Uitspraak 202402011/3/V3


Volledige tekst

202402011/3/V3.
Datum uitspraak: 2 april 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 maart 2024 in zaak nr. NL24.5377 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen na 4 maart 2024 te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1341, heeft de voorzieningenrechter bij ordemaatregel bepaald dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst en de vreemdeling wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming), en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 en (EU) 2023/2409 van 19 oktober 2023 (hierna: de Uitvoeringsbesluiten), op hem van toepassing is.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet en dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing blijft.

Uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de gevolgen daarvan voor de vreemdeling

2.       De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Dit in tegenstelling tot de tijdelijke bescherming van Oekraïners, staatlozen en mensen met andere nationaliteiten die in Oekraïne asiel of een permanente verblijfsvergunning hadden. De laatstgenoemde categorieën vreemdelingen behouden de tijdelijke bescherming tot 4 maart 2025. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 9-9.6. In die uitspraak heeft de Afdeling ook uitgelegd waarom de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne is beëindigd.

3.       De staatssecretaris heeft naar aanleiding van de uitspraak van 17 januari 2024 een terugkeerbesluit over de vreemdeling genomen. Uit dat terugkeerbesluit volgt dat het recht op opvang van de vreemdeling per 4 maart 2024 is geëindigd en dat hij tot en met 2 april 2024 de tijd heeft om de opvang te verlaten. Daarnaast moet de vreemdeling aan zijn vertrekplicht voldoen.

Verdeeldheid binnen de rechtspraak

4.       Zoals ook volgt uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 29 maart 2024, onder 3, hebben bestuursrechters in verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 de afgelopen weken ter discussie gesteld. Dat heeft geleid tot verschillende oordelen over de vraag per wanneer de tijdelijke bescherming voor derdelanders die uit Oekraïne zijn gevlucht, eindigt. De meeste zittingsplaatsen hebben het oordeel van de Afdeling hierover gevolgd, maar een paar zittingsplaatsen zijn op uiteenlopende gronden tot een ander oordeel gekomen.

Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie

5.       Bij verwijzingsuitspraak van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen. Daarin stelt zij drie prejudiciële vragen aan het Hof die gaan over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het Uitvoeringsbesluit van 19 oktober 2023. Ook heeft zij de verdere behandeling van de zaak waarin zij de prejudiciële vragen heeft gesteld, aangehouden in afwachting van de antwoorden daarop van het Hof.

Voorlopig oordeel

6.       Gelet op de door de zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen die specifiek gaan over de duur van de tijdelijke bescherming, de zeer uiteenlopende en verschillend gemotiveerde oordelen van bestuursrechters in de andere zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag hierover, de gevolgen daarvan en de belangen die de vreemdeling en de staatssecretaris naar voren hebben gebracht, acht de voorzieningenrechter van de Afdeling het afwachten van de beantwoording van de prejudiciële vragen aangewezen en treft hij een voorlopige voorziening. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen houdt hij het hoger beroep van de vreemdeling aan en bepaalt hij dat de vreemdeling de tijdelijke bescherming behoudt bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten. Dit betekent dat de vreemdeling niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang behoudt en dat hij mag blijven werken, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.

7.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris namelijk al bij het treffen van de genoemde ordemaatregel tot vergoeding van de proceskosten van het verzoek veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet en dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.

w.g. Drop
voorzieningenrechter

w.g. Nouta
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2024

922