Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202304308/1/V2

Uitspraak 202304308/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:592
Datum uitspraak
17 februari 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 30 september 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202304308/1/V2.
Datum uitspraak: 17 februari 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 23 juni 2023 in zaken nrs. NL21.13171 en NL21.15446 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 september 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluiten van 18 juli 2021 en 14 september 2021 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2023 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. F. Kiliç-Arslan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Hoger beroep

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Overschrijding van de redelijke termijn

2.       De vreemdelingen verzoeken in het hogerberoepschrift om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668, onder 3.1, geldt als uitgangspunt een redelijke termijn van vier jaar voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.

2.1.    De minister heeft de bezwaarschriften van de vreemdelingen ontvangen op 23 oktober 2019. Dit betekent dat de redelijke termijn van vier jaar is verstreken op 23 oktober 2023 en de termijnoverschrijding ruim een jaar bedraagt.

2.1.1. De behandeling van het bezwaar heeft vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften op 23 oktober 2019 tot het nemen van de besluiten op bezwaar op 18 juli 2021, voor vreemdeling 1, en 14 september 2021, voor vreemdeling 2, ruim twintig respectievelijk tweeëntwintig maanden geduurd. Daarmee heeft de minister de termijn van een half jaar voor het behandelen van het bezwaar met ruim veertien respectievelijk zestien maanden overschreden.

2.1.2. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2023 uitspraak gedaan, zodat de termijn van anderhalf jaar voor het behandelen van het beroep, gerekend vanaf de datum van het nemen van de besluiten op bezwaar van 18 juli 2021 en 14 september 2021 met iets meer dan vijf respectievelijk drie maanden is overschreden.

2.1.3. De procedure bij de Afdeling heeft vanaf de datum van de uitspraak van de rechtbank iets meer dan anderhalf jaar geduurd. De termijn van twee jaar voor het hoger beroep is dus niet overschreden.

2.1.4. Het schadebedrag bestaat uit € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:528, r.o. 11.2, volgt daarbij dat de overschrijding van de redelijke termijn voor de bestuurlijke fase aan de minister van Asiel en Migratie moet worden toegerekend en voor het overschrijden van de termijn bij de rechtbank aan de minister van Justitie en Veiligheid.

2.1.5. Gerekend vanaf het moment dat de redelijke termijn op 23 oktober 2023 was verstreken, maken de vreemdelingen aanspraak op een schadebedrag voor de naar boven afgeronde periode van anderhalf jaar. Dit komt neer op een bedrag van driemaal € 500,00 en dus een totaal van   1.500,00 per persoon. Gelet op de duur van de procedure in bezwaar moet de minister van Asiel en Migratie 15/20e van dit bedrag aan vreemdeling 1 betalen en 17/20e aan vreemdeling 2. Vreemdeling 1 heeft daarom aanspraak op een door de minister van Asiel en Migratie te betalen bedrag van € 1.125,00 en vreemdeling 2 op een bedrag van € 1.275,00. De minister van Justitie en Veiligheid moet voor de overschrijding van de redelijke termijn bij de rechtbank aan vreemdeling 1 een bedrag van   375,00 (5/20e van € 1.500,00) en aan vreemdeling 2 een bedrag van € 225,00 (3/20e van € 1.500,00) betalen.

Conclusie

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister moet wel de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de minister, als aan de rechtbank is toe te rekenen, moeten de minister en de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten is wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) toegepast. Voor het overige hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot betaling van een schadevergoeding van €1.125,00 aan vreemdeling 1 en een schadevergoeding van €1.275,00 aan vreemdeling 2;

III.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 375,00 aan vreemdeling 1 en een schadevergoeding van €225,00 aan vreemdeling 2;

IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 226,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 226,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Zwinkels
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2025

309-1024


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon