Uitspraak 202001919/1/A2


Volledige tekst

202001919/1/A2.
Datum uitspraak: 14 juli 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de raad van de gemeente Amstelveen,

appellant,

en

de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2019 heeft de raad een verzoek van de Stichting Islamitisch Onderwijs Noord-Holland (hierna: SIO) om een basisschool op islamitische grondslag op te nemen in het plan van scholen 2020-2022, afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2020 heeft de minister het door SIO hiertegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 juni 2019 vernietigd en bepaald dat de door SIO verlangde basisschool via het eerstvolgende plan van scholen voor bekostiging in aanmerking moet worden gebracht.

Tegen dit besluit heeft de raad beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

SIO heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2021, waar de raad, vertegenwoordigd mr. J.P. Dikker, advocaat te Haarlem, vergezeld door J. Blokland, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.J.J. van West de Veer, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting SIO, vertegenwoordigd door mr. A. Yandere, advocaat te Den Haag, vergezeld van [gemachtigden], als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Inleiding en geschil

1.       Het wettelijk kader wordt gevormd door de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo). De belangrijkste toepasselijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.       SIO wil in de gemeente Amstelveen een islamitische basisschool oprichten. Om voor bekostiging in aanmerking te komen, heeft SIO de raad verzocht om opneming van die school in het plan van scholen 2020-2022. In artikel 77, eerste lid van de Wpo is bepaald dat de raad een bijzondere school in elk geval in het plan opneemt, indien op grond van de bij de aanvraag overgelegde gegevens aannemelijk is dat de school binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm. In Amstelveen is de stichtingsnorm 290 leerlingen.

3.       Bij het verzoek dient op grond van artikel 76, tweede lid, van de Wpo, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, een prognose van het te verwachten aantal leerlingen te worden overgelegd. Omdat in Amstelveen nog geen islamitische basisschool aanwezig is, dient de prognose gegevens te bevatten over het belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs in een vergelijkbare gemeente. Volgens SIO is de gemeente Maastricht vergelijkbaar met de gemeente Amstelveen. Op grond van het belangstellingspercentage in Maastricht is het aannemelijk dat de in Amstelveen geldende stichtingsnorm wordt behaald, aldus SIO.

4.       De raad heeft het verzoek afgewezen, omdat Maastricht niet voldoende vergelijkbaar is met Amstelveen op grond van het aantal inwoners, de regionale ligging en functie, het herkomstgebied van de leerlingen en de aanwezigheid van islamitische basisscholen in de nabije omgeving. Er kan dus niet van worden uitgegaan dat in Amstelveen eenzelfde belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs zal bestaan als in Maastricht. Daarbij komt dat er geen direct aantoonbare belangstelling is van ouders voor islamitisch onderwijs in Amstelveen, aldus de raad.

5.       De minister heeft het besluit van de raad vernietigd, omdat het volgens hem wel aannemelijk is dat de door SIO verlangde islamitische basisschool zal worden bezocht door ten minste het wettelijk vereiste aantal leerlingen.

Anders dan de raad, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat Amstelveen en Maastricht op de relevante aspecten voldoende vergelijkbaar zijn, zodat het belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs in Maastricht kan worden gebruikt in de prognose voor de verlangde islamitische basisschool in Amstelveen. De mate van stedelijkheid is in zowel Amstelveen als Maastricht 2 en dus vergelijkbaar. Ook wat betreft oppervlakte komen beide gemeenten redelijk overeen. De leerlingdichtheid is in Maastricht wel een stuk lager dan in Amstelveen (120 onderscheidenlijk 214). Het is echter niet aannemelijk dat het verschil in leerlingdichtheid zal leiden tot een lager schoolbezoek in Amstelveen vergeleken met Maastricht. Voor het bepalen van de vergelijkbaarheid waar het gaat om een nieuwe islamitische basisschool is volgens de minister verder de groep niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land relevant. Die groep komt in Amstelveen redelijk overeen met de groep in Maastricht. Het aantal 0-15-jarigen binnen de groep niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land is in Amstelveen zelfs groter dan in Maastricht. Volgens de minister vormt dat verschil een positieve indicatie voor de belangstelling voor islamitisch basisonderwijs in Amstelveen, evenals het gegeven dat het totaal aantal basisschoolgaande kinderen in de leeftijd 4-11 jaar in Amstelveen groter is dan in Maastricht. Het mogelijke verschil in regio-/centrumfunctie leidt er daarom in dit geval niet toe dat Maastricht niet als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt. De raad heeft evenmin duidelijk gemaakt waarom het verschil tussen het gemiddelde inkomen per inwoner in Amstelveen en in Maastricht zou moeten leiden tot het oordeel dat beide gemeenten niet vergelijkbaar zijn. Ten slotte is het enkele feit dat er momenteel vrijwel geen islamitische leerlingen vanuit Amstelveen naar een islamitische basisschool in Amsterdam gaan, onvoldoende om te concluderen dat er bij islamitische ouders in Amstelveen geen of onvoldoende belangstelling voor islamitisch onderwijs in Amstelveen is, aldus de minister.

Het beroep van de raad en de beoordeling ervan door de Afdeling

6.       De raad handhaaft in beroep zijn standpunt dat een islamitische basisschool in Amstelveen op onvoldoende belangstelling kan rekenen, zodat het niet aannemelijk is dat de verlangde school de stichtingsnorm zal halen.

Volgens de raad kan niet worden uitgegaan van het belangstellingspercentage in Maastricht, omdat die gemeente op grond van de onder 3 genoemde punten niet vergelijkbaar is met Amstelveen. Verder is het niet redelijk dat de minister bij het bepalen van de vergelijkbaarheid is uitgegaan van alle herkomstlanden met een islamitische cultuur, omdat Marokko en Turkije verreweg het grootste aandeel hebben in die herkomstlanden. De relevantie van het verschil tussen het gemiddelde inkomen per inwoner in Amstelveen en in Maastricht is erin gelegen dat hoe hoger het inkomen, hoe hoger ook het gewenste opleidingsniveau is. Hoger opgeleide allochtone ouders geven soms de voorkeur aan een school met een groter percentage kinderen dat Nederlands als moedertaal heeft, omdat zij verwachten dat hun kinderen dan ook beter Nederlands leren spreken, aldus de raad. Ter zitting heeft de raad in dit verband nog toegelicht dat in Amstelveen ook een relatief grote groep kenniswerkers met Turkse achtergrond woont, die hun kinderen liever naar een internationale school sturen vanwege het vergelijkbare curriculum op internationale scholen in andere plaatsen.

Volgens de raad heeft de minister zich verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verschillen tussen het aantal 0-15-jarigen binnen de groep niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land en tussen het aantal kinderen in de basisschoolgaande leeftijd in Amstelveen en Maastricht als positieve indicaties kunnen worden aangemerkt. Hoewel op korte reisafstand in het naastgelegen Amsterdam negen islamitische basisscholen zijn, bezoeken namelijk momenteel slechts zeven kinderen uit Amstelveen een van die scholen. De bereidheid van ouders die in Amstelveen wonen om hun kinderen naar een islamitische basisschool te sturen, is dan ook buitengewoon laag. Dat blijkt ook uit een onderzoek dat de gemeente Amstelveen in april/mei 2020 heeft laten uitvoeren, aldus de raad.

- Algemeen beoordelingskader

6.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 76, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wpo volgt dat verschillende factoren van belang zijn bij de vraag naar de vergelijkbaarheid van een gemeente, zoals de ligging van de gemeente, de bevolkingssamenstelling en, als het een groeigemeente betreft, de gemeente waaruit de desbetreffende bevolking afkomstig is. Daarnaast spelen de factoren leerlingdichtheid en totaal aantal inwoners een rol (Kamerstukken II 1992/93, 23 070, nr. 3, blz. 21 en nr. 6, blz. 40). Verder wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke vergelijkbaarheid tussen de gemeenten, opdat wordt voorkomen dat de ene gemeente wordt opgezadeld met de toevallige denominatieve verdeling in een andere gemeente (Kamerstukken II 1993/94, 23 070, nr. 13, blz. 24). De gemeenten hoeven niet in alle opzichten gelijk te zijn, maar zij moeten wel in relevante opzichten voldoende vergelijkbaar zijn. De situatie in een concreet geval is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bepalend voor de vraag welke criteria bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van gemeenten relevant zijn. Het doel van de vergelijking is er immers in gelegen de vraag te beantwoorden of aannemelijk is dat de op te richten school ten minste de stichtingsnorm haalt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:421). Dit brengt met zich dat verschillen tussen gemeenten mogelijk positieve indicaties kunnen vormen voor de belangstelling voor islamitisch onderwijs in een gemeente (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:865), bijvoorbeeld wanneer bepaalde factoren in de vergelijkingsgemeente ongunstiger zijn dan in de gemeente waar de aanvraag tot opneming in het plan van bijzondere scholen betrekking op heeft.

Bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van gemeenten heeft de raad en, in administratief beroep, de minister een zekere beoordelingsruimte.

- Aantal inwoners, leerlingendichtheid en bevolkingssamenstelling

6.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat Amstelveen ongeveer 73% van het aantal inwoners van Maastricht heeft. De minister heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat het verschil in inwonertal in dit geval geen relevante factor is om onvergelijkbaarheid aan te nemen, gelet op de leerlingendichtheid - de uitkomst van het aantal kinderen van 4 tot en met 11 jaar in een gemeente gedeeld door het aantal km² grondoppervlak van die gemeente - en de bevolkingssamenstelling.

Amstelveen heeft een hogere leerlingendichtheid dan Maastricht. Het verschil in leerlingendichtheid wordt veroorzaakt door het hogere aantal kinderen van 4 tot en met 11 jaar in Amstelveen (8.324) vergeleken met Maastricht (6.907), in combinatie met een kleinere oppervlakte. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat, juist nu in Amstelveen meer kinderen in de basisschoolgaande leeftijd wonen dan in Maastricht, dat een positieve indicatie vormt dat de stichtingsnorm van 290 leerlingen zal worden gehaald (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3686).

De minister heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat voor het bepalen van de vergelijkbaarheid van de bevolkingssamenstelling waar het gaat om een nieuwe islamitische basisschool, de doelgroep met name bestaat uit de groep niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land. De religieuze achtergrond van de groep niet-westerse allochtonen is een factor van gewicht bij het meten van de belangstelling voor islamitisch onderwijs (vergelijk de uitspraak van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3370). Het is niet onredelijk dat de minister bij de berekening is uitgegaan van de door SIO genoemde negen islamitische herkomstlanden, te weten Afghanistan, Egypte, Ethiopië, Irak, Iran, Marokko, Pakistan, Somalië en Turkije. Ter zitting is toegelicht dat deze landen altijd worden betrokken als het gaat om het aantal niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land, omdat deze landen overwegend islamitisch zijn. Anders dan de raad lijkt te veronderstellen, zijn inwoners met Suriname, Indonesië of Bosnië als herkomstland dus niet meegeteld.

Verder is het niet alleen van belang om te kijken naar het aantal niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land, maar ook naar het aantal basisschoolgaande kinderen uit die groep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1320). Het aantal 0-15-jarigen binnen de groep niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land is in Amstelveen (1.189) hoger dan in Maastricht (1.026). De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit gegeven, in combinatie met de hogere leerlingendichtheid in Amstelveen, eveneens een positieve indicatie vormt dat de stichtingsnorm zal worden gehaald.

6.3.    Het betoog faalt in zoverre.

- Regio-/centrumfunctie

6.4.    Ter zitting heeft de raad medegedeeld het betoog op dit punt niet te handhaven.

- Inkomensverschillen

6.5.    In Amstelveen is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking € 32.800,00 en in Maastricht is dat € 24.700,00. In Amstelveen heeft 5,6% van de bevolking een inkomen op of rond het sociaal minimum, in Maastricht is dat 9,8%. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger het opleidingsniveau, aldus de raad. De raad heeft in beroep een onderzoeksrapport van de gemeente Rotterdam overgelegd. Rotterdam heeft in 2018 een literatuurstudie gedaan naar de schoolkeuzemotieven van ouders in het algemeen en de kansrijke doelgroep in het bijzonder. Volgens de raad blijkt uit dat onderzoek dat hoger opgeleide allochtone ouders soms de voorkeur geven aan een school met een groter percentage kinderen dat Nederlands als moedertaal heeft, omdat zij verwachten dat hun kinderen dan ook beter Nederlands leren spreken.

SIO heeft kritische kanttekeningen bij die conclusie geplaatst. De bron die in het onderzoeksrapport wordt aangehaald bij deze stelling, betreft een onderzoek van de gemeente Amsterdam naar de schoolkeuze van Amsterdamse ouders uit 2004. Inmiddels is er veel veranderd ten aanzien van het islamitisch onderwijs. De kwaliteit is aanzienlijk verbeterd en het aantal leerlingen op het islamitisch onderwijs is gegroeid. In 2004 telde het islamitisch onderwijs 8.388 leerlingen en in 2018 15.078 leerlingen, aldus SIO. Daarnaast voert SIO aan dat de redenering van de raad - hoe hoger het inkomen, hoe hoger het opleidingsniveau - niet juist is. Juist is: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger het inkomen. Een hoger inkomen voor moslims brengt mee dat zij het zich kunnen permitteren om in duurdere buitenwijken en omringende gemeenten te wonen. Zo zijn hoogopgeleide moslims die zich in Amstelveen hebben gevestigd voor een substantieel deel afkomstig uit Amsterdam, aldus SIO.

6.6.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8412, volgt dat het opleidingsniveau een factor is die van invloed kan zijn op de belangstelling voor islamitisch onderwijs. Los van de vraag of zonder nadere feitelijke onderbouwing uit het gegeven dat in Amstelveen het gemiddelde inkomen per persoon hoger is dan in Maastricht kan worden afgeleid dat ook het gemiddelde opleidingsniveau van islamitische ouders in Amstelveen hoger is, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat er op basis van dit gegeven in Amstelveen minder ouders voor een islamitische basisschool zouden kiezen dan in Maastricht. Niet duidelijk is wanneer dit gegeven een rol speelt en hoeveel invloed het heeft op islamitische ouders bij hun keuze voor een school voor hun kinderen. Verder heeft SIO er terecht op gewezen dat sinds 2004 veranderingen hebben plaatsgevonden in het islamitisch onderwijs en het onderzoek naar de schoolkeuze van Amsterdamse ouders uit dat jaar ook daarom niet zonder meer representatief is voor de Amstelveense situatie in 2020. Ter zitting is verder besproken dat de hiervoor vermelde inkomensgegevens afkomstig zijn van alle inwoners van Maastricht en Amstelveen en er geen afzonderlijke gegevens voorhanden zijn over het gemiddelde inkomen en opleidingsniveau van de doelgroep voor de verlangde school, namelijk niet-westerse allochtonen met een herkomst uit een islamitisch land.

Gelet op het voorgaande, heeft de minister in redelijkheid de inkomensverschillen in dit geval niet relevant hoeven te achten voor de vergelijkbaarheid van beide gemeentes.

6.7.    Het betoog faalt ook in zoverre.

- Direct aantoonbare belangstelling

6.8.    De raad heeft in beroep een onderzoeksrapport van onderzoeksbureau Team Vier overgelegd. Dat bureau heeft in april/mei 2020 in Amstelveen door middel van vragenlijsten onderzoek gedaan naar de belangstelling van ouders van huidige en toekomstige basisschoolleerlingen voor verschillende soorten basisscholen. Volgens de raad blijkt uit dat onderzoek dat slechts 3% van alle ondervraagde ouders zou kiezen voor een islamitische basisschool. Daarmee zou de stichtingsnorm niet worden behaald. SIO heeft dit onderzoeksrapport in juni 2020 laten analyseren door onderzoeksbureau Labyrinth en kritische kanttekeningen bij de bevindingen uit dit onderzoeksrapport geplaatst.

6.9.    Ter zitting is besproken dat het door de raad overgelegde onderzoek niet kan worden aangemerkt als een directe meting als bedoeld in artikel 75 van de Wpo. Gelet op de op deze zaak van toepassing zijnde regelgeving, dient in de prognose voor het belangstellingspercentage voor islamitisch onderwijs in Amstelveen uit te worden gegaan van het belangstellingspercentage voor islamitisch onderwijs in een vergelijkbare gemeente. Nu er, gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de gemeente Maastricht niet als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt, heeft SIO zich kunnen beperken tot de indirecte meting en heeft de minister zich terecht daarop gebaseerd.

Aan het door de raad overlegde onderzoeksrapport, wat daar ook van zij, kan dan ook niet de betekenis worden gehecht die de raad daaraan gehecht wenst te zien.

6.10.  Het betoog faalt in zoverre eveneens.

Eindoordeel

7.       De conclusie is dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat Amstelveen en Maastricht op de relevante aspecten voldoende vergelijkbaar zijn, zodat het belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs in Maastricht kan worden gebruikt in de prognose voor de verlangde islamitische basisschool in Amstelveen. Op basis daarvan heeft de minister aannemelijk kunnen achten dat de door SIO verlangde islamitische basisschool zal worden bezocht door ten minste het wettelijk vereiste aantal leerlingen. Gelet op artikel 80, tweede lid, van de Wpo betekent dit dat de minister terecht heeft bepaald dat de door SIO verlangde islamitische basisschool via het eerstvolgende plan van scholen voor bekostiging in aanmerking moet worden gebracht.

8.       Het beroep is ongegrond.

9.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. De Vries-Biharie
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2021

611.

BIJLAGE - WETTELIJK KADER (zoals dit luidde ten tijde van belang)

Wet op het primair onderwijs

Artikel 74:

1. De bekostiging van een openbare en een bijzondere school kan slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. […] De bekostiging kan slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.

2. De gemeenteraad stelt het plan, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, al dan niet in samenwerking met de raad van een of meer andere gemeenten, elk jaar voor 1 augustus vast. Het plan bestrijkt 3 achtereenvolgende schooljaren volgende op het jaar van de vaststelling en vermeldt in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen. Het plan vermeldt verder van elke school de plaats van vestiging en de te verwachten omvang. Het plan behoeft de goedkeuring van Onze minister, bedoeld in artikel 79.

[…].

Artikel 75:

1. Een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, gaat vergezeld van:

a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,

b. de beschrijving van het voedingsgebied,

c. de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven en

d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging.

[…]

5. De in het eerste lid bedoelde prognose:

a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen voor elk jaar van het tijdvak waarop de prognose betrekking heeft,

b. is gebaseerd op statistische gegevens over een tijdvak van 5 jaar en

c. vermeldt de berekeningen die tot de uitkomsten hebben geleid.

De prognose bevat gegevens omtrent:

1°. het voedingsgebied,

2°. de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven,

3°. de bevolking in het voedingsgebied van 0 tot en met 14 jaar, verdeeld in leeftijdsgroepen van 1 jaar,

4°. de te verwachten instroom naar en uitstroom uit die bevolking,

5°. het te verwachten aantal levendgeborenen en

6°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het openbaar basisonderwijs in een vergelijkbare gemeente, of

7°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de openbare school of scholen binnen de gemeente.

De prognose kan tevens gegevens bevatten naar aanleiding van de directe meting.

6. Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.

Artikel 76:

1. Een aanvraag tot opneming in het plan van een bijzondere school moet voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden ingediend.

2. De aanvraag vermeldt de richting van de school en naam en adres van het bevoegd gezag en gaat vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, met dien verstande dat in afwijking van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, onder 6° en 7°, de prognose gegevens bevat omtrent:

a. indien het betreft een richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente, of

[…].

Artikel 77:

1. De gemeenteraad neemt een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij de aanvraag overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

2. Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 154. […]

Artikel 80:

1. Indien de gemeenteraad een aanvraag tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet heeft ingewilligd, kunnen de aanvragers administratief beroep instellen bij Onze minister.

2. Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen plan.