Uitspraak 202401837/1/V3 en 202401837/2/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:1924
- Datum uitspraak
- 8 mei 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 20 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
202401837/1/V3 en 202401837/2/V3.
Datum uitspraak: 8 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 maart 2024 in zaken nrs. NL23.36544 en NL23.36546 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 20 november 2023 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 maart 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. H.M. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De vreemdelingen hebben desgevraagd gereageerd.
De vreemdelingen hebben ook een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Nadat de vreemdelingen hoger beroep hebben ingesteld in deze zaak, heeft de staatssecretaris hun asielaanvragen alsnog in behandeling genomen. De vreemdelingen hebben onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun hoger beroep, omdat zij hebben bereikt wat zij met hun hoger beroep beogen doordat de staatssecretaris hun asielaanvragen alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2).
2. Het hoger beroep is niet‑ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hij heeft namelijk als gevolg van tijdsverloop de asielaanvragen alsnog in behandeling genomen. Hij is dus niet aan de vreemdelingen tegemoetgekomen (uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2).
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024
872-1023