Uitspraak 202206439/1/R2


Volledige tekst

202206439/1/R2.
Datum uitspraak: 1 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellante C] en [appellant D] (hierna: [appellant] en anderen), wonend te Deurne,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 23 september 2022 in zaak nr. 21/1726 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2021 heeft het college het door [appellant] en anderen ingediende verzoek om de door het college aan Aldi Roermond B.V. verleende omgevingsvergunningen voor respectievelijk het herbouwen en uitbreiden van een winkelruimte op het perceel Veldstraat 5 in Deurne in te trekken, afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en Aldi Roermond B.V. hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met de zaken ECLI:NL:RVS:2024:1763 en ECLI:NL:RVS:2024:1764 op een zitting behandeld op 15 augustus 2023, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. L.A. Pronk, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Aldi Roermond B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken is gedaan op 11 januari 2021 en door het college ontvangen op 14 januari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingswet (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.       Aldi Roermond B.V. wil een supermarkt realiseren in de winkelruimte op het perceel Veldstraat 5 in Deurne. Op dat perceel zijn elf parkeerplekken aanwezig. Aldi Roermond B.V. wil in totaal 67 parkeerplekken realiseren, grotendeels op het naastgelegen perceel Haageind 40 in Deurne. Daar staat op dit moment een woning. Om dit plan uit te voeren, heeft Aldi Roermond B.V. een omgevingsvergunning aangevraagd voor het herbouwen van de winkelruimte op het perceel Veldstraat 5 die door het college is verleend. Daarnaast heeft Aldi Roermond B.V. een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de te herbouwen winkelruimte. Ook deze vergunning heeft het college verleend. [appellant] en anderen wonen in de buurt en zijn tegen de komst van de supermarkt. Tegen beide omgevingsvergunningen hebben zij rechtsmiddelen aangewend. Daarnaast hebben zij het college verzocht de omgevingsvergunningen in te trekken. Dat verzoek staat in deze procedure centraal.

Zijn de omgevingsvergunningen verleend op basis van onjuiste gegevens?

4.       [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend. Op het moment van de aanvragen was volgens [appellant] en anderen immers bekend dat Aldi Roermond B.V. geen eigenaar was van het perceel Haageind 40 en dat zonder dit perceel de komst van de nieuwe supermarkt niet kan worden gerealiseerd. Zij betogen dat in het licht daarvan de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 januari 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:175, waarin zij heeft geoordeeld dat geen sprake is van een koopovereenkomst tussen Aldi Roermond B.V. en de eigenaren van dat perceel. De rechtbank heeft eveneens niet onderkend dat het irrelevant is dat tegen dat vonnis Aldi Roermond B.V. hoger beroep had ingesteld, omdat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft. Aldi Roermond B.V. heeft dan ook ten onrechte bij haar aanvragen gesteld eigenaar te zijn.

4.1.    Anders dan [appellant] en anderen betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet ten onrechte het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunningen heeft afgewezen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is voor intrekking van een omgevingsvergunning wegens een onjuiste of onvolledige opgave, als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, noodzakelijk dat vaststaat dat een omgevingsvergunning juist wegens de onjuistheid in de overgelegde gegevens is verleend. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:720, onder 5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de omgevingsvergunningen juist wegens onjuiste of onvolledige gegevens zijn verleend. Daartoe heeft zij terecht overwogen dat Aldi Roermond B.V. in de aanvragen heeft aangegeven eigenaar te zijn van de percelen en zij daarbij een koopovereenkomst met betrekking tot het perceel Haageind 40, voorzien van alle handtekeningen van de daarbij betrokken partijen, heeft overgelegd. Op dat moment heeft het college daarvan kunnen uitgaan. Dat daarna een civielrechtelijk geschil is ontstaan over de vraag of sprake is van een koopovereenkomst, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] en anderen betogen, ook terecht overwogen dat het college in de bezwaarfase, toen het geschil over de koop wel bekend was, het vonnis van 4 februari 2020, zaak nr. C/01/353664, van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft kunnen betrekken, waarin is geoordeeld dat er geen zodanige twijfel was gezaaid over het bestaan van de gestelde koopovereenkomst dat een vordering tot nakoming van die overeenkomst als ondeugdelijk zou moeten worden bestempeld. Dat later de rechtbank bij vonnis van 6 januari 2021 heeft geoordeeld dat geen koopovereenkomst tot stand was gekomen, maakt dat niet anders. Toen waren immers al de besluiten op bezwaar door het college genomen. Dat het vonnis van 6 januari 2021 bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2788, is bekrachtigd, maakt dat ook om dezelfde reden niet anders. Hoewel het voor dit oordeel van de Afdeling geen rol speelt, merkt zij overigens op dat op de zitting door Aldi Roermond B.V. is verklaard dat zij hangende het hoger beroep alsnog eigenaar is geworden van het perceel Haageind 40.

Het betoog van [appellant] en anderen slaagt niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Tibold
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024

853

BIJLAGE

Relevant artikel uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 5.19

1.       Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:

a.       de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

b.       niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld;

c.       de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

d.       de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.

[…]