Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201907921/1/A3

Uitspraak 201907921/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:1772
Datum uitspraak
29 juli 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen de aanvraag van [wederpartij] voor een vergunning voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie onzelfstandige woonruimten ten behoeve van kamerbewoning afgewezen. [wederpartij] is sinds 2013 eigenaar van de woning aan de [locatie] in Groningen. Hij verhuurt sinds die tijd drie kamers aan drie personen in zijn woning. De gemeente heeft beoogd om per 1 juli 2015 het (omzetten en) omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten vergunningplichtig te stellen. Pandeigenaren zoals [wederpartij], die al drie of meer onzelfstandige woonruimten verhuurden, konden tot 1 juli 2017 onder het overgangsrecht een vergunning aanvragen en verkrijgen. [wederpartij] heeft op 13 november 2017 bij het college een vergunning onder toepassing van het overgangsrecht aangevraagd.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201907921/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Groningen

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 september 2019 in zaak nr. 18/2456 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2017 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] voor een vergunning voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie onzelfstandige woonruimten ten behoeve van kamerbewoning afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2018 vernietigd, het besluit van 8 december 2017 herroepen en zelf in de zaak voorzien door de aanvraag af te wijzen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat te Groningen, en mr. N. Sewradj, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.P.A. van der Meer, rechtsbijstandsverlener te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [wederpartij] is sinds 2013 eigenaar van de woning aan de [locatie] in Groningen. Hij verhuurt sinds die tijd drie kamers aan drie personen in zijn woning. De gemeente heeft beoogd om per 1 juli 2015 het (omzetten en) omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten vergunningplichtig te stellen. Pandeigenaren zoals [wederpartij], die al drie of meer onzelfstandige woonruimten verhuurden, konden tot 1 juli 2017 onder het overgangsrecht een vergunning aanvragen en verkrijgen. [wederpartij] heeft op 13 november 2017 bij het college een vergunning onder toepassing van het overgangsrecht aangevraagd. [wederpartij] had de aanvraag vóór 1 juli 2017 bij het college moeten indienen om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning onder het overgangsrecht, aldus het college. Het college heeft de aanvraag vervolgens getoetst aan het per 1 juli 2015 in de Huisvestingsverordening 2015 Gemeente Groningen (hierna: de Huisvestingsverordening) opgenomen nieuwe beleid en de aanvraag afgewezen, omdat het aandeel kamergewijs bewoonde woningen ten opzichte van het totaal aantal woningen in de Petrus Driessenstraat 40% bedraagt en daarmee de norm van 15% overschrijdt. In dat geval is het niet meer toegestaan om drie (of meer) onzelfstandige woonruimten te verhuren.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] geen vergunning nodig had, omdat op grond van artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening, zoals dat luidde ten tijde van het besluit op bezwaar, alleen een vergunningplicht gold voor het omzetten, maar niet voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie onzelfstandige woonruimten.

Het hoger beroep

3.    Het college voert aan dat is beoogd om de vergunningplicht in artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening ook te laten gelden voor pandeigenaren die al vóór 1 juli 2015 een woning omgezet hadden in drie of meer onzelfstandige woonruimten, de zogenaamde bestaande situaties. Dat blijkt volgens het college uit het in artikel II onder A van de Huisvestingsverordening opgenomen overgangsrecht dat geldt sinds 12 april 2017, waarin wordt verwezen naar de Beleidsregels onttrekkingsvergunning woningvorming (hierna: de Beleidsregel van 10 juli 2015) waarin deze overgangsregels ook al waren neergelegd.

Bovendien had de rechtbank volgens het college bij het zelf in de zaak voorzien ex nunc moeten oordelen, dat wil zeggen met toepassing van het recht zoals dat gold ten tijde van haar uitspraak. Op dat moment was artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening inmiddels gewijzigd en bepaalde dit artikellid dat ook het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten vergunningplichtig is. De rechtbank kon daarom volgens het college de aanvraag, zelf voorziend, niet afwijzen op de grond dat er geen vergunningplicht was. De aanvraag had inhoudelijk beoordeeld moeten worden, aldus het college.

Het wettelijk kader

4.    Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Ter zitting bij de Afdeling heeft het college zijn hogerberoepsgrond dat de rechtbank de grondslag van het beroepschrift zou hebben verlaten ingetrokken, zodat de Afdeling daar geen oordeel over geeft.

6.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er ten tijde van het besluit op bezwaar voor [wederpartij], gelet op de tekst van het toenmalige artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening, geen vergunningplicht gold, omdat hij al drie kamers verhuurde. Ten tijde van het besluit op bezwaar was immers alleen het omzetten en niet ook het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten vergunningplichtig op grond van artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening.

Dat uit het overgangsrecht dat in artikel II van de Huisvestingsverordening is opgenomen en uit de Beleidsregel van 10 juli 2015 zou kunnen worden afgeleid dat is beoogd ook een vergunningplicht in het leven te roepen voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten, zoals het college heeft betoogd, maakt dit niet anders. Dit laat immers onverlet dat artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening, zoals dat luidde ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit en dat bepaalde voor welke situaties pandeigenaren een vergunning moesten aanvragen, die plicht toen niet vermeldde. Bovendien luidde artikel II van de Huisvestingsverordening, ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit: "Woningen die al in gebruik waren voor bewoning en door de invoering van deze verordening vergunningplichtig zijn geworden komen tot 1 juli 2017 in aanmerking voor een vergunning op basis van het overgangsrecht. (…)". De zinsnede ‘door de invoering van deze verordening vergunningplichtig zijn geworden’ verwijst naar de wijziging van de Huisvestingsverordening met ingang van

1 juli 2015. Zoals hiervoor is overwogen, gold er echter op die datum en evenmin ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit een vergunningplicht voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten. Gelet hierop bestond voor [wederpartij] op dat moment dan ook geen aanleiding om met een beroep op dat overgangsrecht een vergunning te verkrijgen.

Het betoog faalt.

7.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 2 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2009:BK5064), is het uitgangspunt dat bij de beoordeling of de uitspraak in de plaats kan treden van het vernietigde besluit, dan wel het vernietigde gedeelte daarvan, in beginsel dient te worden uitgegaan van de op het moment van de uitspraak geldende feiten en omstandigheden en het dan geldende recht. De rechtbank had in haar uitspraak bij het zelf in de zaak voorzien in beginsel dus moeten toetsen aan artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening 2019 Gemeente Groningen (hierna: de Huisvestingsverordening 2019), dat bepaalt dat ook het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten vergunningplichtig is. In bijzondere gevallen kan echter van het uitgangspunt worden afgeweken. Een zodanig bijzonder geval doet zich hier voor.

7.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 27 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2518) overweegt de Afdeling, dat als het college de Huisvestingsverordening juist zou hebben toegepast, het de aanvraag had moeten afwijzen omdat er ten tijde van het primaire besluit, noch ten tijde van de beslissing op bezwaar een vergunningplicht gold voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie onzelfstandige woonruimten. Vervolgens is, na de zitting van de rechtbank, maar voor het moment dat de rechtbank haar uitspraak deed, alsnog een vergunningplicht in de Huisvestingsverordening 2019 opgenomen voor het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten. De rechtszekerheid verzet zich er in dit geval tegen dat de rechtbank bij het zelf in de zaak voorzien de Huisvestingsverordening 2019 zou hebben toegepast. De rechtbank heeft daarom terecht niet ex nunc getoetst.

Het betoog faalt.

8.    Ten slotte wijst de Afdeling nog op het volgende, hetgeen ook ter zitting met partijen is besproken. Omdat artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening 2019 bepaalt dat het omgezet houden van een zelfstandige woning in drie of meer onzelfstandige woonruimten vergunningplichtig is, is niet uit te sluiten dat het college - ondanks de onderhavige uitspraak van de Afdeling - een handhavingsactie start omdat [wederpartij] voor het verhuren van zijn drie kamers geen vergunning heeft. Niet in geschil is dat als [wederpartij] nu een vergunning zou aanvragen hij daarvoor niet in aanmerking komt en hij ook geen gebruik meer kan maken van het in de Huisvestingsverordening opgenomen overgangsrecht, waarmee was beoogd om bestaande gevallen zonder uitvoering van de omgevingstoets in aanmerking te brengen voor een vergunning, gemaximeerd op het bestaande aantal van drie. Het ligt vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval waarin, anders dan het college veronderstelde, ten tijde van het besluit op bezwaar voor [wederpartij] geen vergunningplicht gold, in de rede dat het college [wederpartij] alsnog een vergunning verleent voor het omgezet houden van zijn woning in drie onzelfstandige woonruimten.

Slotsom

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.086,01, waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Groningen een griffierecht van € 519,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2020

280-960.

BIJLAGE | WETTELIJK KADER

Artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening

(met ingang van 1 juli 2015 tot de wijziging per 12 april 2017)

De vergunningplicht geldt voor woningen die worden onttrokken:

[…] aan de zelfstandige woningvoorraad ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte […].

Artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening (met ingang van 12 april 2017 tot de wijziging per 29 juni 2019)

De vergunningplicht geldt voor woningen die worden onttrokken:

[…] aan de zelfstandige woningvoorraad ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte waarin minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige woonruimten verblijven […].

Artikel 20, tweede lid, van de Huisvestingsverordening

(na de wijziging per 29 juni 2019)

De vergunningplicht geldt voor woningen die:

[…] worden omgezet of omgezet gehouden ten behoeve van bewoning in onzelfstandige woonruimte waarbij minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige woonruimten verblijven […].

Artikel II Overgangsrecht zoals opgenomen in de Huisvestingsverordening (met ingang van 12 april 2017)

A.    Woningen die al in gebruik waren voor onzelfstandige bewoning en door de invoering van deze verordening vergunningplichtig zijn geworden komen tot 1 juli 2017 in aanmerking voor een vergunning op basis van het overgangsrecht. De omgevingstoets wordt dan niet uitgevoerd en er worden geen leges in rekening gebracht. Wel wordt het aantal bewoners gemaximeerd op het bestaande aantal van drie bewoners. Alleen in het geval er op 1 juli 2015 kamers kleiner dan 7,5 m2 feitelijk werden bewoond, tellen deze bewoners ook mee voor het maximaal toelaatbare aantal bewoners. Maximaal twee maanden leegstand wordt geaccepteerd als overgangsperiode tussen twee huurders. De eigenaar van de woning moet dit aantonen.

B.    Personen die voor 1 juli 2015 bezig waren met aankoop van een woning, te bewijzen door een voorlopig koopcontract, krijgen tot 1 augustus 2015 de tijd om tot definitieve aankoop over te gaan en komen dan in aanmerking voor een vergunning onder de oude regeling of een overgangsvergunning met een limitering tot drie bewoners.

C.    Het college kan in bijzondere gevallen die bij de totstandkoming van de feitelijke situatie legaal waren een vergunning verlenen.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon