Uitspraak 201906261/1/R4


Volledige tekst

201906261/1/R4.
Datum uitspraak: 6 mei 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B], beiden wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld, (hierna: vrouwelijk en in enkelvoud [appellante]),

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Overhorsterweg II, partiële herziening Buitengebied 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2020, waar [appellante A], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde A], de raad, vertegenwoordigd door W. Kuik en N.J. Stam, zijn verschenen. Ook is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

1.    Het perceel aan de [locatie 1], te Voorthuizen, had onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2012" ook de bestemming "Bedrijf-landelijk" met functieaanduidingen "agrarisch-loonbedrijf" en "opslag". Het loonbedrijf [belanghebbende] is al jaren actief op dit perceel en heeft diverse bedrijfsactiviteiten, waaronder de verkoop van zand en grond, het verhuren van machines en het uitvoeren van wegenbouwklussen en straatwerk. Deze bestaande bedrijfsactiviteiten vielen onder het voorgaande plan onder het overgangsrecht. In het bij besluit van 10 juli 2019 vastgestelde plan is een definitie opgenomen van de functie "agrarisch-loonbedrijf" waarmee de onder het overgangsrecht vallende activiteiten met dit plan worden toegestaan. Verder wordt met het plan de definitie van het begrip "agrarische nevenactiviteiten" aangepast en wordt ook de vorm van het bestemmingsvlak gewijzigd.

2.    [appellante] woont in de woning op het perceel aan de [locatie 2] te Voorthuizen. Dit perceel is gelegen aan de noordzijde van het perceel aan de [locatie 1], te Voorthuizen en grenst aan het plangebied. [appellante] vreest ten gevolge van het plan dat [belanghebbende] haar bedrijfsactiviteiten zal uitbreiden en vreest in het verlengde daarvan voor aantasting van haar woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Omvang van het geding

4.    Gezien het toetsingskader overweegt de Afdeling dat alleen beroepsgronden die zich richten tegen het bij besluit van 10 juli 2019 vastgestelde bestemmingsplan ter beoordeling voorliggen. Stellingen die betrekking hebben op situaties in het verleden, civielrechtelijke kwesties, vergunningen, handhaving en daarmee samenhangende uitspraken van de rechtbank zien niet op dit besluit. Deze stellingen vallen buiten de omvang van het geding en zullen daarom niet worden besproken.

Beroepsgronden

Akoestisch onderzoek

5.    [appellante] verzet zich tegen het plan voor zover dit mogelijk maakt dat [belanghebbende] haar bedrijfsactiviteiten kan uitbreiden. Zij vreest daardoor voor aantasting van haar woon- en leefklimaat. Volgens haar is er aan het plan geen deugdelijk akoestisch onderzoek ten grondslag gelegd. Daartoe voert zij aan dat de verkeer aanzuigende werking van de opslagactiviteiten niet zijn onderkend en de aardappelhandel ten onrechte als nevenactiviteit in het onderzoek is betrokken. Zij stelt daartoe verder dat de laad- en losactiviteiten zijn getoetst aan de in artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) opgenomen grenswaarden, terwijl deze waarden niet op laad- en losactiviteiten van toepassing zijn en dat bij de toetsing ook geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het bedrijf zijn activiteiten al om 05:00 uur in de ochtend start en pas om 23:00 uur beëindigd.

5.1.    Ten behoeve van de vaststelling van het plan is een akoestisch onderzoek verricht door SPA WNP ingenieurs, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "21800380.R01 A" van 21 mei 2019. In het rapport is uiteengezet dat het onderzoek is gebaseerd op zowel de representatieve als de incidentele bedrijfssituatie. Met betrekking tot het aan- en afvoeren van aardappelen is als uitgangspunt genomen dat deze activiteit gedurende ongeveer vier weken per jaar plaatsvindt. Bij de beschrijving van de bedrijfssituaties is per activiteit vermeld welke verkeersbewegingen met welk type voertuig en intensiteit er ten gevolge van de genoemde activiteit worden verwacht. Verder is in het rapport uiteengezet dat, omdat het loonwerkbedrijf van [belanghebbende] een inrichting is zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit, de bepalingen van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Met betrekking tot de toetsing van de laad- en losactiviteiten aan de in artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarden wordt opgemerkt dat de beoordeling van de maximale geluidsniveaus in de dagperiode in het Activiteitenbesluit zijn uitgezonderd, omdat de geluidspieken die door laad- en losactiviteiten worden veroorzaakt in het algemeen niet tot hinder leiden. Bij de toetsing is ervan uitgegaan dat de laad- en losactiviteiten alleen gedurende de dagperiode plaatsvinden. In het rapport wordt geconcludeerd dat zowel in de representatieve als incidentele bedrijfssituatie (ruim) wordt voldaan aan de geluidseisen van het Activiteitenbesluit en dat bij de woningen van derden een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

5.2.    Wat betreft het betoog van [appellante] dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is overweegt de Afdeling als volgt.

In het rapport is uiteengezet dat het onderzoek zowel op de representatieve als incidentele bedrijfssituatie van [belanghebbende] is gebaseerd en is ook beschreven welke bedrijfsactiviteiten daarbij zijn betrokken. Niet is gebleken dat daarbij is uitgegaan van een onjuiste vaststelling van de representatieve bedrijfssituatie van [belanghebbende] of dat de raad bij zijn beoordeling niet van deze situaties kon uitgaan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze bedrijfssituaties zijn vastgesteld op basis van de door [belanghebbende] ingediende aanvraag. De enkele ongemotiveerde stelling van [appellante] dat de laad- en losactiviteiten ook buiten de dagperiode plaatsvinden, wat daar ook van zij, biedt op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat raad de bedrijfssituaties niet heeft kunnen baseren op de door [belanghebbende] ingediende aanvraag. In artikel 2.17, vijfde lid, onder b, van het Activiteitenbesluit zijn in tabel 2.17f geluidgrenswaarden opgenomen voor het maximaal geluidsniveau, veroorzaakt door onder meer laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. In het vijfde lid, onder c, is bepaald dat de in de periode tussen 06:00 uur en 19:00 uur in tabel 2.17f opgenomen waarden niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten. Het geluid van de laad- en losactiviteiten hoeft in de dagperiode dus niet te voldoen aan de in tabel 2.17f opgenomen geluidgrenswaarden. Dit betekent niet dat deze waarden, bij de beoordeling van de gevolgen van de laad- en losactiviteiten op het woon- en leefklimaat, in het onderzoek niet als richtwaarden mochten worden gehanteerd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is en de raad bij de vaststelling van het plan daarom niet in redelijkheid op dit onderzoek heeft kunnen afgaan.

Het betoog faalt.

Verkeerstoename

6.    [appellante] betoogt dat geen rekening is gehouden met de verkeer aanzuigende werking van de wegenbouwactiviteiten die het plan mogelijk maakt en stelt, onder verwijzing naar het reconstructieplan voor de Gelderse Vallei /Utrecht Oost uit 2005 dat de infrastructuur niet is berekend op extra verkeersbewegingen. Verder stelt zij dat extra verkeer in de omgeving ook onwenselijk is vanwege de aanwezige toeristische fiets- en wandelroutes.

6.1.    In de toelichting bij het plan heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat, hoewel een toename van verkeersbewegingen niet is uitgesloten, niet te verwachten is dat dit zal leiden tot verkeershinder. Daartoe wijst de raad er onder meer op dat de Overhorsterweg goed bereikbaar is. Wat betreft de verwijzing van [appellante] naar het reconstructieplan ziet de Afdeling daarin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, omdat uit het reconstructieplan niet blijkt dat de infrastructuur rondom de Overhorsterweg geen extra verkeersbewegingen aan kan. Daarbij komt dat dit reconstructieplan dateert uit 2005.

Het betoog faalt.

Opslag

7.    [appellante] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarmee een buitenopslag van materialen mogelijk wordt gemaakt. Zij stelt dat zij reeds onder meer stofhinder ondervindt door de bestaande opslag van zand en grond en de raad gelet daarop het plan zo had moeten vaststellen dat deze hinder wordt voorkomen. In dat kader wijst zij er ook op dat in het plan geen maximale opslaghoogte is opgenomen.

7.1.    Reeds onder het voorgaande plan had een groot deel van het perceel de functie "opslag" en was een buitenopslag op de gronden met deze functie-aanduiding toegestaan. Anders dan onder het voorgaande plan is in het plan, met artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.1, van de planregels, gewaarborgd dat het perceel alleen ten behoeve van opslag mag worden gebruikt indien binnen twee jaar na inwerkingtreding van het plan, de gronden binnen de bestemming ingericht worden en blijven overeenkomstig het beplantingsplan. Het beplantingsplan omvat mede de eis om op de erfgrens bomen te planten en de ruimte tussen deze bomen op te vullen met de aanleg van struweel. De raad heeft toegelicht dat deze planregel dient ter waarborg voor een goede ruimtelijke inpassing van het plangebied in de omgeving. Volgens de raad leidt het plan ertoe dat de ruimtelijke inpasbaarheid van de opslag, ten opzichte van de situatie onder het voorgaande plan, door de aan te leggen groenvoorzieningen verbeterd. In dat kader heeft de raad er ook op gewezen dat de opslag van zand, grind en puin ook al is meegenomen in de beoordeling van de milieumelding die [belanghebbende] heeft gedaan in het kader van het Activiteitenbesluit. Met betrekking tot het niet opnemen van een maximale opslaghoogte stelt de raad zich op het standpunt dat dit niet nodig is, omdat niet redelijkerwijs is te verwachten dat de opslag hoger zal worden dan de aan te leggen groenvoorzieningen.

Gelet op de uiteenzetting van de raad ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Ontsluitingsweg

8.    [appellante] verzet zich tegen het plan voor zover daarmee een ontsluitingsweg dan wel inrit of uitweg aan de noordwestzijde van het perceel, grenzend aan haar eigen perceel, mogelijk wordt gemaakt. Zij vreest daardoor onder meer voor geluidsoverlast. Volgens haar had de raad het perceel ook aan de zuidzijde van het perceel kunnen ontsluiten.

8.1.    Het plan maakt mogelijk dat het perceel zowel aan de noordwestzijde als aan de zuidzijde van het perceel wordt ontsloten. Ook onder het voorgaande bestemmingsplan was dit mogelijk. De raad heeft er ter zitting op gewezen dat daar ook rekening mee is gehouden bij het aan het plan ten grondslag gelegde akoestische onderzoek en dat daarbij is betrokken dat met artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.2, van de planregels is gewaarborgd dat er een werktuigenberging dient te worden gerealiseerd die het perceel van [appellante] afschermt van het geluid van de activiteiten van [belanghebbende]

Gelet op de toelichting van de raad, in aanmerking genomen dat de omgevingsvergunning voor de werktuigenberging die wordt bedoeld in artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.2, van de planregels, inmiddels onherroepelijk is geworden, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Verspreiding van chemische stoffen

9.    [appellante] betoogt dat de raad geen rekening heeft gehouden met de met het plan voorziene mogelijke uitbreiding van bedrijfsactiviteiten die leiden tot een toename van fijnstof en dat de raad ook geen rekening heeft gehouden met de verspreiding van andere chemische stoffen, onder meer door gebruik van de hoge druk spuit in de spuitcabine. Volgens haar leidt gebruik van de hoge druk spuit in de spuitcabine op het terrein al tot zodanige verspreiding van chemische stoffen dat deze met het blote oog te zien is. De raad had volgens [appellante] het plan moeten aangrijpen om de mogelijke verspreiding van deze stoffen te reduceren.

9.1.    De raad heeft er ter zitting op gewezen dat de mogelijke verspreiding van de stoffen die volgens het Activiteitenbesluit relevant zijn voor het milieu en zouden kunnen worden uitgestoten door de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] al zijn beoordeeld bij de milieumelding die [belanghebbende] in het kader van het Activiteitenbesluit heeft gedaan. Verder heeft de raad er ook op gewezen dat wordt beoogd om de spuitcabine te verplaatsen naar de, ingevolge de planregels bij gebruik van het perceel ten behoeve van de daarop rustende bestemming(en), te realiseren werktuigenberging.

9.2.    Gelet op de uiteenzetting van de raad, daarbij overwegende dat [appellante] haar stelling met betrekking tot de toename van fijnstof niet nader heeft gemotiveerd, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zover strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Stikstofdepositie

10.    [appellante] betoogt dat de raad geen rekening heeft gehouden met de met het plan voorziene mogelijke uitbreiding van bedrijfsactiviteiten en transportwerkzaamheden die leiden tot een toename van stikstofdepositie.

10.1.    De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belang. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, moet onder meer rekening worden gehouden met de situering van de woning van de betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, geheel of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.

10.2.    Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is op ongeveer 4 kilometer afstand van het perceel van [appellante] gelegen en maakt daarom geen deel uit van de directe woonomgeving van [appellante]. Reeds daarom bestaat er geen duidelijke verwevenheid tussen haar belang bij het behoud van een goede kwaliteit van haar woon- en leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat [appellante] zich, gelet op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht, niet op die norm kan beroepen.

Conclusie

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2020

418-947.