Uitspraak 202200591/1/R2


Volledige tekst

202200591/1/R2.
Datum uitspraak: 19 juni 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], allen wonend of bedrijf houdend te Macharen, gemeente Oss, (hierna samen: [appellant sub 1] en anderen)
2.       [appellant sub 2], wonend te Berghem, gemeente Oss,
3.       [appellant sub 3], wonend te Macharen, gemeente Oss,
4.       [appellant sub 4], wonend te Berghem, gemeente Oss,
5.       [appellant sub 5], wonend te Berghem, gemeente Oss,
6.       [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Haren, gemeente Oss, (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 6])
7.       [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], beiden wonend te Berghem, gemeente Oss, (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 7])
appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Oss,
2.       het college van burgemeester en wethouders van Oss,
verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021" vastgesteld.

Bij besluit van 17 december 2021 heeft het college aan de gemeente Oss een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor twee windturbines.

Bij besluit van 17 december 2021 heeft het college aan Windpark Elzenburg-de Geer B.V. een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor twee windturbines.

De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben samen een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 6] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 16 april 2024, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1A], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door ing. F. Beerens Msc en mr. T. Brouwer, bijgestaan door mr. J.M. van Vulpen, advocaat te Nijmegen, ir. E. Nieuwenhuizen en M. Moret, zijn verschenen. Verder is op de zitting Windpark Elzenburg-De Geer B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.

1.1.    Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 6 maart 2019 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

1.2.    Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvragen om omgevingsvergunningen zijn ingediend op 14 februari 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Wet- en regelgeving

2.       Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

3.       Het plan heeft betrekking op de realisatie van Windpark Elzenburg-De Geer ten noorden van het bedrijventerrein Elzenburg-De Geer.

- Voorgeschiedenis

4.       Het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer", vastgesteld door de raad op 27 juni 2019, voorzag in een juridisch planologisch kader voor de realisatie van het windpark. Het voorzag voor zover van belang bij recht in vier windturbines met een maximale tiphoogte van 210 m en in twee windturbines door middel van een wijzigingsbevoegheid. Ter uitvoering van het plan waren bij besluiten van 1 augustus 2019 tijdelijke omgevingsvergunningen voor een periode van 25 jaar verleend. Onder meer [appellant sub 1] en anderen hebben toen beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunningen. Bij uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1681, heeft de Afdeling onder meer hun beroep gegrond verklaard en het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer" vernietigd, kort gezegd omdat de raad:

- niet had gemotiveerd waarom de geluidbronnen afkomstig van het vaarverkeer, landbouwverkeer en vliegverkeer ten gevolge van het laagvlieggebied niet waren betrokken in het onderzoek naar de cumulatieve effecten van het geluid;

- het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid, voor zover de raad de strengere norm voor slagschaduw, zoals vastgesteld in 1.1.1 van de voorschriften van de omgevingsvergunningen, niet had opgenomen in de planregels;

- en in strijd met de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening ruimte Noord-Brabant in het plan een voorwaarde ontbrak dat financiële zekerheid wordt gesteld dat na uiterlijk 25 jaar de windturbines moeten worden verwijderd en de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld.

Gelet op de onlosmakelijke samenhang tussen het besluit van 27 juni 2019 tot vaststelling van het plan en de besluiten van 1 augustus 2019, waarbij de tijdelijke omgevingsvergunningen waren verleend voor de vier in het plan voorziene windturbines, heeft de Afdeling aanleiding gezien om ook de besluiten van 1 augustus 2019 te vernietigen.

- Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

5.       Na de vaststelling van het bestemmingsplan en de verlening van omgevingsvergunningen zoals genoemd onder 4, is op 5 november 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) in werking getreden. In artikel 3.37, tweede lid, van de IOV is bepaald dat nieuwvestiging van windturbines in landelijk gebied alleen is toegestaan met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚ of 3˚, van de Wabo, wordt afgeweken van een bestemmingsplan. Onder 35 van de genoemde uitspraak van 28 juli 2021 heeft de Afdeling opgemerkt dat, gezien deze bepaling in de IOV de raad niet meer zelf in een bestemmingsplan bij recht zal mogen voorzien in (de ingebruikname van) de windturbines en een dergelijk gebruik dient te worden uitgesloten. Ook heeft de Afdeling opgemerkt dat het aan het college is om, indien daartoe de bereidheid bij dat college bestaat, door middel van een afwijkingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2˚of 3˚, van de Wabo, (de ingebruikname van) de windturbines mogelijk te maken.

5.1.    Op 23 november 2021 is de IOV gewijzigd door de "Wijziging Interim omgevingsverordening - regelwijziging 3". Deze wijziging houdt in dat aan artikel 9.10 van de IOV wat het overgangsrecht voor bestemmingsplannen regelt, een zevende lid is toegevoegd. In dit lid is bepaald dat artikel 3.37, tweede lid aanhef, niet van toepassing is op een bestemmingsplan dat is of wordt vastgesteld met gebruikmaking van artikel 7s van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: BuChw). Verder is daarin bepaald dat de voorwaarden opgenomen onder a, b en c van het tweede lid van artikel 3.37 van overeenkomstige toepassing zijn op het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van artikel 7s van het BuChw. De voornoemde wijziging in de IOV maakt het dus weer mogelijk dat de raad een bestemmingsplan vaststelt dat bij recht voorziet in de realisatie van windturbines.

- Voorliggende besluiten

6.       Het voorliggende bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021" dient ter reparatie van het vernietigde besluit van 27 juni 2019. Het voorziet opnieuw in een juridisch planologisch kader - met grotendeels dezelfde inhoud - voor de realisatie van het windpark. De wijziging van de IOV maakt dit, zoals hiervoor is toegelicht, mogelijk. Ter uitvoering van het plan zijn bij besluiten van 17 december 2021 ook omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a (activiteit bouwen), b (activiteit uitvoeren van een werk) en e (activiteit oprichten en in werking hebben van een inrichting) en onder 2.2, aanhef en onder e (activiteit uitweg) en g (activiteit kappen), van de Wabo verleend, en wel tijdelijk voor een periode van 25 jaar.

De initiatiefnemers van het windpark zijn de gemeente Oss en de besloten vennootschap Windpark Elzenburg-de Geer B.V. Het project is in twee deelparken gesplitst: het "deelpark gemeente Oss", dat geëxploiteerd zal worden door De Wachtmeesters B.V., en het "deelpark Raedthuys", dat geëxploiteerd zal worden door Windpark Elzenburg-de Geer B.V.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bij de vaststelling van het plan en de verlening van de omgevingsvergunningen niet opnieuw gevolgd. Teruggevallen is op de voorbereidingsprocedure die ten grondslag is gelegd aan de vernietigde besluiten van 27 juni 2019 en 1 augustus 2019. Verder zijn het besluit tot vaststelling van het plan en de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunningen met toepassing van artikel 3.30 van de Wro gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt. Op de besluiten is de Chw van toepassing.

- Beroepen

7.       Appellanten kunnen zich niet verenigen met de realisatie van het windpark.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen aan de [locatie 1], die in de nabije omgeving van het plangebied ligt. [appellant sub 1C] is eigenaar van de Witte Hoeve, een honden- en kattenpension, dagopvang en trimsalon, gevestigd aan de [locatie 1]. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is gericht tegen alle besluiten. Zij vrezen onder meer voor geluidhinder en gezondheidsrisico’s voor mens en dier ten gevolge van de windturbines.

[appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] te Berghem. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 3] te Macharen. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wonen beiden aan de [locatie 4] te Berghem. [appellant sub 6] woont aan de [locatie 5] te Haren. [appellant sub 7] woont aan de [locatie 6] te Berghem. Deze percelen liggen in de omgeving van het plangebied. De beroepen van deze appellanten zijn ook gericht tegen alle besluiten en ook zij vrezen onder andere voor geluidoverlast en gezondheidsrisico’s.

- Wijze van toetsen

8.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7]

- Ontvankelijkheid

9.       De raad en het college betogen dat de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij als belanghebbenden beroep hadden kunnen instellen tegen de inmiddels vernietigde besluiten van 27 juni 2019 en 1 augustus 2019. De raad en het college verwijzen hierbij onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, onder 4.3. Daaruit volgt dat een appellant die geen beroep heeft ingesteld tegen een naderhand vernietigd besluit, alleen beroep kan instellen tegen een vervangend besluit dat is voorbereid zonder toepassing van de procedure in afdeling 3.4 van de Awb, als hij door dat vervangende besluit in een nadeliger positie komt te verkeren of als sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden waardoor hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij eerder geen beroep heeft ingesteld. De uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, in navolging van het arrest Varkens in Nood, leidt niet tot de conclusie dat een heel nieuw beroep kan worden ingesteld, zo stellen de raad en het college.

9.1.    Vast staat dat [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] geen beroep hebben ingesteld tegen de eerder vernietigde besluiten tot vaststelling van het voorgaande bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer" en verlening van de eerdere omgevingsvergunningen. Voor de vraag of zij nu alsnog in beroep kunnen komen tegen de als gevolg van deze vernietiging genomen nieuwe besluiten is van belang of de procedure helemaal opnieuw is begonnen met het ter inzage leggen van ontwerpbesluiten of dat is voortgebouwd op de eerdere procedure en ontwerpbesluiten.

9.2.    De Afdeling ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of de raad het plan kon vaststellen en daarmee het college de omgevingsvergunningen kon verlenen zonder opnieuw ontwerpbesluiten ter inzage te leggen en dus volledig toepassing te geven aan de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

De omstandigheid dat de Afdeling de eerdere besluiten heeft vernietigd, is op zichzelf onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat opnieuw ontwerpbesluiten ter inzage hadden moeten worden gelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1586), staat het het bevoegd gezag in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Ook mag het bestuursorgaan ervoor kiezen de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waaronder het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, ook gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld, als het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt. Dit is bijvoorbeeld het geval, als ten opzichte van het ontwerpbesluit sprake is van een wezenlijk ander plan of van wijzigingen die niet als van ondergeschikte aard kunnen worden aangemerkt.

De Afdeling is van oordeel dat de raad en het college in de aard en ernst van de gebreken die in de uitspraak van 28 juli 2021 zijn geconstateerd - zie hiervoor onder 4 - geen aanleiding hoefden te zien om de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Datzelfde geldt voor de wijzigingen die in het plan en de omgevingsvergunningen zijn doorgevoerd ten opzichte van de ontwerpbesluiten. Die wijzingen betreffen ondergeschikte aanpassingen van een planregel of een vergunningvoorschrift. Het plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van het ontwerp, de omvang van het windpark is niet toegenomen en de situering van de windturbines is ook niet gewijzigd. Dat de raad en het college enkele onderzoeken hebben geactualiseerd voordat de besluiten zijn genomen, noodzaakt ook niet tot het opnieuw doorlopen van de openbare voorbereidingsprocedure. Daarbij is van belang dat de actualisaties niet hebben geleid tot aanpassing van de besluiten. De op de zitting aangevoerde omstandigheid dat in de uitspraak van 28 juli 2021 niet is bepaald dat de voorbereiding van de nieuwe besluiten niet overeenkomstig de eisen van afdeling 3.4 van de Awb hoeft te geschieden, staat niet in de weg aan de gekozen procedure (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2290, onder 37.2). Ook de wijziging van de IOV op 23 november 2021 is niet zo’n omstandigheid. Deze wijziging heeft niet geleid tot aanpassing van de besluiten.

Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat de raad en het college niet konden terugvallen op de ontwerpbesluiten en de procedure die aan het vernietigde bestemmingsplan en omgevingsvergunningen ten grondslag lag. Gelet hierop konden de raad en het college het plan vaststellen en de omgevingsvergunningen verlenen zonder opnieuw volledig toepassing te geven aan de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

9.3.    De Afdeling ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] door de nieuwe besluiten in een nadeliger positie zijn komen te verkeren of door gewijzigde feiten of omstandigheden hen in redelijkheid niet kan worden verweten dat zij geen beroep hebben ingesteld tegen de eerdere besluiten.

Het is de Afdeling niet gebleken dat [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] door de besluiten van 16 december 2021 en 17 december 2021 in een nadeliger positie verkeren ten opzichte van de eerdere besluiten van 27 juni 2019 en 1 augustus 2019, waardoor hen in redelijkheid niet kan worden verweten dat zij geen beroep hebben ingesteld tegen de besluiten van 27 juni 2019 en 1 augustus 2019. Het bestemmingsplan voorziet in dezelfde ontwikkeling en het plan heeft grotendeels dezelfde inhoud. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het repareren van de hiervoor onder 4 genoemde gebreken in het bestemmingsplan dat op 27 juni 2019 is vastgesteld in het licht van hun bezwaren tegen de voorliggende besluiten ten opzichte van de eerdere besluiten voor hen nadeliger is. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] zijn als gevolg van het nemen van de nieuwe besluiten zonder volledig toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb  dus niet in een nadeliger positie komen te verkeren dan waarin zij zich zouden hebben bevonden als gevolg van de vernietigde besluiten uit 2019 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1215, onder 5.2).

Daarnaast is niet aangetoond of gebleken dat in dit geval sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder te zijn opgekomen. Dat [appellant sub 3] en [appellant sub 2], zoals zij op de zitting naar voren hebben gebracht, tijdens de voorbereidingsprocedure van de eerdere besluiten betrokken waren bij de Dorpsraad, deze Dorpsraad als entiteit niet kon opkomen tegen de eerdere besluiten en zij daarom geen beroep hebben ingesteld tegen deze besluiten, kan - wat daar ook van zij - niet als zo’n omstandigheid worden gezien. Het is aan [appellant sub 3] en [appellant sub 2] om de besluitvorming met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling te volgen en gedurende de daarbij aan de orde komende perioden beroep in te stellen en zij hadden destijds ook als individuele, natuurlijke persoon beroep kunnen instellen. Anders dan [appellant sub 2] op de zitting en [appellant sub 3] en [appellant sub 6] in hun nadere stuk hebben gesteld, is ook niet van belang of de eerdere besluiten, ter vervanging waarvan de nieuwe besluiten zijn genomen, geheel of gedeeltelijk zijn vernietigd. Dat is alleen al zo, omdat dit niet van invloed kan zijn geweest op de keuze van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] om al dan niet beroep in te stellen tegen de eerdere besluiten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, onder 5.4).

9.4.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

- Moet het nadere stuk van [appellant sub 1] en anderen buiten beschouwing worden gelaten?

10.     De raad en het college hebben op de zitting aangevoerd dat [appellant sub 1] en anderen in strijd met een goede procesorde bij brief van 4 april 2024 stukken hebben overgelegd.

10.1.  Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken ter motivering van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.

10.2.  De Afdeling heeft het nadere stuk van [appellant sub 1] en anderen op 4 april 2024, en daarmee meer dan tien dagen voor de zitting, ontvangen. Dit stuk is ook naar de raad en het college gestuurd. [appellant sub 1] en anderen bouwen in het nadere stuk voort op het eerder ingediende beroepschrift. De Afdeling is van oordeel dat het stuk ook niet van zo’n aard en omvang is dat de raad en het college hier niet adequaat op hebben kunnen reageren of dat de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is belemmerd. De Afdeling laat het nadere stuk van [appellant sub 1] en anderen daarom niet buiten beschouwing.

- Reikwijdte van het beroep

11.     De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] en anderen in hun beroep tegen het nu bestreden bestemmingsplan en de omgevingsvergunning kunnen worden ontvangen. Maar dat het beroep ontvankelijk is, brengt niet mee dat zij in deze procedure alle beroepsgronden kunnen aanvoeren.

11.1.  Niet kan in zijn algemeenheid worden aanvaard dat, met uitzondering van het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de vernietiging van een eerder besluit en is gebaseerd op dezelfde uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, een appellant nieuwe argumenten zou kunnen aanvoeren om te bewerkstellingen dat de rechter terugkomt op een in de eerdere uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond van die appellant. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2166, onder 3.2.

11.2.  Vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen kan ook niet worden aanvaard dat als na de vernietiging van een besluit door het bestuursorgaan een vervangend besluit wordt genomen zonder dat daarbij toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, een appellant nieuwe beroepsgronden zou kunnen aanvoeren die al eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit is alleen anders als zulke beroepsgronden samenhangen met nieuwe feiten of omstandigheden waardoor de appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij deze beroepsgronden niet tegen het eerdere besluit heeft aangevoerd. Is dat niet het geval, dan worden deze nieuwe beroepsgronden buiten beschouwing gelaten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1630, onder 6.2.

11.3.  Met de stelling van [appellant sub 1] en anderen op de zitting dat het om nieuwe besluiten gaat die weer volledig getoetst zouden moeten worden, miskennen [appellant sub 1] en anderen dat de onder 11.1 en 11.2 genoemde jurisprudentie daaraan in de weg staat. In wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om terug te komen van die jurisprudentie.

11.4.  De Afdeling zal hierna daarom alleen de beroepsgronden bespreken die niet eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht, zoals op de zitting samen met partijen is vastgesteld.

- Te laat ingediende beroepsgronden

12.     Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd.

12.1.  [appellant sub 1] en anderen hebben in hun nadere stuk van 4 april 2024 betoogd dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 1.10, eerste lid, van de Chw, de financieel-economische haalbaarheid van de ontwikkeling afhankelijk is van de verkregen subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie en de uiteindelijke exploitant niet duidelijk is. [appellant sub 1] en anderen hebben hierover in hun beroepschrift geen gronden aangevoerd. De betogen zijn daarom nieuwe beroepsgronden ten opzichte van het beroepschrift. Deze beroepsgronden moeten, gelet op artikel 1.6a van de Chw, buiten inhoudelijke bespreking blijven.

- Voorbereidingsprocedure

13.     [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de raad in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 het plan niet kon vaststellen en het college de omgevingsvergunning niet kon verlenen zonder opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb.

13.1.  De Afdeling verwijst naar wat zij hiervoor heeft overwogen onder 9.2. Het betoog slaagt niet.

- Wijze van besluitvorming door raad

14.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan ten onrechte als hamerstuk is afgedaan in de raadsvergadering van 16 december 2021.

14.1.  De raad heeft op de zitting toegelicht dat het voorliggende bestemmingsplan als hamerstuk is geagendeerd voor de raadsvergadering, omdat het geen nieuw, maar alleen een in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 beperkt gewijzigd plan betrof. In wat [appellant sub 1] en anderen in dit kader hebben aangevoerd, ziet de Afdeling onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen vaststellen. Ook anderszins is niet gebleken dat het plan in zoverre in strijd met de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid is voorbereid.

14.2.  Voor zover [appellant sub 1] en anderen in dit verband stellen dat de vaststelling van het bestemmingsplan in strijd is met het voorzorgsbeginsel als is verwoord in artikel 22, eerste lid, van de Grondwet, overweegt de Afdeling dat dit een bepaling is inzake sociale grondrechten. In artikel 22, eerste lid, van de Grondwet is neergelegd dat de overheid maatregelen treft ter bevordering van de volksgezondheid. Zoals de Afdeling in onder meer haar uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2356, heeft overwogen, lenen bepalingen inzake sociale grondrechten zich in beginsel niet voor rechtstreekse toetsing door de rechter. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat het bestemmingsplan, in aanvulling op de toetsing aan de toepasselijke wetgeving, waaronder de Wro, toch in aanmerking komt voor rechtstreekse toetsing aan het door [appellant sub 1] en anderen genoemde voorzorgsbeginsel.

14.3.  Het betoog slaagt niet.

- Onjuiste data bijlagen bij omgevingsvergunningen

15.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat de door het college verleende omgevingsvergunningen ondeugdelijk zijn, omdat bijbehorende bijlagen oude besluitdata bevatten.

15.1.  De Afdeling stelt vast dat diverse bijlagen bij de verleende omgevingsvergunningen weliswaar nog de data van de in de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 vernietigde omgevingsvergunningen bevatten, maar deze onvolkomenheden zijn naar haar oordeel niet van zo’n aard dat alleen al daarom moet worden geoordeeld dat de omgevingsvergunningen onzorgvuldig zijn voorbereid of niet deugdelijk zijn gemotiveerd.

Het betoog slaagt niet.

- Kennisgeving wijziging Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

16.     [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat zij ten onrechte vooraf niet zijn geïnformeerd over het besluit van 15 november 2021 tot wijziging van de IOV.

16.1.  De door [appellant sub 1] en anderen bedoelde wijziging is de onder 5.1 besproken "Wijziging Interim omgevingsverordening - regelwijziging 3", die op 23 november 2021 in werking is getreden.

16.2.  De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de wijziging van de IOV. Zo is op 17 september 2021 in het provinciaal blad kennisgegeven van de ontwerpwijziging en is inspraakmogelijkheid geboden voor een termijn van ruim vier weken. In de IOV of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in dit geval verplicht is om eventuele belanghebbenden bij de IOV persoonlijk in kennis te stellen van de wijziging van de IOV.

Het betoog slaagt niet.

- Zijn de onderzoeken verouderd?

17.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat het milieueffectrapport (hierna: het MER) met bijbehorende onderzoeken en diverse andere onderzoeken sterk verouderd zijn, zodat deze niet ten grondslag konden worden gelegd aan het bestemmingsplan. Zij wijzen in dit verband op artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro).

17.1.  Artikel 3.1.1a van het Bro luidt: "Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar."

17.2.  Artikel 3.1.1a van het Bro staat er niet aan in de weg dat ook onderzoeksgegevens die ouder zijn dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd als deze gegevens niet zijn verouderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:437). [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het MER met bijbehorende onderzoeken en diverse andere onderzoeken zijn verouderd, of dat zich na de totstandkoming van deze onderzoeken zulke ontwikkelingen in het plangebied hebben voorgedaan, dat de raad deze onderzoeken niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de plantoelichting een actualiserende beoordeling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van recente beleidskaders en juridische inzichten en recente onderzoeken over windparken en geluid.

Het betoog slaagt niet.

- Aantasting natuurwaarden

18.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de Europese natuurbeschermingsregels, omdat bij de berekening van de toename van stikstofdepositie een onjuiste versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator is gebruik. De raad had volgens hen de versie van AERIUS Calculator moeten gebruiken die sinds 2021 beschikbaar is.

18.1.  Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

18.2.  Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat de individuele belangen van [appellant sub 1] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Zoals de Afdeling al heeft vastgesteld in haar uitspraak van 28 juli 2021, onder 18.2, ligt de woning aan de [locatie 1] op ongeveer 10 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Rijntakken". Gelet hierop maakt het betreffende Natura 2000-gebied geen onderdeel uit van de directe leefomgeving van [appellant sub 1] en anderen.

Gelet op het voorgaande bestaat geen verwevenheid tussen de individuele belangen van [appellant sub 1] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat zij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op die norm kunnen beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgronden over de bescherming van Natura 2000-gebieden, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

- Gelijke behandeling inwoners Oss

19.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is vastgesteld met het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 1 van de Grondwet opgenomen discriminatieverbod. Daartoe wijzen zij erop dat volgens het raadsbesluit van 28 januari 2021 voor het project Duurzame Polder tussen Oss en ’s-Hertogenbosch bij de plaatsing van windturbines een (richt)afstand van 2 km tot de grens van de bebouwde kom van de kernen zal worden gehanteerd om gezondheidsrisico’s en overlast te beperken, terwijl voor het plangebied van het bestemmingsplan een aanzienlijk geringere afstand tot aan de bebouwde kom geldt, zo brengen [appellant sub 1] en anderen naar voren.

19.1.  De raad heeft toegelicht dat het project Duurzame Polder naar omvang en aard niet te vergelijken is met het bestreden plan. Bij het project Duurzame Polder gaat het om een project waarbij wordt beoogd tussen de 25 en 30 windturbines in open landschap op te richten, terwijl het in het voorliggende plan gaat om 4 windturbines nabij een bedrijventerrein. Verder heeft de raad toegelicht dat de minimale afstand van 2 km een uitgangspunt betreft en geen vaste afstand; het project Duurzame Polder verkeert nog in de beginfase en planologische besluitvorming moet nog plaatsvinden.

19.2.  Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Van gelijke gevallen is geen sprake. Het gelijkheidsbeginsel strekt ook niet zo ver dat de raad gehouden is om voor alle windparkprojecten een gelijke minimale afstand tot de grens van de bebouwde kom aan te houden. Wat betreft de verwijzing van [appellant sub 1] en anderen naar het in artikel 1 van de Grondwet opgenomen discriminatieverbod ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan tot gevolg heeft dat [appellant sub 1] en anderen anders of ongelijk zullen worden behandeld dan anderen in gelijke gevallen.

Het betoog slaagt niet.

- Artikel 3.37 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

20.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat niet wordt voldaan aan artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder d, van de IOV, omdat de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt niet is afgestemd met omliggende gemeenten en netwerkbeheerders.

20.1.  In paragrafen 2.3 en 4.3 van de plantoelichting is vermeld dat de in het plan voorziene ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd in onder andere de regionale energiestrategie Noordoost-Brabant voor 2030, waarin de omliggende gemeenten zijn vertegenwoordigd, en is afgestemd met de betreffende netbeheerder. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen geeft geen grond om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Gelet hierop wordt voldaan aan artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder d, van de IOV.

Het betoog slaagt niet.

- Cumulatieve geluidbelasting

21.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat het akoestisch onderzoek van M+P van 8 november 2021 (hierna: akoestisch onderzoek van 8 november 2021) onzorgvuldig is uitgevoerd, zodat de raad dit onderzoek niet aan het bestemmingsplan ten grondslag heeft kunnen leggen. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat onduidelijk is of gerekend is met het aantal schepen of met het aantal scheepspassages, er ten onrechte wordt uitgegaan van schepen met een lengte van 110 m, terwijl er schepen in de haven zijn toegestaan van 135 m en de toename van het aantal vaarten als gevolg van het uitbreiden van de overslagcapaciteit en het geluid van in de haven afgemeerde schepen ten onrechte niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021. Daarnaast is het aantal landbouwactiviteiten volgens [appellant sub 1] en anderen in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 onderschat. Tot slot voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met Herculesvliegtuigen (C-130H), die regelmatig laag het plangebied overvliegen.

21.1.  Wat betreft de door [appellant sub 1] en anderen aangevoerde onduidelijkheid of is gerekend met het aantal schepen of met het aantal scheepvaartpassages, heeft de raad het volgende naar voren gebracht. In het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 staat onder "uitgangspunten"  beschreven dat in de haven schepen worden toegelaten met goederen en containers die in de haven worden geladen of gelost. Er is geen sprake van doorgaande vaarroutes. Het aantal schepen wordt dus volledig bepaald door de activiteiten in de haven van Oss, zo volgt uit het akoestisch onderzoek van 8 november 2021. Verder is in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 onder "uitvoering van het onderzoek" beschreven dat het aantal scheepvaartpassages is afgeleid van gegevens die worden bijgehouden in het logboek van de haven en die door de havenmeester zijn verstrekt. Uit het voorgaande volgt dat in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 van het aantal scheepvaartpassages is uitgegaan, aldus de raad.

Over de lengte van de schepen heeft de raad op de zitting toegelicht dat bij de berekeningen is uitgegaan van een bronvermogen dat van toepassing is op schepen uit de AVV klasse M8 en M9. Dit staat onder "uitvoering van het onderzoek" van het akoestisch onderzoek van 8 november 2021. Volgens de raad worden onder deze klassen schepen verstaan met een lengte van 110 m respectievelijk 135 m. Verder heeft de raad op de zitting toegelicht dat met de mogelijke toename van het aantal schepen als gevolg van het uitbreiden van de overslagcapaciteit geen rekening is gehouden, omdat op het moment van de vaststelling van het plan nog geen besluiten waren genomen die tot uitbreiding van deze capaciteit strekten.

Over het geluid van schepen in de haven zelf, zijnde de daar aangemeerde schepen, heeft de raad toegelicht dat dit inrichtingsgebonden geluid is en dit daarmee, indien relevant, al is meegenomen in de geluidbelasting van het gezoneerde industrieterrein. Hiervan uitgaande zijn in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 berekeningen uitgevoerd van de gecumuleerde geluidbelasting met en zonder scheepvaartverkeer. Daarbij is het scheepvaartverkeer vanaf de Maas via het Burgemeester Delenkanaal tot in de Burgemeester van Veldhuizenhaven en tot in de Burgemeester Jansenhaven meegenomen als mobiele geluidsbron. Uit de berekeningen volgt dat de gecumuleerde geluidbelasting Lcum bij het adres van [appellant sub 1] en anderen nagenoeg gelijk blijft of sprake is van een beperkte toename van 1 dB.

Wat betreft de bijdrage van landbouwgeluid aan de cumulatieve geluidbelasting staat in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 dat het verkeer van en naar de agrarische bedrijven al is verdisconteerd in de geluidbelasting vanwege het wegverkeer, zodat de geluidbelasting beperkt is tot de specifieke landbouwactiviteiten die op de agrarische percelen worden uitgevoerd. Het geluid van de landbouwactiviteiten is alleen relevant als de machines dicht bij het beoordelingspunt komen. Alleen al hierom is volgens de raad voldoende duidelijk dat de bijdrage van landbouwgeluid aan de cumulatieve geluidbelasting te verwaarlozen is in het heersende geluidklimaat. Uitgaande van het voorgaande zijn in het akoestische onderzoek van 8 november 2021 berekeningen uitgevoerd van de gecumuleerde geluidbelasting met en zonder het wegverkeer. Hieruit volgt dat de toename van de gecumuleerde geluidbelasting Lcum bij het adres van [appellant sub 1] en anderen verwaarloosbaar is.

Ten aanzien van de geluidbelasting van Herculesvliegtuigen (C-130H) heeft de raad op de zitting toegelicht dat de geluidbelasting van deze vliegtuigen is betrokken. Deze geluidbelasting is daarbij vergeleken met en beoordeeld op basis van de geluidbelasting van een Chinook (CH-47). Daarbij heeft de raad er op de zitting onweersproken op gewezen dat de zogenoemde SEL-waarde van een Herculesvliegtuig weliswaar niet te vergelijken is met die van een Chinook, maar een Herculesvliegtuig hoger en sneller vliegt dan een Chinook, zodat de geluidbelasting van een Herculesvliegtuig hoe dan ook niet belastender is dan het geluid van een Chinook. Daarmee is volgens de raad de geluidbelasting van Herculesvliegtuigen in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 meegenomen en niet onderschat.

21.2.  [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie in het akoestische rapport van 8 november 2021 dat - kort gezegd - het geluid van scheepvaart, landbouwverkeer en laagvliegende militaire helikopters geen significante invloed heeft ten opzichte van de eerdere bevindingen, onjuist is. In de niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 1] en anderen dat in het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 ten onrechte geen rekening is gehouden met het geluid van de schepen die in de haven zijn afgemeerd, acht de Afdeling geen grond gelegen voor een ander oordeel. Daarbij hecht de Afdeling betekenis aan de toelichting van de raad dat het geluid van deze afgemeerde schepen is meegenomen als inrichtingsgebonden geluid in de geluidbelasting van het gezoneerde industrieterrein. Door [appellant sub 1] en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat deze toelichting onjuist is.

21.3.  Gelet op al het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek van 8 november 2021 zulke gebreken of leemten in kennis bevat, dat de raad dit niet aan zijn besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog slaagt niet.

22.     [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat ten onrechte niet door de raad is meegewogen dat de immissienorm Lden van 44 dB als bedoeld in artikel 8.1.4, onder b, van de planregels als gevolg van de extra cumulatieve geluidbelasting wordt overschreden. In dat verband wijzen zij er onder meer op dat in het akoestisch onderzoek staat dat de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van hun adres 57-58 dB is.

22.1.  De immissienorm als bedoeld in artikel 8.1.4, onder b, van de planregels heeft alleen betrekking op windturbinegeluid en niet op de cumulatieve geluidbelasting. Het betoog mist daarom feitelijke grondslag.

Als in de toekomst de windturbines in strijd met de immissienorm als opgenomen in de planregels in gebruik zouden zijn, dan kunnen [appellant sub 1] en anderen een verzoek om handhaving indienen bij het college.

- Financiële zekerheid

23.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorliggende besluiten in strijd met de artikelen 6.18 en 7.19, van de Verordening ruimte Noord-Brabant zijn genomen, omdat daaruit voortvloeit dat er noodzakelijke financiële zekerheid moet bestaan voor herstel in de oude situatie na 25 jaar.

23.1.  Omdat - voordat de besluitvorming van de voorliggende besluiten plaatsvond - de Verordening ruimte Noord-Brabant is ingetrokken en is vervangen door de IOV, merkt de Afdeling het volgende op. De noodzakelijke financiële zekerheid is nu geregeld in artikel 3.37, tweede lid, van de IOV. Dat artikellid heeft dezelfde inhoud als het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening ruimte Noord-Brabant. Artikel 3.37, tweede lid, van de IOV bepaalt - kort gezegd - dat aan de vergunning de voorwaarde moet worden verbonden dat er financiële zekerheid wordt gesteld dat na uiterlijk 25 jaar de windturbines worden verwijderd en de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld.

Zoals is overwogen onder 5.1 zijn de voorwaarden opgenomen onder a, b en c van het tweede lid van artikel 3.37 van overeenkomstige toepassing op het bestemmingsplan.

23.2.  Gelet op het voorgaande begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant sub 1] en anderen zo dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de voorwaarde zoals genoemd in artikel 3.37, tweede lid, onder c, van de IOV. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.

De voorwaarde als opgenomen in artikel 3.37, tweede lid, onder c, van de IOV betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat er op het moment van het nemen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan van 16 december 2021 al financiële zekerheid moet zijn gesteld voor het verwijderen van de windturbines en het herstellen van de vóór de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande toestand. Maar wel moet in het bestemmingsplan geregeld worden dat er financiële zekerheid wordt gesteld voor het genoemde onder b, namelijk dat de vóór de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande toestand wordt hersteld en de windturbines worden verwijderd, nadat de termijn als opgenomen in artikel 3.37, tweede lid, onder a, van de IOV van maximaal 25 jaar is verstreken.

De Afdeling stelt vast dat in artikel 8.1.4, onder a, sub a, van de planregels is geregeld dat de windturbine met het oog op de voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.1 als tijdelijk bouwwerk wordt vergund. Sub b voorziet erin dat de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt. Sub c bepaalt dat na het verstrijken van de gestelde termijn, die de geldigheidsduur van de voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.2 niet mag overschrijden, de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld en de windturbines inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals grondplaten en hekwerken, worden verwijderd. Sub d regelt dat voor het gestelde onder c financiële zekerheid wordt gesteld. Gelet op deze planregeling is het bestemmingsplan naar het oordeel van de Afdeling in overeenstemming met de voorwaarde uit artikel 3.37, tweede lid, onder c, van de IOV vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten.

24.     De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] zijn niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond.

25.     De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.

w.g. Meijer
voorzitter

w.g. Lammers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024

890

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

[…]

e.1°.het oprichten,

2°.het veranderen of veranderen van de werking of

3°.het in werking hebben

[…]

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

[…]

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

[…]

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

[…]

Crisis- en herstelwet

Artikel 1.6a

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

[…]

Artikel 1.10

1 Indien een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was.

[…]

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Artikel 7s

1. In het gebied Windpark Elzenburg-De Geer, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 127, kan in afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening, in een bestemmingsplan aan gronden een voorlopige bestemming voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van maximaal vijfentwintig jaar worden toegekend aan de exacte locaties van de windturbines, mits dit bestemmingsplan wordt vastgesteld voor 27 juni 2022.

2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een windturbine is toegekend, met inbegrip van de met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van dertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijk ordening is gedurende deze periode niet van toepassing.

Verordening ruimte Noord-Brabant

Artikel 6.18 Windturbines

[…]

4. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een procedure die de tijdelijkheid van de voorziening borgt, zoals een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;
c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 7.19, vierde lid, bevat een gelijkluidende regeling voor gronden gelegen in gemengd landelijk gebied.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Artikel 3.37 Windturbines in Landelijk gebied

Lid 1

In Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als:

[…]

d. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.

Lid 2

Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;

b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;

c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

[…]

Artikel 9.10 Overgangsrecht bestemmingsplannen

[…]

Lid 7

Artikel 3.37, tweede lid aanhef is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat is of wordt vastgesteld met gebruikmaking van artikel 7s Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. De voorwaarden opgenomen onder a, b en c van het tweede lid van artikel 3.37 zijn van overeenkomstige toepassing op het bestemmingsplan.

[…]

Planregels

Artikel 8.1.4 Specifieke gebruiksregels

a Tijdelijkheid omgevingsvergunning en financiële zekerheid

a. de windturbine dient met het oog op de voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.1 als tijdelijk bouwwerk te worden vergund;

b. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;

c. na het verstrijken van de gestelde termijn, die de geldigheidsduur van de voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.2 niet mag overschrijden, wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals grondplaten en hekwerken, verwijderd;

d. voor het gestelde onder c. wordt financiële zekerheid gesteld.

b. Gemeentelijke norm voor geluid

a. De windturbines bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' dienen te voldoen aan de volgende geluidruimteverdeling met een immissienorm per toetspunt en per windturbine (zie Bijlage 1 van deze regels voor nummering windturbines):

b. alle windturbines bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' dienen, op basis van een andere verdeling van de immissienorm per windturbine, samen te voldoen aan de immissienorm voor het totaal van alle windturbines per toetspunt zoals weergegeven in de laatste kolom van de tabel in lid a van dit artikel;

c. indien niet aan lid a of lid b van dit artikel wordt voldaan, is de immissienorm per toetspunt en per windturbine zoals weergegeven in de tabel in lid a, kolommen 'windturbine 1' tot en met 'windturbine 4', de basis voor handhavend optreden;

d. voorts dient de toets van alle windturbines bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' aan de immissienorm, op grond van lid a of lid b, deel uit te maken van de aanvraag omgevingsvergunning voor de windturbines ter beoordeling door het bevoegd gezag;

e. op het bepaalde in artikel 8.1.4 b Gemeentelijke norm voor geluid is de rekenmethodiek en de handhavingsmethodiek van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.

[…]

Artikel 8.2 Geldigheidstermijn van de voorlopige bestemming

De voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.1 geldt 25 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het plan.

[…]