Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406284/2/A3

Uitspraak 202406284/2/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2662
Datum uitspraak
12 juni 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam drie documenten openbaar gemaakt over de wegversmalling van de [locatie]. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet heeft kunnen vaststellen dat het beroepschrift daadwerkelijk door de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B], [gemachtigde], is ingediend. Het beroep is volgens de rechtbank ook niet-ontvankelijk, omdat [appellant A] en [appellant B] misbruik hebben gemaakt van hun recht zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Volgens de rechtbank hebben zij [gemachtigde] alleen als gemachtigde in de stukken genoemd om een proceskostenvergoeding voor professioneel verleende rechtsbijstand te kunnen claimen. Omdat sprake is van misbruik van recht, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Vereenvoudigde behandeling
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406284/2/A3.
Datum uitspraak: 12 juni 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant A] (hierna: [appellant A]), gevestigd in Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, en [appellant B], wonend in Amsterdam,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024 in zaak nr. 23/3047 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het college drie documenten openbaar gemaakt over de wegversmalling van de [locatie].

Bij besluit van 13 april 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet heeft kunnen vaststellen dat het beroepschrift daadwerkelijk door de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B], [gemachtigde], is ingediend. Het beroep is volgens de rechtbank ook niet-ontvankelijk, omdat [appellant A] en [appellant B] misbruik hebben gemaakt van hun recht zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Volgens de rechtbank hebben zij [gemachtigde] alleen als gemachtigde in de stukken genoemd om een proceskostenvergoeding voor professioneel verleende rechtsbijstand te kunnen claimen.

Omdat sprake is van misbruik van recht, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

2.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij door [gemachtigde] rechtsgeldig vertegenwoordigd zijn bij de rechtbank. [gemachtigde] verrichtte zijn werkzaamheden voor [bedrijf], een juridisch adviesbureau van de bestuurder van [appellant A]. [bedrijf] heeft met [gemachtigde] afgesproken dat hij alleen het schriftelijke gedeelte van de procedure zou doen, zodat hij niet naar de zitting van de rechtbank is gekomen. Van misbruik van recht is dus geen sprake, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.       De Afdeling heeft al eerder geoordeeld dat [appellant A] misbruik maakt van het recht om hoger beroep in te stellen (zie de uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4722) en het recht om een verzoek in te dienen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (zie de uitspraak van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2135, en de uitspraken van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4723 en ECLI:NL:RVS:2023:4724). In die uitspraken wijst de Afdeling op een patroon van het handelen van [appellant A] dat erop gericht is om geld te verdienen aan procedures zonder dat het haar te doen is om de inhoud van de besluitvorming.

De Afdeling heeft ook nog recentelijk in de uitspraak van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:542) geoordeeld dat [appellant A] en [appellant B] in de daar voorliggende zaken (hoger) beroep hebben ingesteld met kennelijk als doel om geld te verdienen aan de procedures. Daarmee hebben zij misbruik gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen.

4.       De Afdeling onderschrijft in deze zaak het oordeel van de rechtbank dat [appellant A] en [appellant B] kennelijk als doel hebben om geld te verdienen aan de procedure. Voor een nadere motivering wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling. De rechtbank mocht het beroep al om die reden niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van recht.

De vragen of het beroepschrift rechtsgeldig is ingediend en of [appellant A] en [appellant B] misbruik hebben gemaakt van hun recht zich te laten vertegenwoordigen, behoeven daarom geen beantwoording. De Afdeling wijst er in dit verband wel op dat zij in de uitspraak van 12 februari 2025 gelijksoortige vragen heeft gesteld over [gemachtigde] als de rechtbank in deze zaak. De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat zodanig ernstige vraagtekens bij de werkzaamheden van [gemachtigde] kunnen worden geplaatst dat hij niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de Afdeling de gestelde afspraak tussen [bedrijf] en [gemachtigde] betrokken. Dat betekent dat [appellant A] en [appellant B] voor de werkzaamheden van [gemachtigde] hoe dan geen proceskostenvergoeding zouden ontvangen.

5.       Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vries-Biharie
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025

611


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon