Uitspraak 202107527/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2023:3008
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2023
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 5 december 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202107527/1/V2.
Datum uitspraak: 7 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 november 2021 in zaak nr. 20/2349 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2018 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad.
Bij besluit van 2 maart 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in de eerste grief aanvoert over de belangenafweging, waarin is beoordeeld of zij een onredelijke belasting vormt voor het stelsel van sociale bijstand, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moet worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. In de tweede grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij een aparte aanvraag moet indienen als zij beoordeeld wil zien of ze in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris heeft namelijk de bevoegdheid om die verblijfsvergunning ambtshalve te verlenen. Dit volgt uit artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld is de staatssecretaris niet verplicht om een ambtshalve beoordeling in het kader van artikel 8 EVRM te maken, maar als een vreemdeling impliciet of expliciet een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, moet hij deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3965, onder 5.2 tot en met 5.4, en 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187, onder 2.1 tot en met 2.3. Dat heeft de staatssecretaris in dit geval niet gedaan. Hij heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat in deze procedure alleen wordt getoetst aan het kader voor gemeenschapsonderdanen, en dat de vreemdeling voor een beoordeling van artikel 8 van het EVRM een aparte aanvraag moet indienen. Terwijl de vreemdeling al in reactie op de brief over het onderzoek naar haar verblijfsrecht een gemotiveerd beroep op artikel 8 van het EVRM heeft gedaan, en dit daarna ook heeft herhaald in bezwaar en beroep. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 2 maart 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris zal een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat in hoger beroep geen griffierecht is geheven, hoeft de staatssecretaris alleen het griffierecht van het beroep te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 november 2021 in zaak nr. 20/2349;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 2 maart 2020, V-[…];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.M. Wissels
en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2023
897-987
.