Uitspraak 201905730/1/R4


Volledige tekst

201905730/1/R4.
Datum uitspraak: 15 april 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te Apeldoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2019 heeft het college zijn beslissing om op 23 april 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening 2014 (hierna: de APV) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 60,00) voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 5 juli 2019 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.    Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen heeft de zitting van 25 maart 2020 geen doorgang kunnen vinden. De Afdeling heeft besloten met toestemming van partijen de zaak zonder zitting af te doen.

2.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van afvalzakken die op 23 april 2019 zijn aangetroffen op de openbare weg aan de Hoofdstraat te Apeldoorn. Dit huishoudelijk afval is niet op de juiste wijze aangeboden. Omdat in een van de aangetroffen afvalzakken een poststuk met de adresgegevens van [appellante] is aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat de afvalzak van haar afkomstig is en dat zij als overtreder van artikel 4:29 van de APV dient te worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de afvalzak op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden.

3.    Artikel 4:29 van de APV luidt:

"1. Behoudens het gebruik van inzamelvoorzieningen zoals een wijkcontainer of een brengdepot is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4:23, tweede lid een inzamelmiddel of een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met gebruikmaking van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening.

2. Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen met gebruikmaking van een inzamelmiddel of inzamelvoorziening aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamelmiddel of deze inzamelvoorziening is bestemd.

3. Het college kan regels stellen omtrent het gebruik van inzamelmiddelen en -voorzieningen.

4. Het college kan regels stellen omtrent de plaats waar en de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.

5. Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel ter inzameling kunnen worden aangeboden.

6. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op een andere plaats en wijze ter inzameling aan te bieden dan bij of krachtens dit artikel is bepaald."

4.    [appellante] betoogt dat zij de afvalzak wel op de juiste wijze heeft aangeboden, maar dat iemand anders het afval uit de inzamelvoorziening heeft gehaald.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2899, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

4.2.    Vast staat dat op 23 april 2019 bij de inzamelvoorziening ter hoogte van de Hoofdstraat 155 te Apeldoorn een aantal afvalzakken zijn aangetroffen met in een van deze afvalzakken een poststuk met de adresgegevens van [appellante]. De afvalzak kan derhalve tot haar worden herleid. Het college mocht er dan ook van uitgaan dat zij de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de afvalzak in strijd met de APV heeft aangeboden. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet zij, maar een ander, de afvalzak op onjuiste wijze heeft aangeboden. Geen aanleiding bestaat derhalve voor het oordeel dat het college [appellante] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Het college mocht dan ook de kosten van de bestuursdwang op haar verhalen.

Het betoog faalt.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020

700.