Uitspraak 202201226/1/V3


Volledige tekst

202201226/1/V3.
Datum uitspraak: 5 september 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 februari 2022 in zaak nr. NL22.424 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 18 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De vreemdeling komt uit Rusland. De staatssecretaris heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat de Zweedse autoriteiten de verantwoordelijkheid voor de behandeling daarvan hebben geaccepteerd. De vreemdeling heeft in bezwaar een beslissing van de Zweedse rechter in vreemdelingenzaken van 12 mei 2021 overgelegd, waaruit volgt dat die rechter heeft geoordeeld dat de vreemdeling geen recht heeft op internationale bescherming. Ook heeft de vreemdeling een beslissing van het Zweedse hof van beroep van 1 juli 2021 overgelegd, waaruit volgt dat hij geen toestemming heeft gekregen tegen de uitspraak van de Zweedse rechter van 12 mei 2021 in hoger beroep te gaan. De vreemdeling betoogt dat hij daarom bij overdracht aan Zweden indirect een reëel risico op refoulement als bedoeld in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag loopt.

2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit om de vreemdeling aan Zweden over te dragen om twee redenen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. In de eerste plaats heeft de staatssecretaris, zoals hij zelf ook heeft erkend, ten onrechte de zienswijze van de vreemdeling niet bij het besluit van 10 januari 2022 betrokken. In de tweede plaats heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat verschil bestaat in de wijze waarop door Nederland en Zweden bescherming wordt geboden aan LHBTI uit Rusland. Daarom bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een tekortkoming in de bescherming tegen refoulement in Zweden en moet de staatssecretaris onderzoeken of die tekortkoming de door het Hof van Justitie in het arrest van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, bedoelde hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt, waardoor de staatsecretaris de behandeling van de asielaanvraag aan zich moet trekken.

3.       De staatssecretaris klaagt in grief 1 terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in dit geval moet onderzoeken of overdracht aan Zweden niet indirect tot refoulement leidt. De staatssecretaris betoogt namelijk terecht dat de rechtbank met dat oordeel niet heeft onderkend dat de bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken, bij de vreemdeling ligt en de vreemdeling daar niet aan heeft voldaan. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Zweedse asielbeleid voor Russische LHBTI evident en fundamenteel verschilt van het Nederlandse beleid.

3.1.    De vreemdeling heeft geen gegevens verschaft of stukken overgelegd waaruit zonder inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag volgt dat Zweden een fundamenteel ander beschermingsbeleid dan Nederland voert voor Russische LHBTI. Voor Russische LHBTI in Nederland wordt weliswaar aangenomen dat zij in een risicogroep vallen, maar nog steeds geldt dat het reële risico op ernstige schade bij terugkeer individueel wordt beoordeeld en dat risico niet in het algemeen wordt aangenomen. Dat de Zweedse rechter de asielaanvraag van de vreemdeling heeft afgewezen en het Zweedse hof geen toestemming voor hoger beroep heeft verleend leidt niet tot het oordeel dat de vreemdeling een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris mag er daarom nog steeds op vertrouwen dat de Zweedse autoriteiten het risico op refoulement in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het EU Handvest, beoordelen en hoeft, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet nader te motiveren dat bij overdracht geen reëel risico op indirect refoulement bestaat. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 6 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2022:1864, onder 8 - 8.3 en onder 9.

De grief slaagt.

4.       De staatssecretaris heeft erkend dat hij de zienswijze van de vreemdeling ten onrechte niet bij het besluit van 10 januari 2022 heeft betrokken, maar klaagt in grief 2 terecht dat de rechtbank aanleiding had moeten zien om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. De vreemdeling is in de zienswijze alleen ingegaan op het reële risico op het bestaan van indirect refoulement en heeft dat risico, zoals volgt uit de overwegingen hiervoor, onder 3 en 3.1, niet aannemelijk gemaakt. De uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1457, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, gaat over de situatie dat een vreemdeling geen zienswijze heeft kunnen inbrengen. Dat is in deze zaak niet het geval.

De grief slaagt.

5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen en heeft nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 januari 2022 in stand blijven. Omdat niet in geschil is dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard en het besluit terecht vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit van 10 januari 2022 feitelijk toch blijft gelden. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 februari 2022 in zaak nr. NL22.424, voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen en heeft nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 10 januari 2022, V-[…], in stand blijven;

III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Klinkhamer, griffier.

w.g. Verburg

voorzitter

w.g. Klinkhamer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2022

906