Uitspraak 202203095/1/V1


Volledige tekst

202203095/1/V1.
Datum uitspraak: 22 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 16 mei 2022 in zaak nr. NL22.6025 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat te Sittard, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat Italië de vreemdeling internationale bescherming heeft verleend. Bij brief van 2 maart 2022 hebben de Italiaanse autoriteiten namelijk te kennen gegeven dat zij het terugnameverzoek in het kader van de Dublinverordening niet kunnen accepteren, omdat de vreemdeling op 3 juni 2015 een internationale-beschermingsstatus heeft gekregen.

2.       De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 2 maart 2022 geen duidelijkheid verschaft over het antwoord op de vraag of de vreemdeling nog steeds een internationale-beschermingsstatus heeft in Italië. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de staatssecretaris gelegen om daarover nadere informatie op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten.

3.       De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2484, onder 3.1, terecht over dit oordeel van de rechtbank. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een internationale-beschermingsstatus alleen eindigt na een individuele beoordeling. In het licht daarvan voert de staatssecretaris terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een lidstaat een internationale-beschermingsstatus expliciet moet beëindigen of intrekken. In dit geval zijn er geen aanwijzingen dat de Italiaanse autoriteiten dat hebben gedaan en hoefde de staatssecretaris dus geen nader onderzoek te verrichten naar de actuele verblijfsstatus van de vreemdeling in Italië.

3.1.    De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

5.       De vreemdeling heeft aangevoerd dat, met het oog op de omstandigheid dat hij in Italië op straat heeft geleefd, de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat terugkeer naar Italië niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.

5.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788, onder 4.3, volgt dat de situatie voor statushouders in Italië niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Bij dat oordeel heeft de Afdeling informatie betrokken die dateert van na de stukken waar de vreemdeling ter onderbouwing van zijn betoog naar heeft verwezen. Dat de vreemdeling heeft gesteld dat hij in Italië op straat heeft geleefd, leidt niet tot een ander oordeel. Hij heeft namelijk niet onderbouwd dat hij bij de Italiaanse autoriteiten heeft geklaagd over zijn leefomstandigheden of dat klagen bij voorbaat kansloos is.

5.2.    De beroepsgrond slaagt niet.

6.       De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris - in het licht van zijn eerdere ervaringen in Italië - zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een zodanige band met Italië heeft, dat het redelijk is om van hem te verlangen dat hij daarheen gaat, als bedoeld in artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb 2000.

6.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2022, onder 3.1, volgt dat alleen al sprake is van de in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 vereiste band met de betrokken lidstaat als de desbetreffende vreemdeling daar internationale bescherming heeft verkregen. Gelet op wat de Afdeling onder 3 heeft overwogen, is aan dat vereiste voldaan en is terugkeer van de vreemdeling naar Italië alleen al daarom redelijk als bedoeld in die bepaling.

6.2.    De beroepsgrond slaagt niet.

7.       Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 16 mei 2022 in zaak nr. NL22.6025;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Van Breda
voorzitter

w.g. Van den Oosterkamp
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2024

941