Uitspraak 202004981/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2021:412
- Datum uitspraak
- 25 februari 2021
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 februari 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202004981/1/V1.
Datum uitspraak: 25 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 augustus 2020 in zaak nr. 19/7207 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen DNA-onderzoek uit te voeren na afname van DNA-materiaal in Eritrea en een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door M.L. van Leer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De Eritrese vreemdeling, geboren op [geboortedatum] 2008, wil in Nederland wonen bij zijn gestelde vader, referent. Hij heeft gesteld dat hij bij zijn oma in Eritrea verblijft en niet bij zijn moeder die volgens hem ook in Eritrea verblijft. De staatssecretaris heeft hem wegens bewijsnood DNA-onderzoek aangeboden op de Nederlandse ambassade in Ethiopië om de familierelatie met zijn gestelde ouders aannemelijk te maken. Volgens de vreemdeling kan zijn moeder Eritrea niet uitreizen voor de uitvoering van dit DNA-onderzoek en kan zij daarom ook niet persoonlijk een verklaring tekenen op de Nederlandse ambassade in Ethiopië om toestemming te geven voor zijn verblijf bij referent. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling zijn identiteit en de familierelatie met zijn gestelde ouders niet aannemelijk heeft gemaakt en niet heeft voldaan aan het vereiste van een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder. Deze zaak gaat over de vraag of de staatssecretaris op passende wijze is tegemoetgekomen aan het belang van de vreemdeling.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris niet passend is tegemoetgekomen aan het belang van de vreemdeling door DNA-onderzoek aan te bieden op de Nederlandse ambassade in Ethiopië, omdat hij ten onrechte geen bijzondere aandacht heeft gehad voor de situatie van de gestelde moeder van de vreemdeling en het belang van de vreemdeling als minderjarig kind. Zij heeft overwogen dat de staatssecretaris niet in redelijkheid kon verwachten dat de vreemdeling en zijn gestelde moeder voor aanvullend onderzoek Eritrea zouden uitreizen, gelet op het aanzienlijke risico voor de gestelde moeder dat zij na illegale uitreis uit Eritrea niet naar haar gezin in Eritrea kan terugkeren en gelet op de praktische problemen voor het regelen van een begeleide uitreis uit Eritrea van een jong kind als de vreemdeling. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij geen DNA-onderzoek kan faciliteren in Eritrea met hulp van andere EU-lidstaten. Zij heeft de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling en zijn gestelde moeder in de gelegenheid te stellen DNA-materiaal af te staan in Eritrea en de al overgelegde toestemmingsverklaring daar te laten legaliseren, bijvoorbeeld op een ambassade van een andere EU-lidstaat in Eritrea of met hulp van het IOM.
3. De staatssecretaris klaagt in zijn twee grieven over deze overwegingen van de rechtbank.
3.1. De Afdeling heeft de in grief 2 van de staatssecretaris aangevoerde rechtsvraag over de juridische grondslag van de door de rechtbank opgedragen wijze van aanvullend onderzoek beantwoord in de uitspraak van 24 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3117, onder 4.1 en 4.2. Uit deze uitspraak volgt dat grief 2 faalt, omdat op voorhand niet valt uit te sluiten dat de staatssecretaris onder omstandigheden gehouden is aanvullend onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU-lidstaat of door ten minste een onderzoek naar die mogelijkheid.
3.2. Desondanks klaagt de staatssecretaris in grief 1 terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet passend is tegemoetgekomen aan het belang van de vreemdeling. Hij betoogt namelijk terecht dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de omstandigheden van de vreemdeling en zijn gestelde moeder niet maken dat hij gehouden is tot het faciliteren van aanvullend onderzoek op de door de rechtbank opgedragen wijze. Hij wijst er terecht op dat hij de vreemdeling is tegemoetgekomen in zijn bewijslast door aanvullend onderzoek aan te bieden. Verder betoogt hij terecht dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat om rekening te kunnen houden met de belangen van de vreemdeling duidelijkheid moet bestaan over de identiteit en familierelatie van de vreemdeling en zijn gestelde ouders. Ook voert de staatssecretaris over het belang van de vreemdeling terecht aan dat hij in zijn beoordeling heeft betrokken dat de vreemdeling niet in een schrijnende situatie verkeert, gelet op zijn gestelde verblijf bij zijn oma. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 16 september 2019, onder 7.1, derde en vierde alinea.
De staatssecretaris voert eveneens terecht aan dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gestelde moeder in Eritrea verblijft en niet kan uitreizen. Hij wijst er namelijk terecht op dat dit niet blijkt uit de door de vreemdeling overgelegde onofficiële documenten en de vreemdeling, nadat hij daartoe door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld, niet alsnog een family residence card heeft overgelegd om dit aannemelijk te maken. De vreemdeling voert hiertegen in zijn schriftelijke uiteenzetting tevergeefs aan dat hij bij brief van 29 mei 2019 heeft verklaard dat hij de gevraagde family residence card niet kon overleggen wegens coronamaatregelen die maken dat zijn gestelde moeder dit document niet aan hem kan toesturen, omdat hij die verklaring niet heeft onderbouwd en daarmee ook niet duidelijk heeft gemaakt waarom zijn gestelde moeder dit document en de identiteitskaart waarover zij volgens die brief beschikt niet al eerder heeft toegestuurd.
Ten slotte betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat hij in het verweerschrift van 24 januari 2020 aan de vreemdeling heeft tegengeworpen dat hij heeft verklaard dat hij geen contact heeft met zijn gestelde moeder, maar het feit dat hij eerder documenten van haar heeft overgelegd op het tegendeel wijst.
Grief 1 slaagt.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
5. De vreemdeling heeft tevergeefs betoogd dat hij de familierelatie met zijn gestelde moeder aannemelijk heeft gemaakt met de door hem overgelegde originele doopakte, een kopie van een vaccinatieboekje en schoolrapporten. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt dat de vreemdeling die relatie niet aannemelijk heeft gemaakt terecht ten grondslag gelegd dat de kopie van het vaccinatieboekje slecht leesbaar is, daarvan een vertaling ontbreekt en dat de familierelatie niet valt af te leiden uit de schoolrapporten. Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte beperkte waarde aan de doopakte toegekend, omdat hij terecht heeft betrokken dat uit die doopakte niet blijkt of hier een Eritrees brondocument aan ten grondslag ligt. Gelet op het bovenstaande faalt ook het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris in de door hem overgelegde documenten ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om hem vrijstelling te verlenen van het vereiste van een toestemmingsverklaring.
5.1. De vreemdeling heeft tevergeefs betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb. Uit wat de Afdeling hiervoor onder 3.2 heeft overwogen volgt immers dat staatssecretaris de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden deugdelijk in zijn beoordeling heeft betrokken en die omstandigheden geen afwijking van het nareisbeleid noodzakelijk maken.
5.2. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 21 augustus 2020 in zaak nr. 19/7207;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2021
488-958.