Uitspraak 202204997/1/R3


Volledige tekst

202204997/1/R3.
Datum uitspraak: 18 oktober 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] en anderen, alle gevestigd dan wel wonend te Havelte, gemeente Westerveld,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Westerveld,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Tankstation [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en anderen en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 augustus 2023, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, rechtsbijstandverlener te Elspeet, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A.A. van Dam, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. P. Koeslag, advocaat te Schijndel, en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in de mogelijkheid om op de [locatie 1] te Havelte (hierna: het perceel) een onbemand tankstation te realiseren voor de verkoop van motorbrandstoffen zonder LPG. Tevens is beoogd om voor het tankstation twee oplaadpunten voor elektrische voertuigen te realiseren.

2.       De meeste rechtspersonen die beroep hebben ingesteld zijn gevestigd op het bestaande bedrijventerrein dat is gelegen aan de Oeveraseweg. Van de indieners van het beroep wonen [appellant A] en [appellant B] in de bedrijfswoning op het perceel [locatie 2]. Zij alle kunnen zich niet verenigen met de komst van het tankstation op het bedrijventerrein vanwege de gevolgen daarvan voor de verkeersafwikkeling. Daarnaast hebben zij bezwaren over de milieuzonering (geluid-, geur- en lichthinder) en het behoefteonderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd.

Procesbelang

3.       [partij] betoogt dat [appellante] en anderen geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun beroep, omdat dit beroep is gericht tegen het bouwen van een bouwwerk op het perceel en daarvoor intussen een omgevingsvergunning is verleend. Volgens [partij] moet het door [appellante] en anderen daartegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarmee is de verleende omgevingsvergunning volgens haar rechtens onaantastbaar en ontvalt het belang aan het beroep tegen het bestemmingsplan.

3.1.    De Afdeling overweegt dat het college van burgemeester en wethouders van Westerveld (hierna: college) bij besluit van 22 maart 2023 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een onbemand tankstation op het perceel. Op de zitting heeft de raad naar voren gebracht dat de daartegen gerichte bezwaarprocedure nog loopt en er op dit moment nog geen beslissing op bezwaar is genomen.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellante] en anderen tegen het plan niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarvoor is van belang dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing (uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0384, onder 3). Er is dan ook geen belemmering om het beroep tegen het voorliggende plan inhoudelijk te beoordelen.

Mondelinge toelichting

4.       [appellante] en anderen betogen dat het plan in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld omdat [appellante] en anderen niet in de gelegenheid zijn gesteld om een mondelinge toelichting op hun zienswijze te geven. Ook is geen gelegenheid geboden bij de raadsvergadering in te spreken.

4.1.    De Afdeling overweegt dat het niet bieden van de gelegenheid een zienswijze mondeling toe te lichten niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden omdat hiermee niet in strijd met enige wettelijke verplichting is gehandeld (vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:599, onder 4, van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1967, onder 3.1, en van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2575, onder 4.1).

Over het niet bieden van gelegenheid om bij de raadsvergadering in te spreken overweegt de Afdeling als volgt. Het gemeentebestuur heeft bij brief van 7 juni 2022 beoogd om [appellante] en anderen te informeren over het verdere verloop van de procedure. In die brief is medegedeeld dat de mogelijkheid bestaat om in te spreken bij de raadsvergadering, en dat betrokkenen die hiervan gebruik wensen te maken dit uiterlijk om 16.00 uur, de dag voor de raadsvergadering telefonisch of via de e-mail moeten melden. Vastgesteld moet worden dat deze brief echter niet bij [appellante] en anderen is aangekomen omdat deze naar een verkeerd e-mailadres is verstuurd.

Dat legt echter geen gebrek in het bestreden besluit aan de dag. Er bestaat immers geen rechtsregel waaruit voortvloeit dat gelegenheid moet worden geboden tot inspraak tijdens een raadsvergadering waarin een bestemmingsplan wordt besproken en/of vastgesteld (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1373, onder 4.1).

Het betoog slaagt niet.

Toetsingskader

5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Verkeer

6.       [appellante] en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie op de Oeveraseweg. In dit verband wijzen zij erop dat zich op die weg in de bestaande situatie al problemen voordoen met de verkeersafwikkeling vanwege de beperkte breedte van het wegdek. Als gevolg van de komst van het tankstation, dat zich ook zal gaan richten op de verkoop van brandstof voor vrachtverkeer, zal de verkeerssituatie nog verder verslechteren. De beperkte breedte van de Oeveraseweg en het feit dat dit geen doorgaande weg is, hebben volgens hen tot gevolg dat personenauto’s en ook vrachtwagens die brandstof hebben getankt weer op deze weg moeten terugrijden. Dit kan voor verkeersonveilige situaties zorgen. Uit de plantoelichting blijkt op geen enkele wijze dat hiermee rekening is gehouden, aldus [appellante] en anderen.

6.1.    De raad heeft zich onder verwijzing naar het verkeerskundig onderzoek van C.N. van Groeningen van 13 oktober 2022 (hierna: het verkeerskundig onderzoek), dat is van na het vaststellen van het bestemmingsplan, op het standpunt gesteld dat het in het plan voorziene tankstation geen onaanvaardbare verkeerssituatie tot gevolg heeft. De verkeersgeneratie die het geprojecteerde tankstation tot gevolg heeft is in het verkeerskundig onderzoek berekend op ongeveer 110 motorvoertuigen per etmaal. Ervan uitgaande dat deze voertuigen zich verspreid over zo’n 18 uur per dag aanbieden, levert dit een gemiddelde op van zo’n 6 tot 7 motorvoertuigen per uur. Omdat het verkeer dat gebruik maakt van het tankstation over dezelfde route zal moeten terugrijden, veroorzaken zij in totaal zo’n 12 tot 14 verkeersbewegingen per uur. Uit twee verkeerstellingen die zijn uitgevoerd op donderdag 29 september 2022 en vrijdag 7 oktober 2022 volgt dat op de Oeveraseweg gemiddeld zo’n 110,5 verkeersbewegingen per uur optreden, waarvan het merendeel (ongeveer 83 verkeersbewegingen) bestaat uit (bestel)auto’s en gemiddeld zo’n 9 vrachtauto’s. Op basis van deze gegevens wordt in het verkeerskundig onderzoek geconcludeerd dat, gezien de beperkte toename van de verkeersintensiteit met ongeveer 12 tot 14 verkeersbewegingen per uur als gevolg van het plan, er geen significante verkeersdrukte op de Oeveraseweg ontstaat.

In het verkeerskundig onderzoek wordt verder ingegaan op de bezwaren van [appellante] en anderen met betrekking tot de breedte van de Oeveraseweg. Daarin staat dat de rijbaan van de weg 6 m breed is, maar dat er ook bestraatte molgoten aanwezig zijn die het profiel van de weg verbreden. Hierdoor bedraagt de totale bruikbare breedte van het wegdek 6,7 m. Er is geen bebouwing kort op de rijbaan aanwezig en er zijn ook geen andere objecten kort op de rijbaan geplaatst. Hierdoor is volgens het verkeerskundig onderzoek geen sprake van het zogenoemde "schrikeffect" en kan de rijbaan inclusief de zijstroken/molgoten onbelemmerd worden gebruikt. Gezien de ruimtelijke opzet van de weg is het daarom bijna overal mogelijk om uit te wijken richting de berm. Twee tegemoetkomende vrachtwagens (wettelijke maximale breedte 2,50 m) kunnen hier bij de te verwachten verkeersintensiteit elkaar in principe ongehinderd passeren.

6.2.    De Afdeling stelt vast dat er in de plantoelichting, noch in de "Reactienota ontwerpbestemmingsplan Tankstation [locatie 1] Havelte", is ingegaan op de verkeerskundige gevolgen van het in het plan voorziene tankstation, terwijl hierover wel bezwaren zijn geuit door [appellante] en anderen. Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.

In zoverre slaagt het betoog. Het besluit van 28 juni 2022 is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en komt alleen al hierom voor vernietiging in aanmerking.

6.3.    De Afdeling ziet in dit geval echter aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Daarbij acht de Afdeling het van belang dat, zoals hiervoor onder 6.1 is vermeld, na de vaststelling van het bestemmingsplan alsnog verkeerskundig onderzoek is uitgevoerd.

[appellante] en anderen hebben op de zitting naar voren gebracht dat zij de uitkomsten van het verkeersonderzoek betwisten, omdat zij de indruk hebben dat sprake is van hogere verkeersaantallen. De Afdeling acht deze stelling onvoldoende onderbouwd. In wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de uitgangspunten en de conclusies van het verkeersonderzoek. Niet is gebleken dat de Oeveraseweg de aanwezige verkeersintensiteit en de toename hiervan als gevolg van het plan niet op een voldoende wijze kan verwerken. Hierbij wordt betrokken dat het plan slechts een beperkte verkeersgeneratie van gemiddeld 12 tot 14 motorvoertuigbewegingen per uur tot gevolg heeft en de beschikbare breedte van de Oeveraseweg voldoende is voor een veilige verkeersafwikkeling. In het licht van de uitkomsten van het verkeersonderzoek ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de verkeerskundige gevolgen van het beoogde tankstation dusdanig heeft moeten achten dat het plan in zoverre niet tot een aanvaardbare verkeerssituatie of tot een verkeersonveilige situatie strekt.

Nu uit dit verkeerskundig onderzoek is gebleken dat er sprake is van een veilige verkeersafwikkeling, is de Afdeling van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Milieuzonering

7.       [appellante] en anderen betogen dat de vestiging van het tankstation op korte afstand van bestaande (gevoelige) functies problematisch is vanwege geluid- en geurhinder. Hiernaar is volgens hen onvoldoende onderzoek gedaan. In de plantoelichting wordt alleen aandacht besteed aan de vestiging van het tankstation zelf en niet aan de gevolgen voor de omgeving. Volgens [appellante] en anderen moet in dit geval een richtafstand van 30 m worden gehanteerd. Hier kan echter niet aan worden voldaan. Volgens [appellante] en anderen had een beoordeling van de milieugevolgen in het kader van het plan daarom niet achterwege kunnen blijven. Hierbij wijzen zij erop dat het beoogde onbemande tankstation 24 uur per dag, 7 dagen in de week geopend mag zijn.

7.1.    In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat het in het plan voorziene tankstation is beoordeeld aan de hand van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering". Hieruit volgt dat voor tankstations zonder LPG een richtafstand tot woningen en andere gevoelige functies van 30 m wordt gehanteerd, waarbij de afstand wordt bepaald door de milieuaspecten geur en geluid. In dit geval is de richtafstand met een stap verlaagd naar 10 m, omdat het plangebied volgens de raad deel uitmaakt van een "gemengd gebied", als bedoeld in de VNG-brochure. In wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van de typering van het gebied als "gemengd gebied" te twijfelen. De afstand van de grens van het bestemmingsvlak "Bedrijventerrein", dat ingevolge dit plan aan het plangebied is toegekend, tot de grens van het dichtstbijzijnde perceel met een bedrijfswoning bedraagt ongeveer 14 m, zodat de gehanteerde richtafstand niet wordt overschreden. De omliggende gronden waaraan in het daar geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oeveraseweg" eveneens de aanduiding "bedrijfswoning" is toegekend liggen op grotere afstand van het plangebied en het daarin voorziene tankstation. Hiermee zijn de mogelijke gevolgen van het tankstation voor de omgeving voldoende beoordeeld en gemotiveerd. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de raad het plan wat milieuzonering betreft in zoverre redelijkerwijs aanvaardbaar heeft kunnen achten.

7.2.    Verder verwijzen [appellante] en anderen naar het besluit van 27 oktober 2021 van het college tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods met kantoorruimte aan de [locatie 1] te Havelte. [appellante] en anderen betogen dat deze vergunde loods met kantoorruimte binnen de door de raad gehanteerde richtafstand is geprojecteerd, zodat in zoverre een aanvaardbaar verblijfsklimaat niet wordt gegarandeerd. Op de zitting is hierover door de raad naar voren gebracht dat de beoogde omgevingsvergunning voor de bouw van de loods in een besluit op bezwaar alsnog is geweigerd, omdat een kantoorruimte op deze gronden op basis van het geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oeveraseweg" niet is toegestaan.

7.3.    De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de verleende omgevingsvergunning van 27 oktober 2021. Dit neemt echter niet weg dat moet worden bezien of in dit verband [appellante] en anderen het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb moet worden tegengeworpen.

7.4.    Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

7.5.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, ligt in artikel 8:69a van de Awb besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op de belangen van anderen. [appellante] en anderen betogen dat de vergunde loods met kantoorruimte binnen de door de raad gehanteerde richtafstand is geprojecteerd, zodat in zoverre geen aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd. Zoals onder 7.1 is overwogen is de richtafstand met een stap verlaagd naar 10 m, omdat het plangebied volgens de raad deel uitmaakt van een "gemengd gebied", als bedoeld in de VNG-brochure. Het perceel [locatie 1], waarop de verleende omgevingsvergunning van 27 oktober 2021 voor een loods met kantoorruimte ziet, is niet in eigendom van of in gebruik bij [appellante] en anderen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat [appellante] en anderen zich beroepen op een rechtsregel die in zoverre kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen waarvoor zij opkomen. De conclusie is dat artikel 8:69a van de Awb kan worden tegengeworpen aan [appellante] en anderen. Dit betekent dat de Afdeling geen aanleiding ziet het bestreden besluit op dit punt te vernietigen.

7.6.    Voor zover door [appellante] en anderen is gewezen op de gevolgen voor lichthinder bij de tegenover de beoogde locatie van het tankstation aanwezige bedrijfswoningen, ziet de Afdeling, gezien de beperkte verkeersgeneratie die uitgaat van het plan, geen grond voor de conclusie dat de raad het plan op dit punt redelijkerwijs niet aanvaardbaar heeft mogen achten. Op de zitting is door [partij] nog toegelicht dat bij de daadwerkelijke invulling van het bouwplan rekening wordt gehouden met de in- en uitrijdrichting, zodat lichthinder van auto’s zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Het betoog slaagt niet.

Behoefte

8.       [appellante] en anderen betogen dat de behoefte aan het in het plangebied voorziene tankstation niet goed is onderbouwd. Het "Distributief Planologisch Onderzoek. t.b.v. oprichting onbemand tankstation [locatie 1] Havelte" van Bureau Starline van 30 september 2019 (hierna: het DPO), dat aan het plan ten grondslag is gelegd, kan het besluit tot vaststelling van het plan niet dragen omdat dit rapport volgens hen niet meer actueel is. Daarnaast betogen zij dat de brandstoffenmarkt sterk aan verandering onderhevig is als gevolg van een reeks ingrijpende ontwikkelingen. Die ontwikkelingen zullen er volgens hen toe leiden dat de vraag naar tankstations in de nabije toekomst zal afnemen. In dit verband wijzen [appellante] en anderen op enkele passages uit de scenariostudie "Brandstoffen en andere energiedragers" van BOVAG van 13 april 2022. Hieruit blijkt volgens [appellante] en anderen dat de afzet van fossiele motorbrandstoffen de komende jaren met tientallen procenten zal dalen. Gezien deze ontwikkeling, en gezien de omstandigheid dat het DPO al ruim drie jaar oud is, berust het plan in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

8.1.    De Afdeling stelt vast dat er voorafgaand aan de vaststelling van het plan een distributief planologisch onderzoek is gedaan naar de komst van het tankstation, waar het plan in voorziet, omdat hiermee een vorm van detailhandel wordt toegestaan die voorheen nog niet mogelijk was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan. In het DPO dat aan het plan ten grondslag is gelegd, is onderzocht of de levensvatbaarheid van de reeds aanwezige tankstations binnen het verzorgingsgebied niet in onevenredige mate wordt aangetast door de komst van het in het plan voorziene tankstation. De conclusie uit het DPO is dat er als gevolg van de realisatie van het tankstation geen sprake zal zijn van een duurzame ontwrichting van het onderzochte marktgebied. In het reële volumescenario is berekend dat de huidige vraag naar motorbrandstoffen in 2019 ongeveer 5 miljoen liter motorbrandstoffen hoger ligt dan het netto aanbod aan motorbrandstoffen. Hiermee biedt de markt van motorbrandstoffen binnen de gemeente voldoende ruimte voor de vestiging van een tankstation op de onderzoekslocatie, aldus het DPO.

8.2.    Nadien zijn er door de raad twee nadere rapporten van Bureau Starline overgelegd, in reactie op de door [appellante] en anderen in hun beroep geuite bezwaren, te weten de "Reactie op schrijven mr. L. Bolier van Bureau Starline van 15 september 2022" en een geactualiseerde versie van het DPO van 18 oktober 2022. Hieruit komt naar voren dat ook aan de hand van geactualiseerde berekeningen volgens Bureau Starline binnen de gemeente nog steeds sprake is van een netto vraag naar motorbrandstoffen die het aanbod overstijgt. Anders dan in het DPO uit 2019 is hierbij ook een doorberekening naar 2030 gemaakt, waarbij op basis van de landelijke klimaatdoelen een onderscheid is gemaakt tussen de toekomstige vraag naar fossiele en duurzame motorbrandstoffen. Ook op basis van de gewijzigde volumepotentieelberekeningen voor fossiele motorbrandstoffen 2025 en 2030 constateert Bureau Starline een vraagoverschot, zodat het geprojecteerde tankstation volgens haar niet tot een duurzame ontwrichting van het onderzochte marktgebied leidt.

8.3.    In wat [appellante] en anderen daarover hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat er onvoldoende behoefte bestaat voor het in het plan voorziene tankstation. De algemene conclusie die [appellante] en anderen ontlenen aan de scenariostudie van BOVAG, dat de motorbrandstoffenmarkt aan verandering onderhevig is als gevolg van verduurzamingsopgaven en de transitie naar duurzame brandstoffen, waarbij het de verwachting is dat de vraag naar fossiele motorbrandstoffen in de toekomst zal afnemen, acht de Afdeling hiervoor onvoldoende. Mede gezien de conclusies en resultaten die volgen uit het nadere schrijven van Bureau Starline van 15 september 2022 en de geactualiseerde versie van het DPO, ziet de Afdeling dan ook onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door de raad aan het plan ten grondslag gelegde DPO.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9.       Het beroep van [appellante] en anderen is gegrond. In wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De Afdeling ziet, onder verwijzing naar wat zij heeft overwogen onder 6.3, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten.

10.     De raad moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Westerveld van 28 juni 2022 tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Tankstation [locatie 1]";

III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Westerveld tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.674,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.       gelast dat de raad van de gemeente Westerveld aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Plambeck
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2023

159-1037