Uitspraak 202200410/1/R2


Volledige tekst

202200410/1/R2.
Datum uitspraak: 1 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellante C] en [appellant D] (hierna: [appellant] en anderen), wonend te Deurne,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 19 november 2021 in zaak nr. 20/3290 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college aan Aldi Roermond B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een winkelruimte op het perceel Veldstraat 5 in Deurne.

Bij besluit van 22 september 2020 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en Aldi Roermond B.V. hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met de zaken ECLI:NL:RVS:2024:1764 en ECLI:NL:RVS:2024:1765 op een zitting behandeld op 15 augustus 2023, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. L.A. Pronk, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Aldi Roermond B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 november 2019. Dit betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.       Aldi Roermond B.V. wil een supermarkt realiseren in de winkelruimte op het perceel Veldstraat 5 in Deurne. Op dat perceel zijn elf parkeerplekken aanwezig. Aldi Roermond B.V. wil in totaal 67 parkeerplekken realiseren, grotendeels op het naastgelegen perceel Haageind 40 in Deurne. Daar staat op dit moment een woning. Om dit plan uit te voeren, heeft Aldi Roermond B.V. een omgevingsvergunning aangevraagd voor het herbouwen van het gebouw op het perceel Veldstraat 5 die door het college is verleend. Daarnaast heeft Aldi Roermond B.V. een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van het te herbouwen gebouw. Ook deze vergunning heeft het college verleend. [appellant] en anderen wonen in de buurt en zijn tegen de komst van de supermarkt. Daarom hebben zij tegen de uitspraak van de rechtbank, waarmee de omgevingsvergunning voor de uitbreiding in stand is gelaten, hoger beroep ingesteld.

3.1.    Op grond van de ter plaatse geldende beheersverordening "Heiakker e.o. / Noordrand" (hierna: de beheersverordening) ligt het perceel Veldstraat 5 binnen het besluitvlak "Gemengd".

Is de omgevingsvergunning voor uitbreiding van het hoofdgebouw in strijd met de beheersverordening?

4.       [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bouw van de uitbreiding van het hoofdgebouw op een plek waar voorheen geen bebouwing was, is toegestaan op grond van de artikelen 6.2 en 6.2.1, onder b, van de beheersverordening. Volgens [appellant] en anderen zou, indien de rechtbank terecht tot dit oordeel zou zijn gekomen, het gevolg hiervan zijn dat op percelen met de bestemming "Gemengd" binnen de beheersverordening een uitbreiding van de bebouwing is toegestaan tot een bebouwingspercentage van 80% van het bouwperceel. Dit is in strijd met de conserverende aard van een beheersverordening, aldus [appellant] en anderen. Het gevolg van het oordeel van de rechtbank zou zijn dat deze algemene bouwregel los en niet cumulatief met de bouwregels voor hoofdgebouwen en bijgebouwen bij hoofdgebouwen, zoals in de artikelen 6.2.2 en 6.2.3 van de beheersverordening, kan worden toegepast. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat een uitbreiding van bebouwing niet kan worden toegestaan op grond van een gebruiksregel.

4.1.    Anders dan [appellant] en anderen betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat gelet op de artikelen 6.2 en 6.2.1, onder b, van de beheersverordening de bouw van de uitbreiding van het hoofdgebouw op grond van de beheersverordening is toegestaan. In artikel 6.2 van de beheersverordening staan de bouwregels die gelden voor de gronden die als ‘Gemengd’ zijn aangewezen. In artikel 6.2 van de beheersverordening is bepaald dat op de gronden met de bestemming ‘Gemengd’ mag worden gebouwd en dat daarvoor de daarna volgende regels gelden. In artikel 6.2.1, onder b, van de beheersverordening is de algemene bouwregel geformuleerd die geldt voor percelen met een andere dan uitsluitend een woonfunctie. Daaruit volgt dat mag worden gebouwd indien het bebouwingspercentage op percelen met een andere dan uitsluitend een woonfunctie niet meer bedraagt dan 80% van het bouwperceel. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het hier niet gaat om de herbouw van een hoofdgebouw als bedoeld in artikel 6.2.2 van de beheersverordening, maar een uitbreiding van een hoofdgebouw. Ook de bouwregels in de artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.6 van de beheersverordening zijn hier niet van toepassing. Nu hier geen sprake is van een perceel met uitsluitend een woonfunctie en het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan 80% van het bouwperceel, voldoet het bouwplan aan de bouwregels die voor deze uitbreiding van het hoofdgebouw gelden. Dat heeft de rechtbank juist geconstateerd.

4.2.    Verder heeft de rechtbank onderkend dat artikel 6.4.2 van de beheersverordening geen bouwregel, maar een gebruiksregel is. Dat zij die vaststelling, zoals [appellant] en anderen betogen, zonder gevolg laat, kan hoe dan ook niet leiden tot het door hen beoogde doel. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat na de uitvoering van het bouwplan conform de bouwregels, zoals hiervoor besproken, de brutovloeroppervlakte die ten dienste van detailhandel zal worden gebruikt ten opzichte van de voorheen vergunde brutovloeroppervlakte toeneemt met 45 m². Dat is minder dan 25%, wat het uitbreidingspercentage is dat maximaal is toegestaan op grond van de gebruiksregel neergelegd in artikel 6.4.2 van de beheersverordening. De beoogde uitbreiding voldoet dus zowel aan de gebruiksregel als aan de bouwregels van de beheersverordening.

4.3.    Gelet op wat de Afdeling onder 4.1 in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:1764, heeft overwogen, slaagt het betoog van [appellant] en anderen dat de aard van een beheersverordening zich verzet tegen de beoogde uitbreiding niet. Weliswaar hebben [appellant] en anderen op de zitting bij de Afdeling opgemerkt dat de bestreden uitleg van de bouwregels uit de beheersverordening ertoe zou leiden dat deze regeling niet overeenkomt met het voorgaande bestemmingsplan, maar zij hebben nagelaten dit te onderbouwen. De Afdeling ziet hierin dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de regels in de beheersverordening anders zouden moeten worden uitgelegd of niet zouden kunnen worden toegepast.

Het betoog van [appellant] en anderen slaagt niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Tibold
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024

853

BIJLAGE

Relevante regels uit de beheersverordening "Heiakker e.o. / Noordrand"

Artikel 1 Begrippen

1.19 bestaand

•       bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de vaststelling van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;

[…]

Artikel 6 Gemengd

6.1 Omschrijving besluitvlak

De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       wonen, in bestaande woningen;

b.       ter plaatse van het besluitsubvlak ‘maximum aantal wooneenheden’: nieuwe woningen tot een maximum van het aangegeven aantal;

c.       dienstverlening, uitsluitend op de begane grond;

d.       maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend op de begane grond;

e.       kantoren, uitsluitend op de begane grond;

f.       ter plaatse van het besluitsubvlak ‘detailhandel’: detailhandel, uitsluitend op de begane grond;

g.       ter plaatse van het besluitsubvlak ‘horeca’: horeca, uitsluitend op de begane grond, met uitzondering van gokhallen, nachtclubs en discotheken;

h.       ter plaatse van het besluitvlak ‘molen’: behoud en herstel van de bestaande molen (Holtens molen) en een ambachtelijke houtzagerij;

i.        aan huis verbonden beroepen;

j.        tuinen, erven en terreinen;

k.       wegen, paden en parkeervoorzieningen;

l.        bij dit besluitvlak behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels.

6.2.1 Algemeen

a.       Het bebouwingspercentage op percelen met uitsluitend een woonfunctie mag niet meer bedragen dan 50% van het bouwperceel, met uitzondering van bouwpercelen met een oppervlakte kleiner dan 250 m², waarvan het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan 60%.

b.       Het bebouwingspercentage op percelen met een andere dan uitsluitend een woonfunctie mag niet meer bedragen dan 80% van het bouwperceel, tenzij ter plaatse van het besluitsubvlak ‘maximum bebouwingspercentage’ anders [is] aangeduid.

6.2.2 Hoofdgebouwen

a.       Herbouw van hoofdgebouwen is toegestaan indien dit gebeurt ter plaatse van de bestaande hoofdgebouwen of indien voldaan wordt aan de navolgende regels.

b.       De afstand van de voorgevel van het hoofdgebouw tot een perceelgrens langs de openbare weg mag niet minder bedragen dan 3 meter en niet meer dan 7 meter.

c.       De afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag voor een vrijstaand hoofdgebouw aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 meter.

d.       De breedte van een hoofdgebouw mag niet minder bedragen dan 7 meter en niet meer dan 15 meter.

e.       De goothoogte van een hoofdgebouw, niet zijnde een bedrijfsgebouw, mag niet meer bedragen dan 6 meter.

f.       De bouwhoogte van een hoofdgebouw, niet zijnde een bedrijfsgebouw, mag niet meer bedragen dan 11 meter.

g.       De diepte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 15 meter.

h.       De goothoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 4,5 meter.

i.        De bouwhoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 7,5 meter.

j.        De gebouwen dienen vanaf de maximaal toegestane goothoogte te worden afgedekt met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet minder dan 35 graden en niet meer dan 60 graden mag bedragen, met dien verstande dat:

1.       tussen de toegestane (denkbeeldige) dakvlakken met een helling van 60 graden en de daaruit voortvloeiende maximale hoogte ook platte afdekkingen, dakvlakken met een helling van meer dan 60 graden en rechtopstaande gevelconstructies, waaronder ook topgevels zijn toegestaan;

2.       overschrijding van de (denkbeeldige) 60 graden-lijn is toegestaan voor dakkapellen, schoorstenen en andere uitstekende bouwdelen van ondergeschikte betekenis.

k.       Voor de molen gelden de bestaande maten.

6.2.3 Bijgebouwen bij hoofdgebouwen, niet woningen zijnde

a.       Bijgebouwen mogen in de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd.

b.       De voorgevel van een bijgebouw dient minimaal 2 meter achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw te worden geplaatst. Op hoeksituaties van wegen moeten de bijgebouwen bovendien zijn gelegen achter de denkbeeldige lijn door de voorgevel van het op de hoek gelegen hoofdgebouw. Een en ander geldt niet voor bijgebouwen welke zijn gelegen op het perceelsgedeelte waarop ook hoofdbebouwing is toegestaan.

c.       Voor de gevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits de afstand van de voorgevel tot de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedraagt.

d.       De gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande en/of tegen de zijgevel van het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen, met uitzondering van bijgebouwen welke zijn gelegen op het perceelsgedeelte waarop ook hoofdbebouwing is toegestaan, mag ten hoogste 500 m² bedragen.

e.       De horizontale diepte van een hoofdgebouw met een tegen de achtergevel aangebouwd bijgebouw, mag niet meer dan 15 meter bedragen, met dien verstande dat deze diepte bij een vrijstaand hoofdgebouw niet meer dan 18 meter mag bedragen.

f.       De goothoogte van bijgebouwen mag, met uitzondering van bijgebouwen welke zijn gelegen op het perceelsgedeelte waarop ook hoofdbebouwing is toegestaan, niet meer dan 3,2 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6,5 meter bedragen. Uitsluitend voor de bouw van duivenhokken mag de goothoogte maximaal 4,5 meter bedragen.

g.       De bijgebouwen mogen worden voorzien van een plat dak of mogen vanaf de maximaal toegestane goothoogte worden voorzien van een kap met minimaal twee hellende dakvlakken met een nok waarvan de dakhelling niet meer dan 45 graden mag bedragen, met dien verstande dat:

1.       tussen de (denkbeeldige) dakvlakken met een helling van 45 graden en de daaruit voortvloeiende maximale bouwhoogte van 6,5 meter, ook platte afdekkingen, dakvlakken met een helling van meer dan 45 graden en rechtopstaande gevelconstructies zijn toegestaan;

2.       in afwijking van het bepaalde in de aanhef ten aanzien van twee hellende dakvlakken een bijgebouw of een gedeelte dat tegen de zijgevel van een hoofdgebouw wordt aangebouwd, mag worden voorzien van één hellend dakvlak met een helling van niet meer dan 45 graden, mits:

        de goothoogte van maximaal 3,2 meter is gelegen aan de zijde van en evenwijdig aan de zijdelingse perceelgrens en

        de hoogte ter plaatse van de aansluiting van het dakvlak tegen de zijgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 6,5 meter bedraagt;

3.       in afwijking van het bepaalde in de aanhef ten aanzien van twee hellende dakvlakken een bijgebouw of een gedeelte van een bijgebouw dat tegen de achtergevel van een hoofdgebouw wordt aangebouwd, mag worden voorzien van één hellend dakvlak met een helling van niet meer dan 45 graden, mits:

        de goothoogte van maximaal 3,2 meter is gelegen aan de zijde van en evenwijdig aan de achterperceelgrens en

        de hoogte ter plaatse van de aansluiting van het dakvlak tegen de achtergevel van het hoofdgebouw niet meer dan 6,5 meter bedraagt;

4.       overschrijding van de (denkbeeldige) 45 graden-lijn is toegestaan voor dakkappellen, schoorstenen en andere uitstekende bouwdelen van ondergeschikte betekenis.

Artikel 6.4 Specifieke gebruiksregels

6.4.2 Uitbreiding detailhandel

De brutovloeroppervlakte van een detailhandelsvestiging mag met maximaal 25%, of in ieder geval met 40 m², worden uitgebreid ten opzichte van de brutovloeroppervlakte zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.2.1 lid b.