Uitspraak 202305242/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:2573
- Datum uitspraak
- 26 juni 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 10 maart 2023 heeft de de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling meegedeeld dat, door een op verzoek van de staatssecretaris in hoger beroep getroffen voorlopige voorziening, de termijn voor de overdracht aan Italië is opgeschort, tot de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202305242/1/V1.
Datum uitspraak: 26 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 juli 2023 in zaak nr. NL23.8048 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij brief van 10 maart 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling meegedeeld dat, door een op verzoek van de staatssecretaris in hoger beroep getroffen voorlopige voorziening, de termijn voor de overdracht aan Italië is opgeschort, tot de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Bij uitspraak van 25 juli 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de Afdeling desgevraagd laten weten dat hij de vreemdeling alsnog in de nationale procedure opneemt. De overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is namelijk verstreken. De uiterste overdrachtsdatum is verstreken op 6 maart 2023 en de door de voorzieningenrechter van de Afdeling getroffen voorlopige voorziening heeft in dit geval geen opschortende werking. Daarmee heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2. Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). De staatssecretaris is niet tegemoetgekomen, als hij een asielaanvraag in behandeling neemt vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dit is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit waarbij de staatssecretaris de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen, niet voordeed (uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084, onder 1.2). Weliswaar was de overdrachtstermijn ten tijde van de brief van 10 maart 2023 achteraf bezien al verstreken, maar dit is niet een omstandigheid die als toedoen van de staatssecretaris kan worden aangemerkt. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024
382-1060