Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202301475/1/R3

Uitspraak 202301475/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3801
Datum uitspraak
1 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft de raad van de gemeente Zoeterwoude het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de herbestemming en herontwikkeling van een voormalig agrarisch perceel aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Zoeterwoude mogelijk. Het plan is opgesteld op basis van de mogelijkheden die het besluit Crisis- en herstelwet (Bu Chw) biedt en is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De in het plan voorziene herontwikkeling bestaat uit verschillende ontwikkelingen. Hierover staat in de plantoelichting dat het initiatief inhoudt dat op perceel [locatie 2] de monumentale boerderijwoning wordt gesplitst in twee wooneenheden en dat het voormalige zomerhuis zijn oude functie als zomerhuis weer terugkrijgt. Het zomerhuis wordt uitgebreid en kan op basis van het plan worden gebruikt voor het bedrijfsmatig bieden van logies, maar ook als zomerhuis voor privégebruik. Daarnaast staat in de plantoelichting dat de voormalige varkensschuur gedeeltelijk wordt gesloopt en dat in het overige gedeelte vier logiesverblijven mogelijk worden gemaakt, waarbij het pad naar de Nieuweweg gebruikt zal worden als in- en uitrit voor de logies.
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Zuid-Holland

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202301475/1/R3.
Datum uitspraak: 1 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] ([appellant]), wonend in Zoeterwoude,
appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Zoeterwoude,
2.       het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude,
verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld.

Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het renoveren van de agrarische bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] in Zoeterwoude.

De besluiten zijn met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [partijen] hebben nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 januari 2026, waar [appellant], en het college en de raad, beide vertegenwoordigd door S. Yilmaz en A. Ballantine, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partijen] als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.

Het ontwerpplan is op 8 juni 2022 ter inzage gelegd en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 februari 2021. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het bestemmingsplan maakt de herbestemming en herontwikkeling van een voormalig agrarisch perceel aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Zoeterwoude mogelijk. Het plan is opgesteld op basis van de mogelijkheden die het besluit Crisis- en herstelwet (Bu Chw) biedt en is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De in het plan voorziene herontwikkeling bestaat uit verschillende ontwikkelingen. Hierover staat in de plantoelichting dat het initiatief inhoudt dat op perceel [locatie 2] de monumentale boerderijwoning wordt gesplitst in twee wooneenheden en dat het voormalige zomerhuis zijn oude functie als zomerhuis weer terugkrijgt. Het zomerhuis wordt uitgebreid en kan op basis van het plan worden gebruikt voor het bedrijfsmatig bieden van logies, maar ook als zomerhuis voor privégebruik. Daarnaast staat in de plantoelichting dat de voormalige varkensschuur gedeeltelijk wordt gesloopt en dat in het overige gedeelte vier logiesverblijven mogelijk worden gemaakt, waarbij het pad naar de Nieuweweg gebruikt zal worden als in- en uitrit voor de logies. Tevens wordt de agrarische bedrijfswoning op perceel [locatie 1] omgezet naar een burgerwoning en voor een klein deel uitgebreid.

De omgevingsvergunning heeft alleen betrekking op het verbouwen van de agrarische bedrijfswoning op het perceel [locatie 1].

3.       De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid [appellant]

4.       Het college en [partijen] stellen zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bij de door hem bestreden besluiten. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk verklaard worden, vinden zij.

4.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

4.2.    De Afdeling is van oordeel dat [appellant] als belanghebbende bij het besluit van 19 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan kan worden aangemerkt, omdat hij feitelijke gevolgen kan ondervinden door de in het plan voorziene ontwikkeling. De Afdeling betrekt daarbij dat de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde perceel van [appellant] 66 m bedraagt en dat de in het plan voorziene ontwikkeling onder meer kan leiden tot extra verkeersbewegingen in de directe omgeving van het plangebied. Het voorgaande betekent dat de Afdeling het beroep van [appellant], voor zover zich dat richt tegen het besluit van 19 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan, inhoudelijk zal beoordelen.

Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning

4.3.    Maar [appellant] kan niet als belanghebbende bij het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] worden aangemerkt. De afstand tussen die woning en het dichtstbijzijnde perceel van [appellant] bedraagt 91 m. [appellant] heeft vanuit zijn woning, mede gelet op de tussenliggende begroeiing en bebouwing, nauwelijks zicht op de woning op het perceel [locatie 1]. De Afdeling acht de gevolgen van het zicht op de woning op het perceel [locatie 1] te beperkt om te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. De Afdeling overweegt bovendien dat het beoogde gebruik van de woning op het perceel [locatie 1] na de verlening van de omgevingsvergunning niet zal veranderen, zodat ook geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat [appellant] daardoor gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. Dat betekent dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1].

4.4.    Maar het voorgaande heeft niet tot gevolg dat het beroep van [appellant] tegen het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] niet-ontvankelijk is. De Afdeling baseert dat op het volgende.

In de uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.

De Afdeling stelt vast dat het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en dat [appellant] een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Er bestaat dus geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1].

Toetsingskader bestemmingsplan

5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

5.1.    Omdat in dit geval sprake is van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen op grond van artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Bu Chw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, in het plan verder ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter invulling van maatschappelijke functies. De Afdeling zal daarom ook beoordelen of, voor zover dat aan de orde is, de raad voldoende heeft gemotiveerd dat hij het plan in overeenstemming met de in artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Bu Chw, vermelde criteria heeft vastgesteld.

Beroepsgronden tegen het bestemmingsplan

Plan onzorgvuldig voorbereid

6.       [appellant] betoogt dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Daarover voert [appellant] aan dat de raad de vragen die hij heeft gesteld over de plannen van de initiatiefnemer in zijn brief van 9 november 2020 voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan niet heeft beantwoord. Verder heeft de raad ook het door hem opgevraagde "ja, mits-kompas" (het kompas) niet verstrekt. Gelet daarop heeft [appellant] geen compleet beeld van het plan kunnen krijgen, en daardoor de raad niet alle informatie kunnen geven die de raad nodig heeft om de belangen af te wegen. Daarnaast voert [appellant] hierover aan dat de draagvlakmeting die door de initiatiefnemer bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd, meerdere gebreken bevat en de raad zich daarom niet op die draagvlakmeting heeft mogen baseren.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat een ontwerpplan ter inzage is gelegd, wat betekent dat eenieder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. [appellant] heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt. De raad heeft blijkens de zienswijzennota op die zienswijze, met daarbij de brief van 9 november 2020, gereageerd. De Afdeling is van oordeel dat daarmee is voldaan aan de vereisten van de wettelijke bestemmingsplanprocedure. Daarbij betrekt de Afdeling dat het kompas dat naar aanleiding van dit plan is ingevuld als bijlage 1 bij het ontwerpbesluit is opgenomen en dat er geen verplichting bestaat om de door [appellant] opgevraagde informatie voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan te verstrekken. Het plan is op dit punt dan ook niet in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.

Over de uitgevoerde draagvlakmeting overweegt de Afdeling verder als volgt. [appellant] heeft meerdere redenen aangevoerd waarom de draagvlakmeting volgens hem onzorgvuldig is geweest. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Daarvoor is van belang dat het meten van draagvlak onder omwonenden geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. De wijze waarop het draagvlak is gemeten, heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Bovendien is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Het voorgaande betekent echter niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1586, onder 4.1, vormt draagvlak een aspect van de belangenafweging dat het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan moet betrekken als daarvoor aanleiding is. Dat neemt niet weg dat de raad een eigen verantwoordelijkheid heeft om te beoordelen of een nieuwe ontwikkeling uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. De Afdeling zal hierna bij de beoordeling van de beroepsgronden - voor zover deze daartoe aanleiding geven - toetsen of de raad de belangen van [appellant] als omwonende voldoende heeft onderzocht en betrokken in zijn belangenafweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

Het betoog slaagt niet.

Toepassing van het "Ja, mits-kompas" in de bestemmingsplanprocedure

7.       [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan door de toepassing van het "Ja, mits-kompas" is vastgesteld in strijd met het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Daarover voert hij aan dat het kompas niet voldoet aan de vereisten van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb en dus geen geldige beleidsregel is. Daarom kan het kompas volgens hem niet worden toegepast in de motivering van een besluit. Over het rechtszekerheidsbeginsel voert hij aan dat het kompas niet is gepubliceerd en dus niet beschikbaar is voor eventuele belanghebbenden, die daardoor niet kunnen nagaan welke plannen op basis van het kompas toegestaan zijn. Ook in de bijlagen bij het bestemmingsplan is het kompas niet opgenomen, maar is volstaan met de uitkomsten van de toepassing van het kompas. Daarnaast is het kompas volgens [appellant] inconsequent en willekeurig ingevuld, en bestaan er volgens hem twee verschillende versies van het kompas, die beide een significant andere uitkomst hebben.

7.1.    De Afdeling overweegt dat het kompas geen beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is. Het kompas is namelijk niet een bij besluit vastgestelde algemene regel, maar een vaste gedragslijn. Maar dat betekent niet dat de raad het kompas niet mag toepassen in de motivering van een besluit. Dat het kompas geen beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is, leidt daarom niet tot het oordeel dat het plan in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Awb vastgesteld is.

De Afdeling ziet in wat [appellant] verder heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan door de toepassing van het kompas in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. De raad heeft toegelicht dat bij de toepassing van het kompas aan de hand van het bestaande beleid over de fysieke leefomgeving wordt beoordeeld hoe een plan op zes verschillende thema’s scoort. Daarbij hoeft een plan niet op elk thema positief te scoren, mits het plan een positieve eindscore behaalt. De Afdeling overweegt hierover dat er geen rechtsregel bestaat die zich verzet tegen het gebruik van een dergelijk kompas bij de voorbereiding van het plan. Dat het kompas niet gepubliceerd zou zijn, zoals [appellant] stelt, maakt dat niet anders. Bovendien is in paragraaf 3.4.3 van de plantoelichting beschreven hoe het voorliggende plan op de verschillende thema’s heeft gescoord en heeft de raad het kompas dat voor het voorliggende plan is ingevuld als bijlage 1 bij de plantoelichting opgenomen. Dat betekent dat uitsluitend deze versie van het kompas ten grondslag is gelegd aan het plan dat hier ter beoordeling voorligt. De stelling van [appellant] dat er meerdere versies van het kompas bestaan, wat daar ook van zij, is daarom niet relevant.

Het betoog slaagt niet.

"Ja, mits-kompas" onvoldoende verankerd in het bestemmingsplan

8.       [appellant] betoogt dat het "Ja, mits-kompas" onvoldoende is verankerd in het bestemmingsplan. Hij voert hierover aan dat het kompas integraal in de planregels had moeten worden opgenomen, omdat uit de reactie van de raad op zijn zienswijze blijkt dat de raad het kompas wil gebruiken als toetsingsgrond voor een omgevingsvergunning. Volgens [appellant] wijken de planregels in de huidige vorm echter af van de eisen uit het kompas, waardoor het niet voldoende is om het kompas slechts in de plantoelichting te noemen.

8.1.    De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij heeft beoogd de aspecten van het initiatief die leiden tot een positieve score in het kompas in de planregels te verankeren. Dit blijkt onder meer uit artikel 10.1.3.2, onder a, en artikel 10.1.3.3, onder a en b, van de planregels, waarin is geborgd dat de in hoofdstuk 2 van de planregels mogelijk gemaakte ontwikkeling uitsluitend mag plaatsvinden als ten behoeve van de logiesfunctie laadpalen worden gerealiseerd, de varkensschuur en de silo’s in het plangebied worden gesloopt zoals in bijlage 1 bij de planregels is aangeven, en de parkeerplaatsen in halfverharding worden uitgevoerd.

8.2.    [appellant] heeft zijn betoog dat de planregels afwijken van de eisen in het kompas, niet geconcretiseerd, zodat de Afdeling alleen al daarom geen grond ziet voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze wijze heeft mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Het plan maakt meer mogelijk dan waarvan in de plantoelichting is uitgegaan

9.       [appellant] betoogt dat het plan veel meer mogelijk maakt dan waar de raad in de plantoelichting van is uitgegaan. Hierover voert hij aan dat in de plantoelichting alleen wordt uitgegaan van de voorgenomen plannen van de initiatiefnemer op de percelen [locatie 1] en [locatie 2], terwijl op grond van de planregels ook andere ontwikkelingen mogelijk zijn. In het bijzonder wijst [appellant] erop dat het plan volgens hem een kleiner aantal grote groepsaccomodaties in plaats van de vier logiesverblijven en het gebruik van de logiesverblijven voor opvang van asielzoekers, huisvesting van arbeidsmigranten of zelfstandige bewoning mogelijk maakt. Ook sluit het plan volgens [appellant] ten onrechte niet uit dat er na kadastrale splitsing van percelen extra woningen in het plangebied gebouwd kunnen worden.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat het plan de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - woningen toegestaan" alleen aan de gronden van de voormalige bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] en de monumentale boerderijwoning op het perceel [locatie 2] toekent. Met maatvoeringen is het aantal wooneenheden begrensd op één in de voormalige bedrijfswoning en twee in de monumentale boerderijwoning.

Verder is de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - logies" alleen aan de gronden van het zomerhuis en de voormalige varkensstal toegekend. Daarbij is met maatvoeringen bepaald dat in het zomerhuis maximaal één en in de voormalige varkensstal maximaal vier recreatieve eenheden toegestaan zijn. Het begrip "logies" is in artikel 1.30 van de planregels gedefinieerd als "het verstrekken van gelegenheid tot overnachting als toeristisch-recreatieve voorziening en ondergeschikt aan de woonfunctie".

9.2.    De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op dit punt gebrekkig is gemotiveerd, omdat het plan meer mogelijk zou maken dan waarvan in de plantoelichting is uitgegaan. Uit de definitie van "logies" volgt dat logies een toeristisch-recreatieve voorziening is. Gelet op die definitie is in de logiesverblijven de opvang van asielzoekers, de huisvesting van arbeidsmigranten en zelfstandige bewoning uitgesloten. Dat gebruik valt namelijk niet onder een toeristisch-recreatieve voorziening.

Over het aantal logiesverblijven overweegt de Afdeling verder dat het plan er weliswaar niet aan in de weg staat dat in plaats van vier kleinere logiesverblijven, één groot logiesverblijf gerealiseerd wordt, maar dat geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in een grotere ruimtelijke impact heeft dan waarvan de raad is uitgegaan. Daarbij betrekt de Afdeling de toelichting van de raad op de zitting dat het klopt dat er minder dan vier grotere verblijfseenheden gerealiseerd kunnen worden, maar dat dat volgens de raad niet per definitie leidt tot nadelige gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling van de logiesverblijven, omdat de maximaal toegestane oppervlakte aan logiesverblijven gelijk blijft en het ook mogelijk is dat vier verschillende logiesverblijven gelijktijdig aan één grote groep verhuurd worden. Bovendien heeft [appellant] niet onderbouwd waarom de omstandigheid dat het plan niet uitsluit dat in de voormalige varkensstal één groot logiesverblijf wordt gerealiseerd, voor hem wél nadelige gevolgen zou hebben.

Ook volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn standpunt dat op grond van het plan niet is uitgesloten dat er na kadastrale splitsing van de percelen extra woningen in het plangebied kunnen worden gebouwd. Gelet op artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels staat het plan uitsluitend woningen toe ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - woningen toegestaan" en dat met maatvoeringen grenzen zijn gesteld aan het aantal wooneenheden dat ter plaatse van die functieaanduidingen is toegestaan. Dat betekent dat in het plangebied maximaal drie wooneenheden zijn toegestaan, namelijk één op het perceel [locatie 1] en twee op het perceel [locatie 2]. Een eventuele kadastrale splitsing van de percelen in het plangebied heeft geen gevolgen voor dit maximum aan het aantal toegestane wooneenheden.

Het betoog slaagt niet.

Bestemming woning op het perceel [locatie 1] onbegrijpelijk

10.     [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woning op het perceel [locatie 1] de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - voormalig agrarisch bedrijfscomplex" heeft gekregen. Hij voert daarover aan dat de woning geen voormalig agrarisch bedrijvencomplex is, maar een burgerwoning met een garage. Verder staat het plan volgens [appellant] op het perceel [locatie 1] ten onrechte een maximum bebouwd oppervlak van 210 m2 toe. Omdat geen sprake is van een voormalig agrarisch bedrijvencomplex, had de raad voor deze woning aansluiting moeten zoeken bij de standaard die in het plan is opgenomen voor het maximaal toegestane bebouwd oppervlak, aldus [appellant]. Tot slot staat het plan volgens hem ten onrechte toe dat bebouwingsoppervlak dat op het perceel [locatie 2] wordt gesaneerd, wordt ingezet voor nieuwbouw op het perceel [locatie 1].

10.1.  De Afdeling stelt vast dat het plan voorziet in een bouwvlak op de gronden van de woning op het perceel [locatie 1]. Aan diezelfde gronden kent het plan onder meer de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - voormalig agrarisch bedrijfscomplex" en de maatvoering "maximum bebouwd oppervlak: 210 m2" toe.

10.2.  De raad heeft toegelicht dat hij deze aanduiding aan de woning heeft toegekend omdat het voorheen geldende bestemmingsplan aan de woning geen woonbestemming, maar een agrarische bestemming toekende. Over het maximum bebouwd oppervlak heeft de raad toegelicht dat voor voormalige bedrijfswoningen als deze volgens hem andere bouwregels gelden dan voor burgerwoningen, omdat de daarbij horende opstallen vaak een groter oppervlak beslaan dan het normaal gesproken maximaal toegestane oppervlak van 50 m2 voor bijgebouwen. Verder staat in paragraaf 2.2 van de plantoelichting over het maximum bebouwd oppervlak van 210 m2 dat dat maximum overeenkomt met het oppervlakte van de bestaande bebouwing, met inachtneming van de voorgenomen uitbreidingen aan de voormalige bedrijfswoning.

10.3.  [appellant] heeft deze toelichting van de raad niet weersproken en ook anderszins geen redenen aangevoerd waarom de raad desondanks aan de woning op het perceel [locatie 1] niet redelijkerwijs de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - voormalig agrarisch bedrijfscomplex" met de daarbij horende bouwmogelijkheden heeft kunnen toekennen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een maximaal bebouwd oppervlak van 210 m2 op het perceel [locatie 1] redelijkerwijs niet aanvaardbaar heeft mogen achten, dan wel had moeten waarborgen dat gesaneerd bebouwingsoppervlak op het perceel [locatie 2] niet mag worden ingezet voor nieuwbouw op het perceel [locatie 1].

Het betoog slaagt niet.

Artikel 3.1 van de planregels onvoldoende duidelijk

11.     [appellant] betoogt dat artikel 3.1 van de planregels onvoldoende duidelijk is. Hierover voert hij aan dat het woord "tevens" in artikel 3.1, aanhef en onder g, van de planregels erop duidt dat er, naast het bedrijfsmatig bieden van logies, ook andere functies toegestaan zijn. Volgens [appellant] is niet duidelijk waarom de raad in artikel 3.1, aanhef en onder g, van de planregels heeft gekozen voor het woord "tevens", terwijl de raad in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels voor "uitsluitend" heeft gekozen. Verder wijst [appellant] erop dat het plan er niet aan in de weg staat dat de voormalige varkensstal voor privédoeleinden gebruikt wordt. Volgens hem heeft de raad niet gemotiveerd waarom dat aanvaardbaar is.

11.1.  De Afdeling is van oordeel dat artikel 3.1, onder g, van de planregels op zichzelf voldoende duidelijk is. Het woord "tevens" in artikel 3.1, onder g, van de planregels duidt erop dat op gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - logies", naast de in artikel 3.1, aanhef en onder b, c en e, van de planregels beschreven vormen van gebruik die op grond van het plan op alle gronden met de bestemming "Wonen" zijn toegestaan, ook het bedrijfsmatig bieden van logies is toegestaan.

Verder overweegt de Afdeling dat [appellant] weliswaar terecht stelt dat op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, c en e, van de planregels niet is uitgesloten dat de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - logies", zoals de gronden van de voormalige varkensstal, voor privédoeleinden gebruikt kunnen worden, maar dit betekent niet dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid. Een bestemmingsplan gaat immers uit van toelatingsplanologie. Dat betekent in dit geval dat het plan mogelijk maakt dat de voormalige varkensstal wordt gebruikt voor het bieden van logies, maar dat het plan dat gebruik niet verplicht. [appellant] heeft verder niet geconcretiseerd waarom de raad privégebruik redelijkerwijs niet aanvaardbaar heeft mogen achten.

Het betoog slaagt niet.

Maatvoering logiesverblijven

12.     [appellant] betoogt dat in artikel 3.2, aanhef en onder e, van de planregels ten onrechte geen aparte maatvoering voor logiesverblijven is opgenomen. Hij voert hierover aan dat een logiesverblijf geen woning, aanbouw, uitbouw of bijgebouw is, terwijl alleen daarvoor in artikel 3.2, aanhef en onder e, van de planregels maatvoeringen zijn opgenomen. Daarbij wijst [appellant] er onder verwijzing naar verschillende uitspraken van de Afdeling op dat er omstandigheden mogelijk zijn, bijvoorbeeld na kadastrale splitsing van percelen, waarin de gebouwen waarin de logiesverblijven gerealiseerd mogen worden, niet langer als bijgebouw aangemerkt worden.

12.1.  De Afdeling stelt vast dat artikel 3.2, aanhef en onder e, van de planregels is voorzien in maximale bouwhoogten voor woningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, erf- of terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In artikel 1.27 van de planregels is het begrip "hoofdgebouw" gedefinieerd als "een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken".

Het begrip "bijgebouw" is in artikel 1.23 van de planregels gedefinieerd als "een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw".

Zoals de Afdeling hiervoor al heeft overwogen, is het begrip "logies" in artikel 1.30 van de planregels gedefinieerd als "het verstrekken van gelegenheid tot overnachting als toeristisch-recreatieve voorziening en ondergeschikt aan de woonfunctie".

12.2.  De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat in artikel 3.2, aanhef en onder e, van de planregels ten onrechte geen aparte maatvoering voor logiesverblijven is opgenomen. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

Op grond van de bestemmingsomschrijving in artikel 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn qua bebouwing alleen woningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Uit die bestemmingsomschrijving, bezien in samenhang met de functieaanduidingen op de verbeelding, volgt dat het plan het bieden van logies uitsluitend in bijgebouwen toestaat. Daarnaast volgt uit de definitie van "logies" dat het bieden van logies uitsluitend ondergeschikt aan de woonfunctie is toegestaan. Het bieden van logies alleen dus is toegestaan in een bijgebouw op een bouwperceel waarop het hoofdgebouw een woning is. Voor bijgebouwen zijn in het plan maximaal toegestane bouwhoogten opgenomen. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in artikel 3.2, aanhef onder e, van de planregels een aparte maatvoering voor logiesverblijven had moeten opnemen.

Over de door [appellant] geschetste situatie waarin de gebouwen waarin het plan het bieden van logies toestaat, door omstandigheden - zoals de kadastrale splitsing van percelen - niet langer als bijgebouw aangemerkt moeten worden, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling hiervoor heeft geconcludeerd, is het bieden van logies in een vrijstaand gebouw dat geen woning, maar wel het hoofdgebouw op het bouwperceel is, in strijd met het bestemmingsplan. De uitspraken waarnaar [appellant] verwijst, maken dat niet anders. Als die situatie zich toch zou voordoen, is dat een kwestie van handhaving.

Het betoog slaagt niet.

Artikel 10 van de planregels rechtsonzeker

13.     [appellant] betoogt dat artikel 10 van de planregels onvoldoende rechtszekerheid biedt, omdat niet duidelijk is waar in artikel 10 van de planregels met "hoofdstuk 2" naar wordt verwezen. Volgens [appellant] kan hiermee zowel worden verwezen naar de bestemmingsregels in hoofdstuk 2 van de planregels, waar volgens hem niet duidelijk is gemaakt wat de ontwikkelingen betreffen, als naar hoofdstuk 2 van de plantoelichting.

13.1.  In artikel 10 van de planregels zijn voorwaarden opgenomen voor de ontwikkeling van de gronden als bedoeld in hoofdstuk 2.

13.2.  De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 10 van de planregels in strijd is met de rechtszekerheid. Het is voldoende duidelijk dat "hoofdstuk 2" in artikel 10 van de planregels verwijst naar hoofdstuk 2 van de planregels, zoals de raad heeft beoogd. Daarnaast ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in hoofdstuk 2 van de planregels onvoldoende duidelijk is omschreven welke ontwikkelingen het plan mogelijk maakt. [appellant] heeft niet geconcretiseerd waarom dat het geval zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Aanduiding logiesfunctie voormalige varkensstal te groot

14.     [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte toestaat dat de gronden van het te slopen deel van de voormalige varkensstal worden bebouwd en gebruikt ten behoeve van het bedrijfsmatig bieden van logies, terwijl de raad dat volgens hem niet beoogd heeft.

14.1.  De Afdeling stelt vast dat het plan de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - logies" aan het volledige oppervlak van de voormalige varkensstal toekent. Dat betekent dat het plan het bedrijfsmatig bieden van logies ook toestaat op de gronden van het deel van de varkensstal dat volgens bijlage 1 bij de planregels gesloopt moet worden.

14.2.  De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij met het plan heeft beoogd mogelijk te maken dat een deel van de voormalige varkensstal wordt gesloopt en dat het resterende deel van de voormalige varkensstal wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig bieden van logies. Omdat het plan niet alleen aan de gronden van het deel van de voormalige varkensstal dat behouden blijft, maar aan de gronden van de gehele voormalige varkensstal de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - logies" toekent, is het oppervlak waarop het plan het bedrijfsmatig bieden van logies mogelijk maakt, groter dan de raad beoogd heeft. Op de zitting heeft de raad erkend dat dit bij de vaststelling van het plan niet de bedoeling is geweest. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Awb is voorbereid.

Het betoog slaagt.

Tweede ontsluitingsweg in strijd met het beeldkwaliteitplan

15.     [appellant] betoogt dat de in het plan opgenomen mogelijkheid voor een tweede uitrit in strijd is met richtlijn 6.4F van het "Beeldkwaliteitplan landelijk gebied Zoeterwoude" (het beeldkwaliteitplan). In dat verband wijst [appellant] op de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4041, en 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1815, waar richtlijn 6.4F van het beeldkwaliteitplan ook aan de orde was. Het plan is in strijd met artikel 4:84 van de Awb vastgesteld, vindt [appellant].

15.1.  De Afdeling stelt vast dat in richtlijn 6.4F van het beeldkwaliteitplan is bepaald dat bij de eenduidigheid van een erf in het buitengebied één toegangsweg hoort en dat dat ook geldt voor erven waarop kamperen bij de boer of nieuwe woningen mogelijk gemaakt worden.

15.2.  In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting heeft de raad onderkend dat het plan voor wat betreft de beoogde nieuwe ontsluiting niet voldoet aan richtlijn 6.4F van het beeldkwaliteitplan. Desondanks acht de raad het in dit geval aanvaardbaar om in afwijking van het beeldkwaliteitplan een tweede toegangsweg toe te staan. De raad heeft daarover in de zienswijzennota en in zijn verweerschrift toegelicht dat door de aanleg van de tweede ontsluitingsweg wordt voorkomen dat de Weipoortseweg aan de voorzijde van het perceel extra wordt belast. Dit is volgens de raad wenselijk omdat de Weipoortseweg ter hoogte van het plangebied erg smal en daardoor mogelijk gevaarlijk is.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarmee voldoende gemotiveerd waarom hij het plan in afwijking van het beeldkwaliteitplan heeft vastgesteld. [appellant] heeft de toelichting van de raad niet weersproken. Ook de uitspraken van de Afdeling waar [appellant] in het kader van zijn betoog over het beeldkwaliteitplan naar verwijst, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarin is namelijk geoordeeld dat geen sprake was van een tweede toegangsweg. Daaruit kan niet worden afgeleid dat een plan met een extra toegangsweg vanwege het beeldkwaliteitsplan niet mag worden vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Afwijkingsbevoegdheid gebrekkig gemotiveerd

16.     [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 8, aanhef en onder c, van de planregels, die voorziet in de mogelijkheid om in afwijking van het plan een telefoonmast met een maximale hoogte van 15 m te bouwen, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hij wijst daarbij op de uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3483, onder 7.3, waaruit volgens hem volgt dat de raad in de voorbereiding van het plan van alle afwijkingsbevoegdheden moet motiveren waarom die afwijkingsbevoegdheid strookt met een goede ruimtelijke ordening. Dit klemt volgens hem te meer omdat de in artikel 8 van de planregels geformuleerde weigeringsgrond volgens hem de enige weigeringsgrond is en die bovendien erg beperkt is, waardoor de kans groot is dat de afwijkingsbevoegdheid gebruikt zal worden.

16.1.  De Afdeling stelt vast dat artikel 8 van de planregels algemene afwijkingsbevoegdheden bevat, waaronder een afwijkingsbevoegdheid voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de telecommunicatie, mits deze voorzieningen van geringe horizontale afmeting zijn en mits de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt. Deze afwijkingsbevoegdheid heeft geen betrekking op een specifieke locatie.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3945, onder 6, kan de raad bij dergelijke afwijkingsbevoegdheden in beginsel volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Belanghebbenden kunnen tegen de toepassing in het concrete geval van deze afwijkingsbevoegdheid rechtsmiddelen aanwenden. Anders dan [appellant] veronderstelt, moet het college de gevraagde vergunning niet verlenen als is voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van de afwijkbevoegdheid in artikel 8 van de planregels is voldaan, maar heeft hij beleidsruimte om te beslissen op de aanvraag waarbij ook de gevolgen voor de omgeving worden betrokken.

Het voorgaande betekent dat er, naast de in artikel 8 van de planregels geformuleerde weigeringsgrond, andere gronden bestaan waarop het college kan weigeren toepassing te geven aan deze afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling is van oordeel dat de raad dit in zijn afweging bij de totstandkoming van het plan heeft mogen betrekken.

Het betoog slaagt niet.

Beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning

Ander plan vergund dan voorgelegd

17.     [appellant] betoogt dat de initiatiefnemers tijdens de participatie een ander plan hebben voorgelegd dan het plan waarvoor het college de omgevingsvergunning heeft verleend. Hierover voert hij aan dat tijdens de participatie alleen het complete plan voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is voorgelegd, terwijl de omgevingsvergunning slechts betrekking heeft op het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1].

17.1.  De Afdeling stelt voorop dat het college moest beslissen op grondslag van de aanvraag zoals deze is ingediend en die alleen betrekking heeft op het renoveren van de woning. Verder stelt de Afdeling, zoals hiervoor onder 4.4 overwogen, vast dat het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid. Niet is gebleken dat de in de voorbereiding van het besluit niet op juiste wijze toepassing is gegeven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. De omstandigheid dat voorafgaand aan de terinzagelegging in de participatie een ander plan is voorgelegd, wat daar van zij, maakt dat niet anders. De fase voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning maakt namelijk geen deel uit van de wettelijke voorbereidingsprocedure.

Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning

18.     [appellant] heeft daarnaast tegen het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] nog beroepsgronden aangevoerd die gaan over dat het bestemmingsplan gebrekkig is, dat de vergunde bouwactiviteiten op het perceel [locatie 1] ten onrechte worden gecompenseerd met sanering op het perceel [locatie 2], de maatschappelijke haalbaarheid van de omgevingsvergunning en dat het college ten onrechte heeft nagelaten bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

18.1.  Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

18.2.  Bij de beantwoording van de vraag of voor de hiervoor genoemde beroepsgronden geldt dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit omdat artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat, is van belang vast te stellen of het beroep strekt tot de bescherming van de belangen waarvoor [appellant] in rechte op kan komen.

Daarbij wordt vooropgesteld dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt. Zie daarvoor ook de uitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.8. Dit betekent dat indien een niet-belanghebbende zoals [appellant] een zienswijze heeft ingediend het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat bij een door hem ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak.

Voor zover hij een beroep heeft gedaan op een procedurele norm of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur die geen betrekking hebben op inspraak, of wanneer hij heeft aangevoerd dat in strijd met een materiële norm is gehandeld, staat de relativiteit wél in de weg aan vernietiging als die norm niet strekt tot bescherming van de daarmee te behartigen belangen.

18.3.  Ten aanzien van iemand die niet-belanghebbende is, zoals [appellant], maar wel een zienswijze heeft ingediend, staat het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg bij een door hem ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak. De Afdeling overweegt dat de onder 18 aangeduide beroepsgronden niet gaan over een recht op inspraak en dat de normen waarop [appellant] zich in de onderbouwing van de beroepsgronden beroept, ook anderszins niet zijn te herleiden tot de belangen waarvoor hij in het kader van zijn beroep tegen het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] kan opkomen. Daarbij betrekt de Afdeling, zoals zij hiervoor onder 4.3 heeft overwogen, dat het belang van [appellant] niet rechtstreeks is betrokken bij het besluit om de omgevingsvergunning voor verbouwing van de woning.

Gelet op het voorgaande staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het besluit van 19 januari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor het renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] naar aanleiding van de hiervoor onder 18 aangeduide beroepsgronden. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.

Conclusie

19.     Gelet op wat onder 14.2 is overwogen, is het besluit van de raad van 19 februari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.

20.     De Afdeling ziet aanleiding om de raad met het oog op een spoedige beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak het onder 14.2 geconstateerde gebrek te herstellen. De raad kan dit doen door in het plan alsnog te borgen dat de gronden van het te slopen deel van de voormalige varkensstal niet mogen worden bebouwd en gebruikt ten behoeve van het bedrijfsmatig bieden van logies, zoals hij ten tijde van de planvaststelling bedoeld heeft, dan wel alsnog te motiveren waarom de raad het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wél aanvaardbaar acht dat deze gronden opnieuw bebouwd zullen worden en dat deze gronden worden gebruikt voor het bedrijfsmatig bieden van logies.

21.     Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.

22.     De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mededelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken.

Proceskosten, griffierecht en verzoek om schadevergoeding

23.     In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht, alsmede over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Zoeterwoude op om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 20 het daar omschreven gebrek te herstellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.

w.g. Van Ravels
voorzitter

w.g. Buskermolen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026

896-1117

BIJLAGE

Bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]"

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

[…]

1.23 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

[…]

1.27 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

[…]

1.30 logies

het verstrekken van gelegenheid tot overnachting als toeristisch-recreatieve voorziening en ondergeschikt aan de woonfunctie.

1.31 logiesverblijf

Een (deel van een) bouwwerk waarin bedrijfsmatig recreatief verblijf wordt verschaft aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben.

[…]

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - woningen toegestaan’ waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan op de verbeelding aangeduid;

b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

c. met de daarbij behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, (ontsluitings)wegen en laad- en losvoorzieningen;

[…]

alsmede voor:

e. ontsluiting van aangrenzende agrarische percelen;

f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-voormalig agrarisch bedrijfscomplex': tevens een voormalig agrarisch bedrijf;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - logies', tevens bestemd voor het bedrijfsmatig bieden van logies waarbij het aantal verblijfseenheden niet meer mag bedragen dan op de verbeelding aangeduid;

h. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': tevens het behoud en de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden, gelet op het herkenbaar houden van de ruimtelijke structuur van kavels, behoud van de bescheiden maat en schaal van de historische bebouwing, behoud van de bestaande breedte en opbouw van het profiel en beplanting van wegen en waterlopen en het behoud van de monumentale bebouwing en elementen als bruggen.

3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

[…]

d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-voormalig agrarisch bedrijfscomplex' geldt het volgende:

1. het bebouwd oppervlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m²)' is aangegeven;

2. nieuwbouw is in geen geval toegestaan;

3. van het bepaalde onder 2 kan worden afgeweken, indien voormalige agrarische bebouwing wordt gesaneerd, waarna 50% van het voormalige bebouwingsoppervlak terug gebouwd mag worden;

e. overigens geldt het volgende:

[…]

3.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

[…]

b. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning is niet toegestaan.

[…]

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds een omgevingsvergunning kan worden verleend - afwijken van de regels voor:

[…]

c. de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de telecommunicatie, mits deze voorzieningen van geringe horizontale afmeting zijn en mits de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt.

Omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

[…]

Artikel 10 Overige regels

10.1 Verbrede reikwijdte

10.1.1 Algemeen

De ontwikkeling van de gronden als bedoeld in hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien:

a. de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' is beoordeeld door de dorpsbouwmeester aan het door de raad vastgestelde beleid;

b. het initiatief past binnen het landschappelijke karakter van het gebied;

c. de maatschappelijke haalbaarheid van het plan wordt onderbouwd aan de hand van een verslag van de communicatie met de omgeving.

10.1.2 Regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit

10.1.2.1 Beeldkwaliteit en welstand

De ontwikkeling van de gronden als bedoeld in hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien:

a. behoud van bestaande patronen en structuren;

b. sprake is van traditionele bouwmaterialen en een terughoudende kleurstelling.

10.1.3 Regels met betrekking tot duurzaamheid

10.1.3.1 Bouw

De ontwikkeling van de gronden als bedoeld in hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien:

a. voor de gebouwen met de aanduidingen 'karakteristiek' en 'specifieke vorm van wonen - logies' bij verbouw uitgegaan wordt van een hogere score dan de eisen van het bouwbesluit voor bestaande bouw.

10.1.3.2 Mobiliteit

De ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de logiesfunctie als bedoeld in hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien:

a. laadpalen worden gerealiseerd ten behoeve van de logiesfunctie

10.1.3.3 Klimaatadaptatie

De ontwikkeling van de gronden als bedoeld in hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien:

a. de varkensschuur (98 m²) en de twee silo's (40 m²) worden gesloopt, zoals aangegeven in bijlagen bij de regels bijlage 1;

b. de parkeerplaatsen uitgevoerd worden in halfverharding (bijv. grasstenen, grind, gravel en/of split).

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon