Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201907434/1/A3

Uitspraak 201907434/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:1427
Datum uitspraak
17 juni 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem afwijzend besloten op een verzoek van [appellant] om hem informatie te verstrekken. Op 23 januari 2018 was [appellant] betrokken bij een verkeersongeval in Arnhem. Bij brief van 9 april 2018 heeft [appellant] het college met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur verzocht een afschrift te verstrekken van de uitkomst van het onderzoek naar de toedracht van dit ongeval. Bij het besluit van 25 mei 2018 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat het door [appellant] bedoelde onderzoek op 9 april 2018 nog niet bestond. Dit besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd.
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201907434/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Arnhem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 september 2019 in zaak nr. 19/350 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college afwijzend besloten op een verzoek van [appellant] om hem informatie te verstrekken.

Bij besluit van 25 januari 2019 heeft het college het daartegen door [appellant]  gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen van rechtswege voor [appellant] ontstane beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij om schadevergoeding verzocht.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 10 juni 2020.

Overwegingen

1.    Op 23 januari 2018 was [appellant] betrokken bij een verkeersongeval in Arnhem. Bij brief van 9 april 2018 heeft [appellant] het college met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur verzocht een afschrift te verstrekken van de uitkomst van het onderzoek naar de toedracht van dit ongeval. Bij het besluit van 25 mei 2018 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat het door [appellant] bedoelde onderzoek op 9 april 2018 nog niet bestond. Dit besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling en uitleg van het college dat en waarom er geen toedrachtsonderzoek is gedaan niet ongeloofwaardig voorkomen en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek wel is gedaan, maar de uitkomst ervan door het college wordt achtergehouden. Hierbij voert hij aan dat de rechtbank meer gewicht had moeten toekennen aan het bewijs waarnaar hij heeft verwezen ter staving van zijn stelling dat het college informatie achterhoudt.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de door de rechtbank vermelde uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2617) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

2.2.    Het college heeft in het besluit op bezwaar medegedeeld en uitgelegd dat er geen toedrachtsonderzoek is gedaan, omdat tijdens de behandeling van de schadekwestie in verband met het ongeval, die door de verzekeraar is afgedaan, duidelijk is geworden dat hiervoor geen aanleiding meer bestond en dat die aanleiding ten tijde van het besluit op bezwaar ook niet bestond. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze mededeling en uitleg niet ongeloofwaardig voorkomen. Dat het college het in de door [appellant] aangehaalde brief van 5 april 2018 en het besluit van 25 mei 2018 over een nog te verrichten toedrachtsonderzoek heeft, maakt niet ongeloofwaardig dat later voor dit onderzoek geen aanleiding meer bestond. Hetzelfde geldt voor de door [appellant] vermelde omstandigheden dat na het ongeval vanwege de gemeente is bekeken of de weginrichting verbeterd kon worden en de weginrichting eind september 2018 daadwerkelijk is aangepast, alsmede voor de brief van de gemeente over de weginrichting van 9 oktober 2018 en het artikel "List en bedrog rond WOB" uit De Telegraaf van 26 oktober 2018. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] met zijn verwijzing naar die omstandigheden en stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek wel is uitgevoerd, maar het college de uitkomst ervan achterhoudt.

Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd. Gelet hierop zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Borman    w.g. Hartsuiker
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

620.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon