Uitspraak 202003212/1/A3


Volledige tekst

202003212/1/A3.
Datum uitspraak: 27 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Truck Care Amsterdam C.V. (hierna: TCA), gevestigd te Amsterdam,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2020 in zaak nrs. 19/5041 en 19/5042 in de gedingen tussen:

TCA

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2018 heeft het college aan de onbekende eigenaar van een oplegger een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege onrechtmatige stalling daarvan op de Anderlechtlaan te Amsterdam.

Bij besluit van 3 januari 2019 heeft het college TCA een last onder dwangsom opgelegd die inhoudt dat een truck en een truck met oplegger die onrechtmatig geparkeerd staan naast het terrein van het voormalige openbaar parkeerterrein van het sportpark Sloten te Amsterdam moeten worden weggehaald.

Bij besluit van 1 maart 2019 heeft het college de besluiten van 27 december 2018 en 3 januari 2019 ingetrokken en meegedeeld dat TCA de voertuigen tot 1 mei 2019 mag laten staan op de Anderlechtlaan en naast het parkeerterrein van sportpark Sloten.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 13 augustus 2019 heeft het college de door TCA tegen de besluiten van 27 december 2018, 3 januari 2019 en 1 maart 2019 gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 21 januari 2020 heeft het college de besluiten van 13 augustus 2019 ingetrokken en de door TCA tegen de besluiten van 27 december 2018, 3 januari 2019 en 1 maart 2019 gemaakte bezwaren gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2020 heeft de rechtbank het college in zaaknummer 19/5041 veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 30,-. In zaaknummer 19/5042 heeft de rechtbank het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft TCA hoger beroep ingesteld.

TCA heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2023, waar TCA, vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, is verschenen.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De zaak is door een enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Nadat het college bij de twee afzonderlijke besluiten van 21 januari 2020 de besluiten van 13 augustus 2019 had ingetrokken, de bezwaren van TCA tegen de besluiten van 27 december 2018, 3 januari 2019 en 1 maart 2019 gegrond had verklaard en een vergoeding van de proceskosten had toegekend aan TCA, heeft TCA de ingestelde beroepen bij brieven van 7 februari 2020 ingetrokken. Daarbij heeft TCA de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de kosten die zij redelijkerwijs in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken, zoals door haar aangegeven op het formulier ‘opgave proceskosten’. De rechtbank heeft vervolgens zoals hierboven al vermeld in zaaknummer 19/5041 een proceskostenveroordeling ten laste van het college uitgesproken van € 30,-. In zaaknummer 19/5042 heeft de rechtbank het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten afgewezen.

Hoger beroep

2.       In hoger beroep betoogt TCA dat de rechtbank ten onrechte alleen verletkosten heeft toegekend. Volgens TCA had de rechtbank ook de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten toekennen. Daarnaast heeft het college volgens TCA een te lage vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend. Het college heeft een bedrag van € 512,- toegekend, terwijl dit bedrag € 525,- had moeten zijn volgens TCA. De rechtbank heeft dat volgens TCA niet onderkend. Verder heeft TCA verzocht om te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden dat zij in hoger beroep heeft moeten betalen. Ook heeft TCA verzocht om een proceskostenvergoeding in de verzetprocedure die zij bij de Afdeling heeft gevoerd in zaaknummer 202003212/1/A3.

Oordeel van de Afdeling

3.       De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

3.1.    Op grond van artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk  Wetboek kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen voor zover hij deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond van artikel 15 van hetzelfde boek vindt artikel 13 toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, brengen deze artikelen met zich dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van een bevoegdheid omvat en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van dat rechtsmiddel.

3.2.    De Afdeling is van oordeel dat TCA in dit geval misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.

3.3.    In de eerste plaats is het college naar aanleiding van de door TCA gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 27 december 2018, 3 januari 2019 en 1 maart 2019 volledig tegemoet gekomen aan de inhoudelijke wensen van TCA. TCA heeft ruim de tijd gekregen om onrechtmatig geparkeerde voertuigen te verwijderen. Zij heeft enkel rechtsmiddelen aangewend, omdat volgens haar het college in eerste instantie ten onrechte geen vergoeding van gemaakte kosten in bezwaar had toegekend. Deze kosten zijn met het besluit van 21 januari 2020 alsnog vergoed. Omdat het college naar de mening van TCA bij de besluiten van 21 januari 2020 een te laag bedrag heeft toegekend voor de gemaakte kosten in bezwaar en er geen andere inhoudelijke gronden van beroep waren, had het voor de hand gelegen om, alvorens beroep in te stellen, contact op te nemen met het college om het de gelegenheid te bieden een eventuele fout te herstellen. Nadat het college bij besluiten van 21 januari 2020 alsnog een vergoeding voor de kosten van bezwaar heeft toegekend aan TCA, heeft TCA het bij de rechtbank ingestelde beroep ingetrokken en enkel verzocht om vergoeding van verletkosten. Zij heeft in de brieven van 7 februari 2020 niet vermeld dat de toegekende vergoeding van proceskosten in bezwaar volgens haar te laag was. De rechtbank heeft de gevraagde vergoeding voor verletkosten toegekend, zodat geen sprake meer was van een juridisch inhoudelijk geschil. Het is TCA in hoger beroep dus niet te doen om de inhoud van het besluit van het college.

3.4.    In de tweede plaats heeft TCA in een nader stuk van 9 juni 2023 verzocht te bepalen dat het college het griffierecht dat zij in hoger beroep heeft betaald moet vergoeden. Ter zitting is besproken dat een beroep op betalingsonmacht is toegekend en TCA dus geen griffiegeld hoefde te betalen. Weliswaar heeft TCA ter zitting verklaard dat dit verzoek op een vergissing berust, maar de Afdeling acht dit niet geloofwaardig. Daarvoor is het volgende van belang. TCA heeft in verschillende procedures een beroep gedaan op betalingsonmacht. In gevallen waarin dat niet werd toegekend heeft TCA verzetprocedures gevoerd tegen uitspraken waarin haar (hoger) beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van griffierechten, met een beroep op betalingsonmacht. Bovendien heeft TCA ook in een andere zaak waarin de Afdeling vandaag uitspraak doet (ECLI:NL:RVS:2023:4723) gevraagd om een vergoeding van griffierechten die niet waren betaald. Ook heeft TCA in het nadere stuk van 9 juni 2023 verzocht in deze procedure de kosten vergoed te krijgen van haar verzetprocedure waarin de Afdeling op 8 september 2021 in zaaknummer 202003212/3/A3 uitspraak heeft gedaan. TCA had dat in die procedure moeten doen. Dit past in een patroon van het handelen van TCA dat erop is gericht om geld te verdienen aan deze en andere procedures, zonder dat het haar te doen is om de inhoud van de besluitvorming.

3.5.    Uit het vorenstaande blijkt dat TCA de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen evident voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Dit is voldoende reden om het hoger beroep van TCA niet-ontvankelijk te verklaren. Hier komt bij dat de handelwijze van TCA en haar gemachtigde in deze zaak niet op zichzelf staat, maar een patroon laat zien. De Afdeling heeft hoger beroepen van TCA en haar gemachtigden vaker niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht. De Afdeling wijst daarbij op de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4185, 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4310, en 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3817. Ook in twee andere zaken waarin de Afdeling vandaag uitspraak doet (ECLI:NL:RVS:2023:4723) en ECLI:NL:RVS:2023:4724) worden hoger beroepen van TCA niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht.

3.6.    Gelet op het voorgaande heeft TCA misbruik gemaakt van procesrecht om hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep is daarom niet‑ontvankelijk.

Verzoek om schadevergoeding

4.       TCA heeft ook verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2206, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan een half jaar heeft geduurd, de fase bij de rechtbank onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan anderhalf jaar heeft geduurd en de fase in hoger beroep onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan twee jaar heeft geduurd. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

4.2.    TCA heeft op 7 februari 2019 en 15 februari 2019 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 27 december 2018 en 3 januari 2019. De redelijke termijn is op die momenten begonnen. Omdat de Afdeling vandaag in hoogste instantie uitspraak doet, is de redelijke termijn van vier jaar overschreden.

4.3.    Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00) volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten.

4.4.    In deze situatie is sprake van een bijzondere omstandigheid. Het college heeft zoals gezegd in het besluit van 1 maart 2019 de besluiten van 27 december 2018 en 3 januari 2019 ingetrokken en meegedeeld dat TCA de voertuigen langer mocht laten staan voordat zij deze weg moest halen. Daarmee heeft TCA bereikt wat zij wilde bereiken met het aanwenden van rechtsmiddelen en is spanning en frustratie die tot immateriële schade aanleiding kan geven niet meer aan de orde. Vergelijk daarvoor de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023. De Afdeling zal daarom het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Conclusie

5.       Het hoger beroep van TCA is niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Den Ouden
voorzitter

w.g. Soffner
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2023

818-1071