Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202304934/1/V2

Uitspraak 202304934/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:1250
Datum uitspraak
27 maart 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 januari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad. Bij besluit van 12 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202304934/1/V2.
Datum uitspraak: 27 maart 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 juli 2023 in zaak nr. NL22.10603 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2022 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad.

Bij besluit van 12 mei 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Wat de vreemdeling in de tweede en derde grief heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       In de vierde grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een toets aan artikel 8 van het EVRM niet binnen het juridisch kader van deze procedure valt. De staatssecretaris heeft namelijk de bevoegdheid om een verblijfsvergunning op grond van die bepaling ambtshalve te verlenen. Dit volgt uit artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, is de staatssecretaris niet verplicht om een ambtshalve beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken, maar als een vreemdeling impliciet of expliciet een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, moet hij deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen (uitspraak van 7 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3008, onder 2). De staatssecretaris kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijk beleid als daarin is toegelicht waarom in bepaalde gevallen geen gebruik wordt gemaakt van die bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom van die bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt (uitspraak van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187, onder 2.1). Dat heeft de staatssecretaris in dit geval onvoldoende gedaan. Hij heeft zich namelijk slechts op het standpunt gesteld dat hij niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst, omdat hij in deze procedure heeft vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Deze motivering van de staatssecretaris is ondeugdelijk, omdat hij onvoldoende aan de hand van zijn beleid of gelet op dit individuele geval heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, terwijl de vreemdeling in bezwaar en beroep een expliciet beroep daarop heeft gedaan. De grief slaagt.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 12 mei 2022 wordt vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom hij in dit geval niet ambtshalve toetst aan artikel 8 van het EVRM. Als de staatssecretaris daarvan terugkomt en toch gebruikmaakt van de in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid, moet hij tevens bezien of de vreemdeling in de gelegenheid moet worden gesteld om te worden gehoord. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

4.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 juli 2023 in zaak nr. NL22.10603;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 12 mei 2022, V-[…]

V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Wissels
voorzitter

w.g. Tibold
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024

853-1024


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon