opgeroepen voor de zitting. Voor zover [verzoeker] heeft gesteld dat de uitspraak een grote impact op hem heeft gehad, kan dat niet tot herziening leiden omdat dit geen feit of omstandigheid is die heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak.

3.2.    Uit wat [verzoeker] heeft aangevoerd, volgt vooral dat hij het niet eens is met de uitkomst van de uitspraak waarvan hij herziening vraagt. Het bijzondere rechtsmiddel herziening is niet bedoeld om een partij in de gelegenheid te stellen om het eerder al bij de Afdeling gevoerde debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5799), is een vermeend onjuiste rechtsopvatting geen grond voor herziening, evenmin als veronderstelde rechterlijke misslagen over de gevolgde procedure of de vaststelling van de feiten.

4.       Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Larsson-van Reijsen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

978


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon