Uitspraak 201803684/1/A3


Volledige tekst

201803684/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2018 in zaak nr. 17/5633 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2017 heeft de minister een aanvraag om afgifte van een nationaal paspoort aan [appellante] niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 3 juli 2017 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2019, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam, I.S. IJserinkhuijsen en Y. Bijl, is verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] heeft bij haar geboorte op [geboortedatum] 1985 de Turkse nationaliteit verkregen. Op 22 april 1991 heeft zij door de naturalisatie van haar vader ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Op 4 oktober 2005 heeft zij afstand gedaan van de Turkse nationaliteit. Op 4 juli 2013 heeft zij de Turkse nationaliteit herkregen.

Op 2 mei 2017 heeft [appellante] bij de Nederlandse ambassade te Ankara (Turkije) een aanvraag om afgifte van een nationaal paspoort ingediend. De minister heeft de aanvraag krachtens artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: de Pub 2001) niet in behandeling genomen, omdat er op basis van de  beschikbare gegevens vanuit moet worden gegaan dat [appellante] ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) op 4 juli 2013 door het verkrijgen van de Turkse nationaliteit van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister heeft onderschreven dat de herkrijging van de Turkse nationaliteit op 4 juli 2013 vrijwillig was als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, van de RWN. Hierbij voert zij aan dat zij destijds op zoek was naar werk en een baan kon krijgen onder de voorwaarde dat zij de Turkse nationaliteit had. Verder voert zij aan dat zij niet wist dat het herkrijgen van de Turkse nationaliteit tot het verlies van de Nederlandse nationaliteit zou leiden. Zij had immers al eerder tegelijkertijd de Turkse en de Nederlandse nationaliteit gehad en is er nooit over geïnformeerd dat herstel van die situatie niet mogelijk was, aldus [appellante].

2.1.    Artikel 15, eerste lid, van de RWN luidt: "Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

a. door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit;

[…]

c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;

[…]."

Het tweede lid luidt: "Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger

a. die in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft;

b. die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; of

c. die gehuwd is met een persoon die die andere nationaliteit bezit."

Artikel 52, eerste lid, van de Pub 2001 luidt: "Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen."

De toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 luidt: "De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.

In de volgende gevallen kan niet worden gesteld dat de wil is gericht op het verkrijgen van een andere nationaliteit:

- ind[i]en bij besluit van vreemde autoriteiten is overgegaan tot ongevraagde collectieve naturalisatie van bijvoorbeeld personen die geruime tijd in het land wonen;

- indien de andere nationaliteit van rechtswege is verkregen als automatisch gevolg van een aanstelling in een bepaalde functie, in dienst van het land van die nationaliteit;

- indien de andere nationaliteit van rechtswege verkregen is als automatisch gevolg van huwelijk met een persoon van die nationaliteit.

Hierbij speelt geen rol of men (voor de verkrijging of erna) de mogelijkheid had om af te zien van verkrijging van de andere nationaliteit. De wil is immers niet rechtstreeks gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit, maar op het aanvaarden van een bepaalde functie of op het aangaan van het huwelijk. Ervan uitgaande dat het betreffende vreemde recht afstand van de nationaliteit toestaat, zou hooguit kunnen worden gezegd dat het behoud van die andere nationaliteit vrijwillig is, maar dat is geen zelfstandige verliesgrond volgens de RWN.

Zijn de redenen om een andere nationaliteit te verkrijgen zo dwingend, dat niet meer kan worden gesproken van een vrijwillige verkrijging van die nationaliteit, dan brengt het onderhavige artikellid geen verlies van het Nederlanderschap mee. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de andere nationaliteit op verzoek is verkregen ter voldoening aan de door de autoriteiten van het land waar men woont gestelde eis, dat verblijf in het betreffende land alleen kan worden gecontinueerd indien men de nationaliteit van dat land verkrijgt.

Het hiervoor bedoelde dwingende karakter wordt niet snel aangenomen. Zo zal wel verlies op grond van dit artikellid intreden, indien een vreemde nationaliteit is verkregen en betrokkene daar zelf om heeft verzocht, indien bijvoorbeeld voor een bepaalde beroepsuitoefening, aanstelling of toelating tot een bepaalde studie de nationaliteit van dat land was vereist. Het feit dat betrokkene alleen kon worden aangesteld of tot de studie kon worden toegelaten als hij de nationaliteit van het land bezat, betekent nog niet dat daardoor zijn keuze voor de betreffende nationaliteit niet vrijwillig zou zijn geweest.

Of een vreemde nationaliteit wel of niet met terugwerkende kracht wordt verkregen is niet relevant voor de werking van het Nederlandse nationaliteitsrecht. Dit betekent dat indien de vrijwillige verkrijging van een vreemde nationaliteit bijvoorbeeld terugwerkt tot het moment waarop deze nationaliteit in het verleden werd verloren, dit niet als gevolg heeft dat het Nederlanderschap alsnog met terugwerkende kracht wordt verloren (vergelijk artikel 2, eerste lid, RWN). Het betekent wél dat betrokkene het Nederlanderschap verliest wegens de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit, alleen is hij vanaf heden geen Nederlander meer.

Artikel 15, aanhef en onder a RWN 1985 dan wel artikel 15 lid 1 onder a RWN 2003 gaan echter niet op als het gaat om verkrijging van de Duitse nationaliteit ex lege Duitse wet ingeval van Paragraph 3 Abs. (2) StaG (2007). De verkrijging van Duitse nationaliteit vond dan van rechtswege plaats en was derhalve niet vrijwillig.

N.B. Gaat het Nederlanderschap verloren door de vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een staat die partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, nr. 4), en die Hoofdstuk I van het Verdrag (dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) toepast, dan is geen sprake van verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, maar van verlies op grond van het Verdrag van Straatsburg (zie de toelichting bij artikel 15A RWN)."

2.2.    [appellante] heeft op 4 juli 2013 uit eigen beweging de Turkse nationaliteit verkregen. Van dwang was hierbij geen sprake. De rechtbank heeft deze verkrijging terecht als vrijwillige verkrijging aangemerkt. Dat [appellante] destijds zonder de Turkse nationaliteit niet voor de door haar gewenste baan zou zijn aangenomen en zij zich destijds niet bewust was van de gevolgen van de verkrijging van de Turkse nationaliteit voor haar Nederlandse nationaliteit, doet aan het vrijwillige karakter van de verkrijging niet af, nu zij er ook voor had kunnen kiezen deze baan niet te aanvaarden.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij een eigen verantwoordelijkheid had om zich te laten voorlichten over de geldende regelgeving en de rechtsgevolgen van het herkrijgen van de Turkse nationaliteit en dat niet is gebleken van een verplichting van de Nederlandse overheid om haar van het verlies van haar Nederlandse nationaliteit op de hoogte te brengen. Hierbij wijst zij op het Rapport Verlies Nederlanderschap van 10 mei 2016, nr. 2016/145, van de Nationale ombudsman. Het is de taak van de overheid om burgers over mogelijk verlies van het Nederlanderschap te informeren, aldus [appellante].

3.1.    De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beroep van [appellante] op het vertrouwensbeginsel terecht in aanmerking genomen dat [appellante] een eigen verantwoordelijkheid had om zich te laten voorlichten over de geldende regelgeving en de rechtsgevolgen van het herkrijgen van de Turkse nationaliteit. Bij de verwerping van dit beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank verder terecht onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544, overwogen dat het Nederlanderschap niet door de werking van een beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, kan worden verkregen of kan worden behouden. Voorts heeft de rechtbank aan de verwerping van de beroepsgrond dat de Nederlandse overheid [appellante] tijdig op de hoogte had moeten brengen van het verlies van haar Nederlanderschap terecht ten grondslag gelegd dat van het bestaan van een dergelijke verplichting niet is gebleken. Naar zijn aard volgt een dergelijke verplichting niet uit het rapport van de ombudsman, dat een aantal niet-bindende aanbevelingen bevat.

Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit, en daarmee van het Unieburgerschap, in dit geval niet in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en er geen aanleiding bestaat om in dit kader prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, dan wel de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de door de Afdeling bij de verwijzingsuitspraak van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1098, gestelde prejudiciële vragen. Hierbij voert zij aan dat de verwijzingsuitspraak, hoewel het daarin gaat om verlies van het Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, relevant is voor deze zaak. Voorts voert zij aan dat het verlies van haar Nederlandse nationaliteit strijd oplevert met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

4.1.    Artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) luidt: "Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan."

Het tweede lid luidt: "De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a.  het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

b.  het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;

c.  het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;

d.  het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld."

4.2.    Bij arrest van 12 maart 2019, Tjebbes e.a., ECLI:EU:C:2019:189, (hierna: het Tjebbes-arrest) heeft het Hof van Justitie de hiervoor bedoelde prejudiciële vragen beantwoord. In dit arrest heeft het Hof tot recht verklaard:

"Artikel 20 VWEU, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de nationaliteit van die lidstaat in bepaalde omstandigheden van rechtswege verloren gaat, wat voor personen die niet tevens de nationaliteit van een andere lidstaat hebben, het verlies van hun burgerschap van de Europese Unie en de daaraan verbonden rechten met zich meebrengt, mits de bevoegde nationale autoriteiten, waaronder in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties, incidenteel kunnen onderzoeken welke gevolgen dat nationaliteitsverlies heeft en eventueel ervoor kunnen zorgen dat de betrokken personen met terugwerkende kracht de nationaliteit herkrijgen wanneer zij een aanvraag indienen voor een reisdocument of enig ander document waaruit hun nationaliteit blijkt. In het kader van dat onderzoek dienen die autoriteiten en rechterlijke instanties na te gaan of het verlies van de nationaliteit van de betrokken lidstaat, dat het verlies van het burgerschap van de Unie met zich meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden uit het oogpunt van het Unierecht betreft."

4.3.    Verder heeft het Hof in het Tjebbes-arrest het volgende overwogen:

"40. Het staat evenwel aan de bevoegde nationale autoriteiten en aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of het verlies van de nationaliteit van de betrokken lidstaat, wanneer dit het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden uit het oogpunt van het Unierecht betreft (zie in die zin arrest van 2 maart 2010, Rottmann, C‑135/08, EU:C:2010:104, punten 55 en 56).

41.  Het verlies van rechtswege van de nationaliteit van een lidstaat is onverenigbaar met het evenredigheidsbeginsel indien de relevante nationale voorschriften het op geen enkel ogenblik mogelijk maken dat de gevolgen die dat verlies voor de betrokken personen heeft uit het oogpunt van het Unierecht, in het individuele geval worden getoetst.

42. Hieruit volgt dat de bevoegde nationale autoriteiten en nationale rechterlijke instanties in situaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarin de nationaliteit van een lidstaat van rechtswege verloren gaat en dit verlies tevens het verlies van het burgerschap van de Unie met zich meebrengt, incidenteel moeten kunnen onderzoeken welke gevolgen dat nationaliteitsverlies heeft en in voorkomend geval ervoor moeten kunnen zorgen dat de betrokkene met terugwerkende kracht de nationaliteit herkrijgt wanneer hij een aanvraag indient voor een reisdocument of enig ander document waaruit zijn nationaliteit blijkt.

[…]

44. Dat onderzoek vereist dat de individuele situatie van de betrokkene en de situatie van zijn gezin worden beoordeeld om te bepalen of het verlies van de nationaliteit van de betrokken lidstaat, wanneer dit verlies tevens het verlies van het burgerschap van de Unie met zich meebrengt, gevolgen heeft die de normale ontwikkeling van het gezins- en beroepsleven van de betrokkene uit het oogpunt van het Unierecht aantasten op een wijze die onevenredig is aan de doelstelling die wordt nagestreefd door de nationale wetgever. Niet bedoeld zijn gevolgen die hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat zij zich zullen voordoen.

45. In het kader van die evenredigheidstoetsing dienen met name de bevoegde nationale autoriteiten en in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties zich ervan te vergewissen dat het nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en in het bijzonder met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind (arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 70).

46. Wat betreft de omstandigheden die verband houden met de individuele situatie van de betrokkene en die relevant kunnen zijn voor de beoordeling die de bevoegde nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties in het onderhavige geval moeten verrichten, dient met name het feit te worden vermeld dat de betrokkene ten gevolge van het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het burgerschap van de Unie zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven teneinde daadwerkelijke en regelmatige banden met gezinsleden te onderhouden dan wel aldaar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten. Eveneens relevant zijn ten eerste het feit dat de betrokkene mogelijkerwijs geen afstand kon doen van de nationaliteit van een derde staat en om die reden binnen de werkingssfeer van artikel 15, lid 1, onder c, RWN valt, en ten tweede het ernstige risico dat zijn veiligheid of zijn vrijheid om te gaan en staan waar hij wil aanzienlijk zou afnemen, aan welk risico de betrokkene zou blootstaan omdat hij op het grondgebied van de derde staat waar hij verblijft, niet de consulaire bescherming op grond van artikel 20, lid 2, onder c), VWEU kan genieten."

4.4.    Bij einduitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, heeft de Afdeling onder meer beslist in de zaken die in het Tjebbes-arrest aan de orde waren.

4.5.    De minister heeft zich ter zitting van de Afdeling uitgelaten over de betekenis van het Tjebbes-arrest voor deze zaak. Volgens hem is het Tjebbes-arrest niet op deze zaak van toepassing, omdat aan het verlies van het Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN een eigen keuze van [appellante] ten grondslag ligt. De zaken die in het Tjebbes-arrest aan de orde waren, gingen over verlies van het Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN door het vervluchtigen van de band met Nederland. Indien het Tjebbes-arrest wel op deze zaak van toepassing is, is het verlies van het Nederlanderschap van [appellante] niet onevenredig, aldus de minister.

4.6.    De Afdeling leidt uit punten 40 en 41 van het Tjebbes-arrest af dat het toepassingsbereik van het Tjebbes-arrest niet beperkt is tot zaken waarin de verliesgrond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN aan de orde is. In die punten heeft het Hof immers zich in algemene zin uitgelaten over het van rechtswege verlies van de nationaliteit van een lidstaat, wanneer dit het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich meebrengt, door te overwegen dat een dergelijk verlies onverenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel vanuit oogpunt van het Unierecht, indien het nationale recht het op geen enkel ogenblik mogelijk maakt dat de gevolgen hiervan worden getoetst door nationale autoriteiten en nationale rechterlijke instanties in het individuele geval. Verder bevat punt 40 een verwijzing naar het arrest van 2 maart 2010, Rottmann, EU:C:2010:104. In dit arrest was de intrekking van een door bedrog verkregen nationaliteit van een lidstaat aan de orde en werd ook beslist dat de gevolgen van een dergelijk verlies van nationaliteit getoetst moeten worden aan het evenredigheidsbeginsel uit oogpunt van het Unierecht. Dit impliceert dat het Hof een breed toepassingsbereik van de verplichting om aan het evenredigheidsvereiste te toetsen op het oog had. Gelet hierop kan de minister niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het Tjebbes-arrest wegens het verschil tussen de verliesgronden van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de RWN, niet op deze zaak van toepassing is.

4.7.    Voor de toepassing van het Tjebbes-arrest op deze zaak sluit de Afdeling aan bij de einduitspraak van 12 februari 2020. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in de huidige RWN geen grondslag is opgenomen voor de beslissing dat een persoon met terugwerkende kracht het Nederlanderschap herkrijgt indien dat verloren is gegaan in strijd met het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het Unierecht en dat er in zoverre strijd met artikel 20 van het VWEU bestaat. De Afdeling is van oordeel dat aan deze verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt. Steun voor dit oordeel wordt gevonden in onder meer het arrest van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, Chavez-Vilchez, punt 60, waarin is overwogen dat een onderdaan van een lidstaat de bij zijn door artikel 20 van het VWEU verleende status van burger van de Unie behorende rechten kan inroepen (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8619). Hieruit moet worden afgeleid dat ook een voormalig Unieburger zich op dit artikel moet kunnen beroepen, indien zijn Unieburgerschap, met de daarbij behorende rechten, hem ten onrechte is ontvallen. Uit het arrest van het Hof van 9 september 2003, ECLI:EU:C:2003:430, CIF, punt 49, en het arrest van 22 juni 1989, ECLI:EU:C:1989:256, Fratelli Costanzo, punten 29, 30 en 31, blijkt dat bestuursorganen rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht moeten toepassen. Hieruit volgt dat de minister bevoegd is artikel 20 van het VWEU toe te passen en derhalve dient te onderzoeken of de gevolgen van het nationaliteitsverlies in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het Unierecht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1152).

4.8.    De Afdeling stelt vast dat de minister [appellante] niet in de gelegenheid heeft gesteld met het oog op het verrichten van de hiervoor bedoelde Unierechtelijke beoordeling gegevens te verstrekken en haar standpunt toe te lichten. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat het besluit van 3 juli 2017 onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 3 juli 2017 wegens strijd met de artikelen 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling zal hiervoor een termijn stellen.

6.    In het hiernavolgende zet de Afdeling, hierbij aansluitend bij haar einduitspraak van 12 februari 2020, uiteen hoe naar haar oordeel door de minister dient te worden onderzocht of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene uit het oogpunt van het Unierecht.

Voor een succesvol beroep op het evenredigheidsbeginsel is vereist dat de betrokkene gevolgen ondervindt die in de sfeer van het Unierecht liggen. Daarop wijst de zinsnede ‘uit het oogpunt van het Unierecht’. Het Hof wijst in dit verband onder meer op de volgende relevante aspecten: de door het Handvest gewaarborgde rechten, waaronder het recht op eerbiediging van het familie en gezinsleven (punt 45 van het Tjebbes-arrest) en de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten en de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten (punt 46). Argumenten aan de hand waarvan betrokkene aangeeft zich nog als Nederlander te zien, liggen in deze procedure echter niet ter beoordeling voor. Gelet op het Tjebbes-arrest komt aan dergelijke niet direct op het Unierecht betrekking hebbende argumenten geen gewicht toe bij de beoordeling of het verlies van de Nederlandse nationaliteit onevenredig moet worden geacht.

De Afdeling stelt vast dat het Hof zich in het Tjebbes-arrest niet concreet heeft uitgelaten over het te hanteren beoordelingsmoment wat betreft de door appellant aangedragen Unierechtelijke gevolgen. De Afdeling heeft in haar einduitspraak van 12 februari 2020 beslist dat de evenredigheid moet worden beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap. In het geval van [appellante] is dat het moment waarop vrijwillig de Turkse nationaliteit is herkregen (4 juli 2013), omdat toen ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de RWN de Nederlandse nationaliteit is vervallen. Zoals is aangegeven in de einduitspraak van 12 februari 2020, dient naar het oordeel van de Afdeling als beoordelingsmoment te gelden het moment van verlies van het Nederlanderschap, met dien verstande dat niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd dienen te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren.

Aangezien [appellante] nog geen rekening heeft kunnen houden met de wijze waarop de evenredigheidsbeoordeling moet worden verricht, dient de minister haar in de gelegenheid te stellen aan te tonen welke gevolgen die van belang zijn in het licht van het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het Unierecht zich na het verlies van het Nederlanderschap, dat wil zeggen het moment waarop de Turkse nationaliteit werd herkregen (4 juli 2013), hadden voltrokken, dan wel de gevolgen die in haar individuele situatie redelijkerwijze voorzienbaar waren. Indien tot het oordeel wordt gekomen dat op basis van haar individuele situatie moet worden geoordeeld dat het verlies van het burgerschap van de Unie onevenredig is, dan dient artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, in [appellante]s concrete situatie buiten toepassing te blijven. Het herkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee opnieuw het Unieburgerschap kan aan artikel 20 van het VWEU worden ontleend.

7.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8.    De minister moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2018 in zaak nr. 17/5633;

III.    verklaart het beroep in die zaak gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 juli 2017, kenmerk 0170/2017-NP;

V.    draagt de minister van Buitenlandse Zaken op om binnen vier maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

VI.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Hartsuiker
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020

620.