Uitspraak 202004317/2/R2


Volledige tekst

202004317/2/R2.
Datum uitspraak: 31 december 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te Eindhoven,

2.    [verzoeker sub 2], wonend te Eindhoven,

3.    [verzoeker sub 3], wonend te Eindhoven,

4.    [verzoeker sub 4], wonend te Eindhoven,

5.    Stichting Draaipunt, gevestigd te Eindhoven,

6.    [verzoeker sub 6A] en [verzoeker sub 6B], beiden wonend te Eindhoven,

verzoekers,

en

1.    de raad van de gemeente Eindhoven,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "I Philipsdorp 2013 (Langdonkenstraat)" vastgesteld.

Bij besluit van 17 juni 2020 heeft het college aan de Stichting Collectief Particulier Opdrachtgeverschap Philipsdorp (hierna: CPO Philipsdorp) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van dertien woningen en een parkeervoorziening aan de Draaiboomstraat/Langdonkenstraat.

De besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen deze besluiten hebben onder meer [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 4], Stichting Draaipunt en [verzoekers sub 6] beroep ingesteld.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

CPO Philipsdorp en Stichting Draaipunt hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 17 december 2020, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 2], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, [verzoeker sub 4], bijgestaan door [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3], Stichting Draaipunt, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [verzoeker sub 2], [verzoekers sub 6], en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. E. van de Nieuwelaar en S.P.M. Gijsbers-van der Meijden, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord CPO Philipsdorp, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], en vergezeld door [gemachtigde D].

Overwegingen

Aard procedure

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Het plan en de omgevingsvergunning voorzien in de bouw van dertien woningen en een parkeervoorziening, met een gemeenschappelijke binnentuin. Het plangebied betreft een in de huidige situatie braakliggend terrein tussen de Hubertastraat, Langdonkenstraat en de Draaiboomstraat. Verzoekers wonen aan de Draaiboomstraat, in de directe omgeving van het plangebied. Stichting Draaipunt zet zich in voor het behoud van het woon- en leefklimaat ter plaatse.

Verzoek en wijze van behandeling

3.    Verzoekers richten zich tegen de bestreden besluiten. Zij hebben verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

Verzoekers hebben in beroep hoofdzakelijk tegen het plan een groot aantal gronden aangevoerd. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een integrale beoordeling van al deze gronden. Hierna komen de ter zitting besproken, voor verzoekers meest zwaarwegende, gronden aan de orde.

Beschermd stadsgezicht

4.    Verzoekers betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de historische kwaliteiten van het gebied. Zij wijzen erop dat het plangebied deel uitmaakt van het beschermd stadsgezicht Philipsdorp. Verzoekers stellen dat de voorgestane woningen niet passen in de omgeving en dat het plan meer regels had moeten bevatten over de verschijningsvorm ervan.

4.1.    Het deel van het plangebied dat grenst aan de Hubertastraat, maakt onderdeel uit van het gebied dat bij besluit van 16 april 2003 is aangewezen als het beschermd stadsgezicht Philipsdorp. De raad heeft onweersproken gesteld dat dit deel van het plangebied behoort tot de rafelige (zuid)rand van Philipsdorp, en niet tot de meest waardevolle ‘companytown’. De raad heeft vervolgens, onder verwijzing naar de plantoelichting en de zienswijzennota, toegelicht op welke wijze de nieuwbouw aansluit bij de cultuurhistorische waarden van Philipsdorp. Hierbij heeft de raad onder andere gewezen op de toegestane bouwhoogte, diepte en situering de voorziene woningen. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen inbreuk maakt op het beschermd stadsgezicht Philipsdorp. Er bestaat op voorhand ook geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan nadere regels over de verschijningsvorm van de woningen had moeten worden opgenomen.

De betogen falen.

Privacy

5.    Verzoekers betogen dat het voorziene dakterras achter de nieuwe woningen aan de Draaiboomstraat zal leiden tot een ernstige aantasting van hun privacy. [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 6] wijzen in dit verband erop dat hun perceel aan weerszijden van het voorziene dakterras liggen en dat inkijk in hun woningen en achtertuinen zal ontstaan.

5.1.    In de verbeelding is weergegeven dat aan de gronden achter de  nieuwe woningen aan de Draaiboomstraat de bestemming "Wonen" is toegekend. Voorts rust op deze gronden de aanduidingen "bouwvlak", "maximum bouwhoogte (m) = 3", "specifieke vorm van wonen - terras 1" en "specifieke vorm van wonen - terras 2".

Volgens de plantoelichting zal een deel hiervan als dakterras voor twee bovenwoningen worden gebruikt en een deel als gemeenschappelijke stadsakker.

5.2.    Gelet op de situering van het voorziene dakterras, staat vast dat dit terras invloed zal hebben op de privacy van verzoekers, in het bijzonder van [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 6]. De raad heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat terzake geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy. De raad heeft daarbij van belang mogen achten dat deze locatie in een stedelijke omgeving ligt. De raad heeft verder in aanmerking mogen nemen dat ter beperking van de privacyinbreuk, in artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder c en d, van de planregels voorschriften zijn opgenomen over de ligging van het terras, waaronder het voorschrift dat de afstand tussen de dakterrasafscheiding en de zijdelingse perceelsgrens minimaal twee meter moet bedragen. De ter zitting naar voren gebrachte bezwaren over de opzet en formulering van deze regeling geven, wat hier verder ook van zij, geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor zover verzoekers voorts hebben gewezen op de mogelijkheid dat in de voorziene woningen balkons zullen worden aangebracht, heeft de raad zich, mede gezien de stedelijke omgeving waarin deze locatie ligt, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze balkons niet tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van verzoekers zullen leiden.

De betogen falen.

Bezonning

6.    Verzoekers betogen voorts dat de voorziene parkeergarage achter de nieuwe woningen aan de Draaiboomstraat, onder voormeld dakterras, voor hen als omwonenden zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van zonlicht. [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 6] brengen in dit verband naar voren dat door de maximale bouwhoogte van drie meter van de garage, de bezonning van hun woningen en achtertuinen zal worden beperkt en meer schaduw zal ontstaan. [verzoeker sub 1] wijst ter onderbouwing van dit standpunt op de door hem overgelegde "Bezonningsstudie [locatie 1]" van 17 december 2019 van ITX BouwConsult, waarin wordt geconcludeerd dat ten aanzien van zijn perceel niet wordt voldaan aan de zogenoemde lichte TNO-norm.

6.1.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad voor alle aan de nieuwbouw grenzende woningen een bezonningsstudie heeft laten uitvoeren. Aan de hand van de richtlijnen uit het gemeentelijk bezonningsbeleid is de schaduwwerking in de voorziene situatie in drie maatgevende periodes onderzocht. Ter zitting is verder gebleken dat in het gemeentelijk bezonningsbeleid aansluiting is gezocht bij de door TNO opgestelde richtlijnen voor bezonning.

6.2.    Uit de bezonningsstudie die aan het plan ten grondslag is gelegd, volgt dat de bezonning op de aangrenzende percelen [locatie 2]/[locatie 3] en [locatie 4] voldoet aan richtlijnen uit het gemeentelijk beleid. Verzoekers hebben de juistheid hiervan niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het gebied een stedelijke omgeving betreft, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in overeenstemming is met bedoeld beleid en dat de bestreden bouwmogelijkheden niet leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder.

Uit de bezonningsstudie die aan het plan ten grondslag is gelegd, blijkt vervolgens dat de bezonning op het perceel [locatie 1] niet voldoet aan richtlijnen uit het gemeentelijk beleid, omdat in het voor- en najaar voor een periode van twee weken een half uur te weinig zonlicht is in de woonkamer. Een dergelijke conclusie wordt ook in de bezonningsstudie van ITX BouwConsult, getrokken. De raad heeft uiteengezet dat hij afwijking van de bezonningsrichtlijn en dit beleid in dit geval aanvaardbaar acht, omdat slechts sprake is van een beperkte afwijking en het gebied een stedelijke omgeving betreft. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval is afgeweken van bedoeld beleid en dat de bouwmogelijkheden zouden leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder voor het perceel [locatie 1].

De betogen falen.

Achterom

7.    Verzoekers betogen dat het plan niet uitvoerbaar is, omdat op een deel van de gronden in het plangebied een erfdienstbaarheid - in de vorm van een recht van overpad - rust ten behoeve van de bereikbaarheid van de achterzijde van hun percelen.

7.1.    Over deze erfdienstbaarheid overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, dat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de vaststelling van een bestemmingsplan, alleen aanleiding bestaat wanneer deze een evident karakter heeft.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen zo duidelijke privaatrechtelijke belemmering is dat verwezenlijking van het plan niet mogelijk is. Daartoe is van belang dat is gebleken dat de erfdienstbaarheid op de eigen gronden van bepaalde verzoekers rust, en niet in het plangebied. Voorts is gebleken dat voor zover verzoekers stellen dat door verjaring een erfdienstbaarheid is verkregen op gronden in het plangebied, de raad dit met klem betwist en ter zitting vast is komen te staan dat de procedure bij de burgerlijke rechter hierover nog niet is afgerond.

De betogen falen.

Parkeerplaatsen

8.    Voor zover verzoekers hebben gesteld te vrezen voor een gebrek aan parkeerplaatsen in de omgeving, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de voorziene woningen niet tot onaanvaardbare parkeeroverlast zullen leiden. Daarbij is onder meer van belang dat de raad ter zitting en onder verwijzing naar artikel 8, lid 8.1.1. en lid 8.1.2., van de planregels onbestreden heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte van het geplande woningen volgens de gemeentelijke parkeernormen moet worden becijferd op elf parkeerplaatsen en dat die op eigen terrein kunnen en zullen worden gerealiseerd.

De betogen falen.

Overige beroepsgronden

9.    In wat verzoekers voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter ook geen aanknopingspunten voor de verwachting dat de bestreden besluiten in de bodemprocedure geen stand zullen kunnen houden.

Conclusie

10.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken dienen te worden afgewezen.

11.    Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2020

694.