Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 126.011
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202401779/1/A3

Het college van gedeputeerde staten van Flevoland mocht een nieuwe vergunning voor een varkenshouderij in Creil weigeren en de bestaande omgevingsvergunningen intrekken. Volgens het provinciebestuur bestaat er vrees dat de vergunningen gebruikt worden om strafbare feiten te plegen. Daarbij baseert het college van gedeputeerde staten zich op een zogenoemd Bibob-advies. Het bedrijf werd in het verleden gerund door iemand die verschillende strafbare feiten heeft gepleegd. Volgens het college heeft deze persoon nog zeggenschap over de huidige exploitant van het bedrijf. De huidige exploitant van de varkenshouderij is het niet eens met het besluit van het college en kwam eerder in beroep bij de rechtbank. Die oordeelde dat het college mocht vrezen dat de vergunningen gebruikt zouden kunnen worden voor strafbare feiten, maar dat het weigeringsbesluit het bedrijf hard zou raken. Volgens de rechtbank had het college meer oog moeten hebben voor de evenredigheid van zijn beslissing. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van vandaag blijkt dat het college de nieuwe vergunning mocht weigeren en de al verleende vergunningen mocht intrekken. Niet in geschil is dat het bedrijf van de voormalig exploitant vermogen heeft verschaft aan de huidige exploitant. Daarmee staat de huidige exploitant in een relatie tot de strafbare feiten die de vorige exploitant heeft gepleegd. Het gaat dan om een veelheid aan overtredingen en strafbare feiten op het gebied van milieu-, dieren- en meststoffenregels die gedurende langere tijd zijn gepleegd. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat het college mocht vrezen dat de vergunningen mede voor het plegen van strafbare feiten zouden worden gebruikt. Anders dan de rechtbank oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de besluiten van het college wel evenredig zijn. Weliswaar zijn de gevolgen voor de huidige exploitant groot, maar die gevolgen staan in verhouding tot het doel dat het college met de besluiten nastreeft. Het college heeft uitgebreid gemotiveerd dat de strafbare feiten en overtredingen, veelal in het kader van dierenwelzijn, zeer ernstig en structureel zijn en over een zeer lange periode zijn gepleegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2905
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Wet Bibob
  • uitspraakin de zaak202401779/1/A3

202402400/1/A3

Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van documenten in de archiefbewaarplaats afgewezen. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] met het besluit van 6 oktober 2022 afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 9 maart 2023 ongegrond verklaard, omdat het college een doel en een grondslag heeft voor het bewaren van de desbetreffende gegevens. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 9 maart 2023 onvoldoende is gemotiveerd. Dat oordeel is gebaseerd op twee gebreken die de rechtbank heeft geconstateerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2694
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402400/1/A3

202402453/1/A3

Bij besluit van 22 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft het college bij brief van 1 juli 2022 op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de door de gemeente Tilburg verstrekte bijstandsuitkeringen, die door de gemeentelijke sociale dienst eerst zijn verstrekt en die nadien (gedeeltelijk) zijn teruggevorderd. Het verzoek gaat over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022. Bij brief van 4 augustus 2022 heeft [appellant] op verzoek van het college nader toegelicht dat zijn verzoek betrekking heeft op alle documenten die relevant zijn, waaronder beschikkingen, terugvorderingsbeschikkingen en documenten waarin de staat van de terugbetalingen is opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht het Woo-verzoek van [appellant] heeft afgewezen. Het gaat om gegevens die onder de geheimhoudingsplicht van de Pw vallen en waarop artikel 4.1 van de Woo niet van toepassing is, omdat de Pw als bijzondere wet openbaarmaking voorgaat op de Woo.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2912
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402453/1/A3

202402500/1/A3

Bij brief van 20 oktober 2021 heeft [appellant] het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van documenten over het werknemersvaardighedentraject bij de Werkmeester B.V.. Bij besluit van 22 november 2021 heeft het college dat verzoek buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Bij brief van 7 november 2021 heeft [appellant] het college verzocht om openbaarmaking van documenten over een aan hem aangeboden voorziening van Stichting Werk voor Heerlen. Bij besluit van 1 december 2021 heeft het college dat verzoek ook buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Het college heeft de tegen die besluiten gemaakte bezwaren van [appellant] kennelijk ongegrond verklaard omdat hij de verzoeken met een ander doel had gedaan dan waar de Wob voor is bedoeld. Het college heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belang heeft bij een uitspraak van de Afdeling op zijn hoger beroep in deze procedure. [appellant] heeft namelijk in een andere procedure bij de Centrale Raad van Beroep met het college een schikking getroffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2913
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402500/1/A3

202402703/1/A2

Bij besluit van 3 juni 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. In hoger beroep is in geschil of een schuld aan haar ouders van € 2.263,00 moet worden overgenomen. [appellante] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij met haar ouders had afgesproken dat zij haar zorgverzekering zouden betalen, en dat [appellante] de zorgtoeslag die zij ontvangt aan haar ouders overmaakt. Door de toeslagenaffaire kwam [appellante] in financiële problemen, waardoor zij niet meer aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. [appellante] is vanwege deze afspraak haar ouders nog een bedrag van € 2.263,00 verschuldigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2904
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202402703/1/A2

202403313/1/A3

Bij besluit van 7 december 2021 heeft de gemeenteraad van Almelo de nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021 (APV) vastgesteld, die op 11 december 2021 in werking is getreden. De stichtingen hebben allebei een coffeeshop in Almelo. Zij hadden elk een zogenoemde 'vergunning voor een openbare inrichting met aantekening coffeeshop’ voor onbepaalde tijd, waarbij de verkoop van softdrugs onder voorwaarden werd gedoogd. De gemeenteraad heeft bij besluit van 7 december 2021 de APV gewijzigd. De wijziging houdt onder meer in dat dergelijke exploitatievergunningen niet meer voor onbepaalde tijd gelden, maar voor de maximale duur van vijf jaar. De exploitatievergunningen van de stichtingen waren op grond van de overgangsrechtelijke regeling in artikel 2:34a van de APV na inwerkingtreding van de gewijzigde APV op 11 december 2021 nog zes maanden geldig. De stichtingen konden op grond van deze bepaling een aanvraag voor een nieuwe exploitatievergunning indienen, waarbij de oude exploitatievergunning van kracht bleef totdat op de aanvraag was beslist, indien die aanvraag binnen zes maanden na inwerkingtreding van de APV was gedaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2903
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202403313/1/A3

202404161/1/A2

Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de RDW de aanvraag van [appellante] voor afgifte van een Nederlands rijbewijs afgewezen. Op 26 december 2008 is aan [appellante] een Oekraïens rijbewijs afgegeven. Vanaf 14 maart 2018 woont zij samen met haar Nederlandse echtgenoot in Nederland. Op 13 februari 2023 heeft zij een aanvraag ingediend voor de omwisseling van haar Oekraïense rijbewijs voor een Nederlands rijbewijs. De rechtbank heeft geoordeeld dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet aanmerking komt voor omwisseling van haar Oekraïense rijbewijs voor een Nederlands rijbewijs. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] geen rijexamen in Nederland heeft gedaan, aan haar niet eerder een Nederlands rijbewijs is afgegeven, haar Oekraïense rijbewijs op grond van artikel 46 van het Reglement niet is aangemerkt als gelijkwaardig aan EU-rijbewijzen en zij op grond van die bepaling ook niet valt onder de ‘algemeen belang’-situatie voor kennismigranten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2910
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202404161/1/A2

202404793/1/R1

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland het bestemmingsplan "Gouwepoort 3, Zierikzee" vastgesteld. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bestaande bedrijfsgebouw van YourSurprise op het perceel Gouwepoort 3 in Zierikzee. Hiertoe wordt de situering van de bestemming "Bedrijf - 3", de grootte en ligging van het bouwvlak en de maximale bouwhoogte gewijzigd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. [appellant] en anderen wonen op een afstand variërend van ongeveer 172 tot 280 meter van het plangebied. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. [appellant] en anderen zijn het niet eens met de bouwhoogte van de voorziene uitbreiding van de bedrijfsbebouwing, omdat dit volgens hen leidt tot een aantasting van de landschappelijke waarden en hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen er in dit verband met name op dat het zicht op de (oude binnen-)stad ontoelaatbaar wordt aangetast.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2884
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202404793/1/R1

202405301/1/A3

Bij een ongedateerd besluit dat is verzonden op 20 juli 2023 (hierna: het besluit van 20 juli 2023) heeft de burgemeester beslist op een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo). [wederpartij] heeft de gemeente Den Haag verzocht om stukken die betrekking hebben op handhaving door het Haags Economisch Interventie Team en informatie over door het HEIT uitgevoerde controles van de afgelopen negen jaar. De stukken die betrekking hebben op handhaving omvatten "alle correspondentie tussen de ketenpartners (politie, gemeente, Douane en [Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit]), (bestuurlijke) rapporten, mutaties, waarschuwingen, boetes, processen-verbaal of andere documenten die betrekking hebben op handhavingsacties die zijn ondernomen op basis van het HEIT en de zogenaamde integrale handhavingsacties". De informatie die [wederpartij] wenst over de door het HEIT uitgevoerde controles omvatten "informatie over de locaties waar de controles hebben plaatsgevonden, de aard van de gecontroleerde activiteiten, de selectiecriteria van de controles met inbegrip van de frequentie en resultaten van deze controles".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2900
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202405301/1/A3

202405645/1/R2

Bij besluit van 13 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en splitsen van een bestaand gebouw naar drie appartementen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing en splitsing van een monumentaal pand in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch. De vergunning maakt het mogelijk om het pand op te splitsen in drie appartementen, een kap op het dak te plaatsen en twee dakterrassen te realiseren. [appellant sub 1] en de leden van VvE De Groote Valk wonen naast het pand en zijn het niet eens met de omgevingsvergunning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2887
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202405645/1/R2

202406779/1/A3

Bij besluit van 10 mei 2019 heeft de staatssecretaris [bedrijf A] een bestuurlijke boete van € 174.500,- opgelegd. Bij twee afzonderlijke besluiten van 10 mei 2019 heeft de staatssecretaris [appellant A] en [appellant B] ieder afzonderlijk een boete van € 87.250,00 opgelegd. [appellant A] en [appellant B] waren tot medio januari 2015 de bestuurders van [bedrijf B]. [bedrijf A] heeft sinds januari 2015 de activiteiten van [bedrijf B] overgenomen. Via [bedrijf B] en [bedrijf A] werden personen uit Letland via [uitzendbureau] te werk gesteld bij diverse bedrijven, de zogeheten inleners. [appellant A] dan wel [appellant B] ondertekenden als "general director", namens [bedrijf B] en later [bedrijf A], daartoe met de personen uit Letland overeenkomsten met de vermelding `Work experience contract' (werkervaringscontract). Naar aanleiding van meerdere meldingen van misstanden bij onder andere [bedrijf B] en [bedrijf A] is door het Interventieteam Uitzendbureaus, waar arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: Arbeidsinspectie) deel van uitmaakten, op 24 maart 2015 een onderzoek gestart.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2902
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202406779/1/A3

202406789/1/A3

Bij afzonderlijke besluiten van 10 mei 2019 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant A] en [appellant B] ieder afzonderlijk een bestuurlijke boete van € 110.000,- opgelegd. [appellant A] en [appellant B] waren tot medio januari 2015 de bestuurders van [vennootschap], waarbij personen uit Letland via [uitzendbureau] te werk werden gesteld bij diverse bedrijven, zogeheten inleners. [appellant A] dan wel [appellant B] ondertekenden als "general director" namens [vennootschap] met de personen uit Letland overeenkomsten met de vermelding `Work experience contract’ (werkervaringscontract). Naar aanleiding van meerdere meldingen van misstanden bij onder andere [vennootschap] is door het Interventieteam Uitzendbureaus, waar arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (Arbeidsinspectie) deel van uitmaakten, op 24 maart 2015 een onderzoek gestart. Het onderzoek vond onder andere plaats in het kader van een controle op de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Tijdens het onderzoek zijn enkele bedrijven die personeel van [vennootschap] hadden ingeleend bezocht en zijn meerdere getuigen gehoord. De minister is ook een onderzoek gestart naar [appellant A] en [appellant B]. Naar aanleiding van het onderzoek hebben arbeidsinspecteurs van de Arbeidsinspectie op 14 maart 2019 boeterapporten opgesteld. Op 3 april 2019 heeft de minister een voornemen tot oplegging van een boete aan [appellant A] en [appellant B] gestuurd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2898
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202406789/1/A3

202407039/1/A2

Bij besluit van 24 mei 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen gedeeltelijk geweigerd om private schulden over te nemen. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. In hoger beroep is in geschil of een schuld van € 95.275,84 aan [persoon], en een schuld van € 113.953,32 aan [bedrijf] moeten worden overgenomen. [persoon] is haar oude werkgever. [appellante] heeft grote financiële problemen ondervonden als gevolg van de toeslagenaffaire. [persoon] en [bedrijf] hebben haar leningen verstrekt op 30 december 2016 en 1 maart 2019. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. In hoger beroep is in geschil of een schuld van € 95.275,84 aan [persoon], en een schuld van € 113.953,32 aan [bedrijf] moeten worden overgenomen. [persoon] is haar oude werkgever. [appellante] heeft grote financiële problemen ondervonden als gevolg van de toeslagenaffaire. [persoon] en [bedrijf] hebben haar leningen verstrekt op 30 december 2016 en 1 maart 2019. De minister heeft bij besluit van 24 mei 2022 geweigerd om deze schulden over te nemen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de schulden niet zijn vastgelegd in notariële aktes die zijn opgemaakt vóór 1 juni 2021. De notariële aktes die zijn overgelegd dateren van 8 februari 2022. Verder is er geen ingebrekestelling overgelegd, zodat niet is gebleken dat de hoofdsom van de lening vervroegd is opgeëist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2890
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202407039/1/A2

202407256/1/A3

[appellanten sub 1] waren vennoten van de inmiddels opgeheven vennootschap onder firma, [bedrijf] aan de [locatie] in Rotterdam. Op woensdag 5 oktober 2022 is in die onderneming door inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (Arbeidsinspectie) een controle uitgevoerd. Op basis van die controle heeft de Arbeidsinspectie op 29 november 2022 een op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport opgesteld. In dat boeterapport heeft de Arbeidsinspectie zich op het standpunt gesteld dat [appellanten sub 1] in strijd hebben gehandeld met artikel 3:2, eerste lid, van de Atw door op dertien dagen in de periode 7 september 2022 tot en met 5 oktober 2022 een vijftienjarig kind verboden arbeid te laten verrichten, namelijk het frituren van etenswaren. Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister een boete opgelegd van € 19.500,00 naar aanleiding van het boeterapport. Bij besluit van 5 april 2024 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar van [appellanten sub 1] ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2899
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202407256/1/A3

202407368/1/A2

Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest gereageerd op een klacht van de broer van [appellante]. [appellante] heeft een urgentieaanvraag ingediend bij gemeente Den Haag. Bij besluit van 8 april 2021 is aan haar een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod toegekend. Die zaak is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4627. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest, voor zover nu van belang, aan [appellante] medegedeeld dat de extra inspanningen die het college tot dan toe heeft verricht met drie maanden zullen worden verlengd en daarna zullen worden gestaakt. [appellante] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 2 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 18 juli 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom kan volgens het college geen bezwaar worden gemaakt tegen deze brief. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 29 oktober 2024 het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2909
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202407368/1/A2

202407482/1/R4

De beroepen richten zich tegen het besluit van 2 oktober 2024, waarbij provinciale staten het inpassingsplan "Uitbreiding transformatorstation Breukelen Kortrijk 380-150 kV" hebben vastgesteld. Met het inpassingsplan wordt de uitbreiding van het transformatorstation Breukelen Kortrijk mogelijk gemaakt. [appellant sub 2] betoogt dat het inpassingsplan zorgt voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Door de uitbreiding van het transformatorstation verandert het uitzicht drastisch. KoeiEnzo betoogt dat haar belang niet of niet voldoende is meegewogen. Binnen het plangebied is landbouwgrond van KoeiEnzo gelegen. Als het transformatorstation wordt uitgebreid, betekent dit dat KoeiEnzo landbouwareaal zal verliezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2936
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Mondelinge uitspraak
  • RO - Utrecht
  • uitspraakin de zaak202407482/1/R4

202407683/1/A2

Bij besluit van 5 december 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om verstrekking van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. [appellant] is op [geboortedatum] 1969 geboren in [plaats], Nigeria, en heeft bij zijn geboorte de Nigeriaanse nationaliteit verkregen. Hij heeft op 25 november 2002 ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Op 14 mei 2003 heeft [appellant] bij de Nigeriaanse autoriteiten een verzoek ingediend om afstand te doen van de Nigeriaanse nationaliteit en daarbij zijn Nigeriaanse paspoort ingeleverd. Op 25 november 2005 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan [appellant] medegedeeld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om afstand te doen van de Nigeriaanse nationaliteit en dat de IND geen verdere actie van hem verwacht. [appellant] is op 17 november 2008 uitgeschreven bij de gemeente Amersfoort vanwege emigratie naar Nigeria.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2883
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Paspoort
  • uitspraakin de zaak202407683/1/A2

202500225/1/A3

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 17 december 2024 van de rechtbank Noord­-Holland. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 11 januari 2024 ongegrond verklaard. [appellant] had een evenementenvergunning voor het evenement ‘Hans Klok & Friends’ dat op Texel in augustus 2023 heeft plaatsgevonden. Het college heeft in augustus 2023 lasten onder dwangsom aan [appellant] opgelegd omdat hij zich niet aan de voorwaarden uit de vergunning heeft gehouden. Daartegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3125
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202500225/1/A3

202500707/1/A2

Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om zijn schuld aan [bedrijf] van € 35.000,- over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft een schuld van € 48.000,- opgebouwd bij de ING Bank. Teneinde die schuld te kunnen aflossen heeft [appellant] op 21 januari 2021 een overeenkomst van geldlening gesloten met [bedrijf] voor een bedrag van € 35.000,-. Die geldlening heeft [appellant] gebruikt om op 27 januari 2021 de geldschuld bij de ING Bank af te lossen. Op 12 mei 2021 heeft [appellant] van de Belastingdienst € 30.000,- uit de Catshuisregeling op grond van artikel 2.7 van de Wht ontvangen op zijn ABN rekening. Dezelfde dag heeft hij vanaf die ABN rekening € 35.000,- overgemaakt naar [bedrijf]. Op 2 mei 2022 heeft [appellant] een aanvraag om compensatie van de geldschuld aan [bedrijf] bij Sociale Banken Nederland ingediend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2908
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202500707/1/A2

202501374/1/A2

Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overname van private schulden deels afgewezen. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om onder meer de openstaande geldschulden bij Simtronic ter waarde van € 2.645,00 en € 1.395,00 over te nemen, die zij heeft gemaakt voor de aanschaf van twee pannensets. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek in zoverre afgewezen, omdat die schulden na 31 mei 2021 opeisbaar zijn geworden. De minister heeft de afwijzing in het besluit van 18 december 2023 gehandhaafd, omdat de schulden pas opeisbaar worden nadat de pannensets zijn geleverd en de pannensets niet voor 1 juni 2021 zijn geleverd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2911
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501374/1/A2

202501597/1/A3

Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg [wederpartij] uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp). [wederpartij] stond sinds 2007 in de brp ingeschreven op het adres [locatie] in Tilburg. Na een melding van de verhuurder dat [wederpartij] niet meer op het adres zou wonen is het college een adresonderzoek gestart. Daarbij heeft het college de gegevens over het waterverbruik van [wederpartij] opgevraagd bij Brabant Water. Ook heeft het college drie huisbezoeken uitgevoerd, alle drie overdag tijdens kantoortijden op werkdagen, waarbij [wederpartij] niet is aangetroffen. Het college heeft [wederpartij] ook per brief verzocht om een eigen verklaring in te dienen dat hij op het adres woont, wat hij heeft gedaan. Ook heeft het college hem verzocht om zijn bankafschriften te verstrekken. Dat heeft [wederpartij] toen geweigerd, maar hij heeft deze afschriften tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank alsnog verstrekt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2897
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202501597/1/A3

202502164/1/A3

Bij besluit van 15 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar het verzoek van [appellante] om vernietiging van documenten en het staken van de verspreiding van documenten afgewezen. [appellante] werkte op de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. Het college heeft het hele verzoek van [appellante] aangemerkt als een verzoek tot het wissen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG). Het college heeft het verzoek van [appellante] afgewezen en het daartegen door haar gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat de verwerking van de persoonsgegevens van [appellante] nodig is met het oog op de archivering ervan in het algemeen belang of historisch onderzoek.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2695
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202502164/1/A3

202502842/1/A2

Op 14 december 2020 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan het college van Gedeputeerde Staten van Limburg een specifieke uitkering van € 34.469.000 verleend voor de aanpassing van de treinen van Arriva aan het Europese veiligheidssysteem European Rail Transport Management System (ERTMS). Tegelijk heeft hij een uitkering van € 3.410.000 voor de aanpassing van de Drielandentrein die (ook) rijdt op Belgisch en Duits spoor geweigerd. De staatssecretaris heeft bij besluit van 14 december 2020, zoals gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2021, de aanvraag van het college voor een specifieke uitkering op grond van de Tijdelijke regeling afgewezen, voor zover het de gevraagde uitkering van € 3.410.000,00 voor de aanschafkosten van Specific Transmission Modules (STM’s) voor de inzet van de treindienst Aken-Maastricht-Luik (Drielandentrein) in België en Duitsland betreft. Arriva voert deze treindienst uit op grond van de Concessie Openbaar Vervoer Limburg 2016-2031 (concessie Limburg). Arriva betoogt dat de staatssecretaris in het besluit van 8 april 2025 bij de uitleg van de Tijdelijke regeling ten onrechte onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse STM’s.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2907
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202502842/1/A2

202503137/1/A2

Bij besluit van 6 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [persoon B] om een woningvormingsvergunning afgewezen. In 2015 hebben [persoon A] en [persoon B] twee naastgelegen appartementen met een tuin aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Den Haag samengevoegd door middel van het doorbreken van een muur. Zij wilden meer ruimte voor hun gezin. Zij zijn thans eigenaren van de samengevoegde woning met een woonoppervlakte van 190 m2 en een tuin van 236 m2. [persoon A] en [persoon B] willen de woning verkopen en er is volgens hen meer vraag naar de twee gesplitste appartementen dan naar de samengevoegde woning. Op 22 maart 2024 heeft [persoon B] bij het college een aanvraag gedaan voor een vergunning voor woningvorming. Op grond hiervan zouden [persoon A] en [persoon B] de woning mogen splitsen in twee woningen door het plaatsen van een muur. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Niet in geschil is dat de woning in feite bestaat uit twee volledig zelfstandig te bewonen appartementen die slechts met één doorgang met elkaar verbonden zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2917
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503137/1/A2

202503293/1/A3

Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de burgemeester van Amsterdam een aanvraag van [appellante] voor een terrasvergunning afgewezen. [appellante] is gevestigd aan de [locatie] in Amsterdam. Op 19 januari 2023 heeft [appellante] een aanvraag gedaan om een parkeervak tegenover het café in gebruik te mogen nemen als terras. De burgemeester heeft de aanvraag op 24 augustus 2023 afgewezen, omdat de ruimte al als parkeervak wordt gebruikt en het vanwege de hoge parkeerdruk niet mogelijk is om het parkeervak op te heffen. Bij het besluit van 15 januari 2024 heeft de burgemeester de afwijzing gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de aanvraag om een terrasvergunning heeft mogen afwijzen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester de aanvraag terecht aan de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) en het Terrassenbeleid 2011 heeft getoetst. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de aanvraag om een terrasvergunning heeft mogen afwijzen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2882
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503293/1/A3

202503328/1/A3

Bij besluit van 14 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd om de openbare toegankelijkheid van een pad te herstellen. [appellant] is eigenaar van de percelen sectie A, nrs. 1371 en 1935, aan de [locatie] in Holten. Op deze percelen is een voetpad gelegen, ook wel aangeduid als het ‘verlengde Hoge Heipad’. Dit voetpad vormt een verbinding tussen de Raalterweg en het Dikkerspad. [appellant] heeft het voetpad in 2021, naar aanleiding van overlast door wandelaars, afgesloten door de poort naar het voetpad ter hoogte van zijn oprijlaan te sluiten. Op 14 juni 2023 heeft het college een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd. De last ziet op het herstellen van de openbare toegankelijkheid van het voetpad. Volgens het college is het pad door de afsluiting niet meer openbaar toegankelijk voor wandelaars die vanaf de Holterberg via dit pad naar de Raalterweg willen lopen of andersom. Daarmee is sprake van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rijssen-Holten 2021 (APV). De hoogte van de dwangsom bedraagt € 5.000,00 ineens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2881
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202503328/1/A3

202504090/1/A2

Bij besluit van 5 januari 2024 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Visserij het verzoek van [appellant] van 21 november 2023 om teruggave van zijn in 2011 ingetrokken visvergunningen afgewezen. Sinds 1 april 2011 geldt op grond van de Visserijwet 1963 en artikel 23b van de Uitvoeringsregeling visserij een verbod om in een aantal gebieden in de kust- en binnenwateren te vissen naar aal en wolhandkrab. Het gaat om alle wateren die niet voldoen aan de norm voor dioxine en dioxineachtige polychloorbifenyl (PCB), opgenomen in de bij artikel 23b van de Uitvoeringsregeling visserij behorende bijlage 15. Het doel is om te voorkomen dat vis met te hoge gehalten dioxine en PCB worden verhandeld en geconsumeerd. Dit kan een ernstig gevaar voor de gezondheid opleveren. [appellant] beschikte over vergunningen voor vissen met vaste vistuigen in de havens van IJmuiden (documentnummers 58462, 58486 en 58630). De havens van IJmuiden en de toeleidingskanalen naar het Noordzeekanaal tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen waren sinds 1 april 2011 opgenomen in voornoemde bijlage 15. Bij besluiten van 4 mei 2011 heeft de staatssecretaris die vergunningen ingetrokken op grond van artikel 23b van de Uitvoeringsregeling.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2895
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Visserij
  • uitspraakin de zaak202504090/1/A2

202504884/1/A3

Bij besluit van 11 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 2.500,00 ingevorderd. Op 23 februari 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV). De last houdt in dat [appellant] geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben op een openbare plaats in de gemeente Dordrecht. Bij elke overtreding verbeurt [appellant] een dwangsom van € 2.500,00 met een maximum van € 10.000,00. Uit een bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Rotterdam, Basisteam Drechtsteden Binnen van 13 november 2023 (bestuurlijke rapportage) volgt dat op 27 oktober 2023 omstreeks 01:20 uur politieambtenaren een melding ontvingen over een man die over straat zou zwalken en onder invloed zou zijn. Ter plaatse werd [appellant] herkend. [appellant] werd aangetroffen met inbrekerswerktuigen, namelijk een tas met een kleine betonschaar, kniptang, platkop schroevendraaier, handschoenen en een fietstas met een moersleutel, inbussleutels, dopsleutel en een klein breekijzer.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2891
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202504884/1/A3

202505410/1/A2

Bij beslissing van 10 mei 2025 heeft de opleidingsmanager, namens de decaan van de faculteit Maatschappij en Recht, [appellant] een formele schriftelijke waarschuwing gegeven. In april 2025 heeft de studentendecaan een klacht tegen [appellant] ingediend. De klacht zag op uitlatingen die [appellant], dan wel zijn gemachtigde namens hem, in een beroepsprocedure in schriftelijke stukken heeft gedaan. Het ging de studentendecaan om drie punten in het beroepschrift. [appellant] zou hebben gesteld dat de studentendecaan hem verzocht had zijn broek naar beneden te doen om een wond op zijn been te laten zien. Vervolgens heeft [appellant] gesteld dat de studentendecaan de verklaring van de huisarts in twijfel trok en toestemming heeft gevraagd om zelf contact op te nemen met de arts. Tot slot stond in datzelfde stuk de zin ‘Het eisen van en neuzen in medische gegevens is in dit geval uit den boze, kan en mag geen rol spelen.’ Naar aanleiding van de klacht is [appellant] uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar daar niet verschenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2893
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202505410/1/A2

202600032/2/R4

Bij besluit van 24 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht zijn beslissing om op 26 mei 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht en artikel 12 van het Uitvoeringbesluit Afvalstoffenverordening Dordrecht aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Het college heeft in het besluit van 2 december 2025 geoordeeld dat [appellante] te laat bezwaar heeft gemaakt en het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is. Op 24 juli 2025 is het besluit toegezonden naar [appellante]. De bezwaartermijn is daarmee aangevangen op 25 juli 2025 en geëindigd op 4 september 2025. Het bezwaarschrift is op 17 september 2025 ontvangen en daarmee te laat. De stelling van [appellante] dat zij niet tijdig op de hoogte was van het bestreden besluit, heeft het college niet doen besluiten dat de termijnoverschrijding op grond van 6:11 van de Awb verschoonbaar moet worden geacht. [appellante] betoogt in beroep dat de verzending van het besluit van 24 juli 2025 niet betekent dat zij dit besluit ook heeft ontvangen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2906
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202600032/2/R4

202600038/2/A3

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 25 november 2025 in zaken nrs. 25/2267 en 25/2274. Partijen A tot en met E hebben de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Stichting Een Dier Een Vriend (de Stichting) heeft aan de minister gevraagd om op grond van de Wet open overheid (Woo) alle documenten openbaar te maken van de inspecteurs van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit over het slachten van drachtige koeien in de jaren 2018 tot en met 2022. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft dat verzoek toegewezen en besloten de documenten uitgesteld openbaar te maken. Onder deze documenten bevinden zich documenten die zien op de onderneming van Partijen A tot en met E.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2840
Datum uitspraak
20 mei 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202600038/2/A3

202403940/1/V1

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht .

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2812
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202403940/1/V1

202403961/1/V3

Bij besluit van 3 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2811
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaak202403961/1/V3

202502610/1/V2

Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2810
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202502610/1/V2

BRS.25.002574

Bij besluit van 9 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2723
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002574

BRS.25.002677

Bij besluit van 22 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2806
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002677

BRS.26.001100

Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2721
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001100

BRS.26.001398

Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2789
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001398

BRS.26.001508

Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2793
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001508

BRS.26.001812

Bij besluit van 9 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2722
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001812

BRS.26.001952

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2788
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001952

BRS.26.002060

Bij besluit van 25 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2807
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002060

BRS.26.002072

Bij besluit van 25 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2808
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002072

BRS.26.002084

Bij besluit van 10 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2713
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002084

BRS.26.002136

Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2809
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002136

BRS.26.002226

Bij besluiten van 11 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2798
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002226

BRS.26.002452

Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2849
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002452

BRS.26.002469

Bij besluit van 1 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2853
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002469

202406528/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2024 in zaak nr. 24/1451. Het college van burgemeester en wethouders van Diemen heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. [appellant] heeft verzocht om inzage in alle persoonsgegevens die het college van hem heeft. Het college heeft dat verzoek gedeeltelijk ingewilligd. [appellant] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij ook inzage moet krijgen in de persoonsgegevens die door het college zijn verwerkt in verband met een strafrechtelijk onderzoek.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2839
Datum uitspraak
19 mei 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202406528/2/A3

202601154/2/R1

Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen de aanvraag van [wederpartij] om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geweigerd. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 3] in Amstelveen. Het bedrijfsgebouw bevindt zich aan een pleintje dat gedeeltelijk is omsloten door garageboxen. Achter het bedrijfsgebouw en de garageboxen bevinden zich de tuinen van een aantal rijen aaneengesloten woningen. In het bestemmingsplan "Amstelveen Midden West 2022" heeft de locatie van het bedrijfsgebouw voor zover van belang de bestemming "Bedrijf - Kleinschalig". Naar aanleiding van een in het verleden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het bedrijfsgebouw als woning, is om dat gebruik in het bestemmingsplan op te nemen aan de locatie van het bedrijfsgebouw tevens de functieaanduiding "wonen" toegekend. Verder is [wederpartij] eigenaar van de twee aan het bedrijfsgebouw grenzende garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2799
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202601154/2/R1

BRS.25.001523

Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2703
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001523

BRS.25.001615

Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2708
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001615

BRS.25.001979

Bij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2705
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001979

BRS.25.002601

Bij besluiten van 18 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2706
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002601

BRS.26.000187

Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een verzoek van appellant om hem een W- of W2-document te verstrekken, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2670
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000187

BRS.26.000580

Bij besluit van 6 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2710
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000580

BRS.26.000756

Bij besluit van 27 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2786
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000756

BRS.26.000828

Bij besluit van 11 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2711
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000828

BRS.26.001690

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2701
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001690

BRS.26.001782

Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2787
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001782

BRS.26.002176

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2700
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002176

BRS.26.002330

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2805
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002330

BRS.26.002334

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2828
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002334

BRS.26.002411

Bij besluit van 11 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2836
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002411

202501310/1/V3

Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2717
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaak202501310/1/V3

202600348/2/A3

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025. Op 10 februari 2014 heeft [verzoekster] een overeenkomst met de gemeente Rotterdam gesloten om een parkeerplaats in de parkeervoorziening aan de Benthuizerstraat in Rotterdam te mogen gebruiken voor haar auto. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, ingaande op 1 maart 2014, en wordt elk jaar stilzwijgend voor eenzelfde periode verlengd. Bij brief van 19 mei 2022 heeft de Manager Parkeervoorzieningen aan [verzoekster] medegedeeld dat haar abonnement per 31 juli 2022 wordt beëindigd. De gemeente kent stallingsabonnementen alleen toe aan specifieke groepen. Deze abonnementen zijn vooral bedoeld voor bewoners die in de directe omgeving van de parkeergarage wonen. [verzoekster] valt niet binnen deze doelgroep. Bij brieven van 28 en 29 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [verzoekster] medegedeeld dat de overeenkomst voor het gebruik van de parkeergarage met ingang van 1 augustus 2022 wordt beëindigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2676
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202600348/2/A3

202600832/1/R4 en 202600832/2/R4

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026. Ook hebben [appellanten] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [appellanten] moeten voor het door hen ingestelde hoger beroep griffierecht betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2716
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202600832/1/R4 en 202600832/2/R4

202600833/1/R4 en 202600833/2/R4

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026. Ook hebben [appellanten] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [appellanten] moeten voor het door hen ingestelde hoger beroep griffierecht betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2715
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202600833/1/R4 en 202600833/2/R4

202601069/1/A3 en 202601069/2/A3

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft op 15 september 2025 een VOG aangevraagd. Die heeft hij nodig om stage te kunnen lopen bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs, Samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs in Sittard (hierna: de Stichting). Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2025. De staatssecretaris heeft in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren gehanteerd en heeft deze verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende maatregelen die [appellant] heeft ondergaan van in totaal drie maanden en zeven dagen. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS enkele feiten zijn geregistreerd. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2677
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Verklaring omtrent gedrag
  • uitspraakin de zaak202601069/1/A3 en 202601069/2/A3

202601097/2/A3

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester van Nissewaard besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten. [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2697
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202601097/2/A3

BRS.26.001745

Bij besluit van 31 juli 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2684
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001745

BRS.26.002009

Bij besluit van 29 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2702
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002009

BRS.26.002123

Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2682
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002123

BRS.26.002130

Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2685
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002130

BRS.26.002198 en BRS.26.002199

Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2678
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002198 en BRS.26.002199

BRS.26.002224

Bij besluit van 25 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2687
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002224

BRS.26.002238 en BRS.26.002239

Bij besluit van 19 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2681
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002238 en BRS.26.002239

BRS.26.002256

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2801
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002256

BRS.26.002295

Bij besluit van 14 mei 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2683
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002295

202203001/3/R2

Bij tussenuitspraak van 25 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2840) heeft de Afdeling de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 februari 2022, waarbij het bestemmingsplan "Eeneind 2018" is vastgesteld, te herstellen. Het op 17 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan betreft een actualisatie van de bestemmingsplannen in het dorp Eeneind in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het plangebied beslaat onder meer de gronden van [appellante], kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie C, nrs. 3465, 3466, 3468, 3469, 3470, 3892, 3894, 3895 en 4232. [appellante] heeft in haar zienswijze te kennen gegeven dat zij het eens is met het herstelbesluit, voor zover aan het perceel nr. 3892 de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - autobeklederij" is toegekend, en voor zover de aanduiding "milieuzone - geurzone" van haar gronden is verwijderd. Gelet hierop is in zoverre geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist. De beroepsgronden die wel zijn aangevoerd zal de Afdeling hieronder bespreken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2760
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202203001/3/R2

202206069/1/A3

Bij besluit van 29 maart 2021 heeft het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam de verzoeken van [appellant] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) afgewezen. [appellant] is het niet eens met de uitspraken van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uitgebreid uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2769
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202206069/1/A3

202300154/1/A3

Bij besluit van 15 mei 2020 heeft de burgemeester van Schiedam een aanvraag voor een exploitatievergunning en een drank- en horecawetvergunning van [wederpartij] afgewezen. Op 12 februari 2020 heeft [persoon A] met zijn bedrijf S.A.S. Kansspelautomaten B.V. een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning, een drank- en horecawetvergunning en een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten voor de vestiging van DIVA Eetcafé in het pand [locatie] in Schiedam. Volgens de aanvraag is [wederpartij] de exploitant/ondernemer van DIVA die op de vergunning vermeld moet worden. Bij besluit van 15 mei 2020, gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2021, heeft de burgemeester deze aanvraag afgewezen. De burgemeester heeft de vergunningen geweigerd omdat [wederpartij] en [persoon B] (beoogd leidinggevende van DIVA) in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2737
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • Wet Bibob
  • uitspraakin de zaak202300154/1/A3

202302187/1/R4

Bij besluit van 7 februari 2023 hebben provinciale staten van Gelderland het inpassingsplan "Herziening inpassingsplan en reparatie inpassingsplan tuinbouw Bommelerwaard" vastgesteld. Het bedrijf van [appellante sub 1] is gevestigd aan de [locatie 1] in Poederoijen. Dat bedrijfsperceel maakt geen onderdeel uit van het plangebied. [appellante sub 1] is het niet eens met het plan voor zover dit betrekking heeft op de percelen aan de [locatie 2] en [locatie 3] in Poederoijen en deze percelen daarin niet langer de gebiedsaanduiding "overige zone-intensiveringsgebied" gebied hebben. [appellante sub 1] vreest dat dit negatieve gevolgen heeft voor haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering. [appellante sub 2] heeft een bedrijf dat chrysanten kweekt en is gevestigd aan de [locatie 4] in Nieuwaal. Dat perceel maakt geen deel uit van het plangebied. [appellante sub 2] is het niet eens met het plan voor zover dit betrekking heeft op de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning" die aan de nabij zijn bedrijf gelegen woning op het perceel aan de [locatie 5] te Nieuwaal is toegekend. [appellante sub 2] vreest dat haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering hierdoor zal worden belemmerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2728
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202302187/1/R4

202303363/1/A3

Bij twee besluiten van 21 september 2021 heeft de burgemeester van Almere aanvragen van FEBO Almere voor een terrasvergunning en een vergunning alcoholvrij bedrijf afgewezen. FEBO Almere heeft de burgemeester verzocht vergunningen te verlenen voor een terras en een alcoholvrij bedrijf. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) gevraagd om advies. Uit die adviezen volgt dat in mindere mate gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. De burgemeester is echter van mening dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hij heeft daarom geweigerd de vergunning voor een alcoholvrij bedrijf te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2643
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202303363/1/A3

202303560/1/V3

Bij besluit van 6 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken te verlaten. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 33, tweede lid en onder c, van Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) en hieruit volgt dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien een derde land voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd. De minister heeft Ecuador voor appellant als veilig derde land beschouwd. Niet in geschil is dat appellant zes jaar lang legaal in Ecuador heeft verbleven. Het besluit op de asielaanvraag is ook een terugkeerbesluit, waarin de minister Ecuador als land van terugkeer heeft aangewezen. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij niet naar Ecuador wil terugkeren. Omdat de minister de asielaanvraag van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft hij de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Hij heeft dus ook niet getoetst of er een refoulementrisico bestaat voor Venezuela, het land van herkomst. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het terugkeerbesluit van 6 december 2022 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn zo gelezen moet worden dat verwacht wordt dat de onderdaan van het derde land binnen de gestelde termijn uit zichzelf het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verlaat. Deze bepaling gaat daarom niet over de vraag of de betreffende persoon terug wil keren naar het derde land, aldus de rechtbank.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2660
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Verwijzingsuitspraak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202303560/1/V3
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202303560/1/V3

202305219/1/R2

Bij besluit van 14 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een boomkwekerijloods op het perceel [locatie 1] in Haaren. [appellant] heeft op 17 mei 2021 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een boomkwekerijloods voor de eenmanszaak "[naam]" op het perceel [locatie 1] in Haaren. [appellant] wil de loods gebruiken als opslag- en verwerkingsruimte voor het oppotten van planten. [appellant] exploiteert ook de onderneming [bedrijf], gevestigd op [locatie 2] in Haaren. Het toepasselijke bestemmingsplan, "Buitengebied Haaren, herziening 2020", bepaalt dat uitsluitend bouwwerken ten behoeve van reële agrarische bedrijven worden gebouwd. Een reëel agrarisch bedrijf is, volgens de in het plan opgenomen definitie, een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2755
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202305219/1/R2

202306714/1/R1 en 202306824/1/R1

Bij besluit van 22 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Amsterdam Open Air B.V. een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het evenement "Amsterdam Open Air festival 2022" in het Gaasperpark op 4 en 5 juni 2022. Amsterdam Open Air is een evenement dat jaarlijks plaatsvond in het Gaasperpark in Amsterdam. Het evenement is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Gaasperdam". Om dit evenement mogelijk te maken heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Het gaat om een tijdelijke omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Stichting Natuurbescherming ZO heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij geen belanghebbende is. Stichting Natuurbescherming ZO heeft namelijk volgens het college onvoldoende feitelijke werkzaamheden uitgevoerd ter verwezenlijking van haar statutaire doelstellingen. [appellant sub 2] heeft ook bezwaar gemaakt. Zij woont aan de [locatie] in Amsterdam, in de nabijheid van het Gaasperpark. [appellant sub 2] is het om meerdere redenen niet eens met de vergunning. Het college heeft haar bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2754
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202306714/1/R1 en 202306824/1/R1

202307387/1/R2

Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad van de gemeente Bergeijk het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van de gronden van de veehouderij aan de [locatie 1] in Westerhoven. Daarvoor wordt (een deel van) de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing aan de [locatie 1] en de [locatie 2] gesaneerd en worden in de plaats dertien woningen gebouwd aan de [locatie 1]. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen wonen direct aan de westzijde aan het plangebied. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast. [appellante sub 3] en anderen exploiteren een agrarisch bedrijf aan de zuidoostzijde van het plangebied. Zij vrezen dat hun bedrijfsvoering wordt beperkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2772
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202307387/1/R2

202400296/1/A3

Bij besluit van 6 april 2021 hebben gedeputeerde staten van Groningen een voorlopig voorkeursrecht gevestigd op verschillende percelen in de Oostpolder. Bij besluit van 30 juni 2021 hebben provinciale staten dit voorlopig voorkeursrecht bestendigd. De provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland willen de Eemshaven uitbreiden door een bedrijven- en industrieterrein te ontwikkelen in de Oostpolder, gelegen ten zuiden van de Eemshaven. In de Omgevingsvisie provincie Groningen 2019-2020 is vastgelegd dat de Eemshaven zal worden ontwikkeld als topgebied voor (duurzame) energie, chemische industrie en datacenters. De provincie wil de regionale economie versterken en de industrie vergroenen. Met het oog op deze ontwikkelingen hebben provinciale staten het voorkeursrecht op verschillende gronden in de Oostpolder gevestigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat provinciale staten bevoegd waren het voorkeursrecht te vestigen. Het was niet nodig voor provinciale staten om op perceelniveau aan te geven welke bestemming zou worden toegekend. Van belang is dat de toekomstige bestemming van de aangewezen gronden als geheel afwijkt van het huidige gebruik.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2761
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wet voorkeursrecht gemeenten
  • uitspraakin de zaak202400296/1/A3

202400859/1/A3

Bij besluit van 4 december 2020 heeft de burgemeester van Heerlen RTTG een vergunning verleend voor de exploitatie van een speelautomatenhal in het pand van de Beitel 90 te Heerlen voor de duur van tien jaar met als ingangsdatum 1 januari 2021. Met het besluit van 30 april 2021 is de burgemeester bij zijn eerdere besluit gebleven. RTTG is het niet eens met 1 januari 2021 als ingangsdatum van de exploitatievergunning en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de ‘Aankondiging aanvraagtijdvak exploitatievergunningen speelautomatenhallen’ van 10 februari 2020 (Aankondiging) volgt dat de uiterste ingangsdatum van de exploitatievergunning bij RTTG bekend was, dat er voor de exploitatie van de speelautomatenhal nog andere vergunningen nodig waren en dat de burgemeester, gelet op de transparantie die hij moet bieden bij verdeling van schaarse vergunningen, van deze datum niet kon afwijken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2738
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202400859/1/A3

202401128/1/A3

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de burgemeester van Heusden aan Dorpscafé De Steeg B.V. een vergunning verleend voor het exploiteren van horecabedrijf ‘Dorpscafé De Steeg’ aan de Meester Prinsenstraat 38 in Haarsteeg. De burgemeester heeft aan Dorpscafé De Steeg B.V. een vergunning verleend voor de exploitatie van De Steeg aan de Meester Prinsenstraat 38 in Haarsteeg. In het pand is naast dorpscafé De Steeg ook dorpshuis De Haarstek gevestigd. Het pand wordt onder meer gebruikt voor (verenigings)activiteiten, evenementen, feesten en bruiloften. Het pand ligt tegenover en op 12 meter afstand van de woning van [appellant]. De burgemeester heeft op 9 januari 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling opnieuw het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en een exploitatievergunning aan De Steeg verleend. Anders dan voorheen mogen in de inrichting van De Steeg nu maximaal 250 bezoekers tegelijk aanwezig zijn ter bescherming van de woon- en leefsituatie. Daarnaast mag er geen samenloop van functies zijn. Het café kan dus niet open zijn als er (besloten) feesten of partijen plaatsvinden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2756
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202401128/1/A3

202401546/1/R3

Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft het college van burgermeester en wethouders van Noordenveld geweigerd handhavend op te treden tegen de opslag van grasbalen op het perceel achter Westeinde [locatie 1 en 2] in Leutingewolde. In het verleden oefende [appellant] op perceel [locatie 1-2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [appellant] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2617
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401546/1/R3

202402103/1/R1

Bij besluit van 8 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Tholen het bestemmingsplan "Molenweg, Kerk, Zorg en Welzijn te Oud-Vossemeer" vastgesteld. Het plangebied ligt aan weerszijden van de Molenweg in Oud-Vossemeer en maakt meerdere ontwikkelingen mogelijk. Het gaat volgens de planomschrijving om de realisatie van een kerkgebouw en een woon-zorgcomplex met 24 zorgwoningen en 10 seniorenwoningen. De woningen dienen gestapeld te worden uitgevoerd. Daarnaast maakt het plan overnachtingsmogelijkheden en ondergeschikte horeca bij een duik- en zwemschool mogelijk. [appellant] en anderen wonen onder meer aan de Molenweg in de nabijheid van het plangebied en kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Zij vrezen met name geluidhinder, verkeershinder en parkeeroverlast als gevolg van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2766
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202402103/1/R1

202402132/1/R4

Bij besluit van 27 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Amersfoort het bestemmingsplan "Utrechtseweg 2-4" vastgesteld. Bij besluit van 11 maart 2024 heeft het college van de gemeente Amersfoort aan Foortzicht B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woongebouw met 100 woningen, een parkeervoorziening en commerciële functies op de begane grond, aan de Utrechtseweg 2-4 in Amersfoort. De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning maken de bouw van het gebouw SAM aan de Utrechtseweg 2-4 in Amersfoort mogelijk. Dit gebouw zal bestaan uit 16 bovengrondse bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 50 m. In het gebouw zijn 100 appartementen, een parkeervoorziening (48 parkeerplaatsen) en commerciële functies in de plint voorzien. De locatie ligt op de hoek van de Utrechtseweg en de Stadsring, aan de rand van de binnenstad van Amersfoort. De gronden aan de zijde van het plangebied die aan de Stadsring liggen, liggen braak. De rest van de gronden in het plangebied zijn verhard en zijn in gebruik als parkeerterrein. [appellant sub 1] is eigenaar van twee percelen aan de [locatie]. Deze percelen liggen vlakbij het plangebied. Oudheidkundige Vereniging Flehite en anderen komen onder meer op voor de bescherming van de karakteristieke binnenstad van Amersfoort.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2729
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bouwen
  • RO - Utrecht
  • uitspraakin de zaak202402132/1/R4

202402245/1/R4

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Wageningen het bestemmingsplan "Buitengebied, eerste herziening" vastgesteld. Het plan actualiseert het bestaande bestemmingsplan. Het wil toekomstige gewenste ontwikkelingen mogelijk maken. [appellante] is het niet eens met dit besluit. Zij exploiteert een pluktuin in de Wageningse Eng, onderdeel van het plangebied. Zij vreest dat het plan haar gebruik van de pluktuin zal beperken. [appellante] teelt in de "Pluktuin" bloemen en fruit. Zij organiseert daar ook regelmatig workshops. De opbrengsten daarvan vormen inmiddels een belangrijk deel - volgens [appellante] ongeveer een derde - van haar bedrijfsinkomsten. [appellante]’ belangrijkste bezwaar tegen het herstelbesluit is dat het gewijzigde plan haar mogelijkheden om workshops te geven teveel beperkt, met grote financiële gevolgen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2752
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202402245/1/R4

202402542/1/A3

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de burgemeester de openbare inrichting aan de [locatie] te Utrecht, gesloten voor de duur van zes weken. Bij besluit van 29 november 2022 heeft de burgemeester de aan [appellant] verleende exploitatievergunning en drank- en horecavergunning voor het horecabedrijf ingetrokken. [appellant] was eigenaar van het horecabedrijf in Utrecht, een Chinees Indisch restaurant. De burgemeester en de politie hebben meldingen ontvangen dat illegaal werd gegokt in het horecabedrijf. Daarnaast zou sprake zijn geweest van een incident waarbij is gedreigd met een vuurwapen. De vuurwapendreiging is voor de politie aanleiding geweest om op 23 oktober 2022 met een arrestatieteam het horecabedrijf te betreden. Daarbij was ook een toezichthouder van de gemeente aanwezig. Op basis van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om het horecabedrijf te sluiten voor de duur van zes weken op grond van artikel 24 van de Verordening horeca gemeente Utrecht. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat door de constateringen die in het horecabedrijf zijn gedaan, sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat rondom het horecabedrijf.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2765
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202402542/1/A3

202402778/1/A3

Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij. Hij is eigenaar van weggedeelten 8, 9, 10 en 11 van de Stadsweg in Losser. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat delen van de Stadsweg niet begaanbaar zijn voor het openbaar verkeer, onder andere door het dicht begroeid zijn met bosschages, het inzaaien met gras en het verwijderen van paal en draad. [appellant sub 1] moet de onttrekkingen van de bedoelde wegen aan het openbaar verkeer ongedaan maken en deze weggedeelten terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Bij besluit van 11 februari 2022 heeft het college het besluit van 2 juli 2021 gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat het niet in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank heeft het besluit van 11 februari 2022 daarom vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2730
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • Wegenwet
  • uitspraakin de zaak202402778/1/A3

202402782/1/A3

Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij. Hij is eigenaar van drie delen van de Grote Lutterveldweg en twee delen van de Stadsweg. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat delen van de Stadsweg niet begaanbaar zijn voor het openbaar verkeer, onder andere door het dicht begroeid zijn met bosschages, het inzaaien met gras en het verwijderen van paal en draad. Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10, eerste lid, en artikel 2:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Losser. [appellant sub 1] moet de onttrekkingen van de bedoelde wegen aan het openbaar verkeer ongedaan maken en deze weggedeelten terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Bij besluit van 11 februari 2022 heeft het college het besluit van 2 juli 2021 gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2731
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402782/1/A3

202402787/1/A3

Bij besluit van 8 november 2022 hebben de burgemeester en het college van de gemeente Tilburg aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd voor het laten verrichten van illegale prostitutie in de woning van [wederpartij]. [wederpartij] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Tilburg (de woning). Hij heeft de woning voor de periode van 16 tot en met 21 oktober 2022 verhuurd via Airbnb aan [huurder]. Op 19 oktober 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente Tilburg een controle uitgevoerd bij de woning, nadat hij via een online advertentie in contact kwam met een vrouw die seksuele handelingen tegen betaling aanbood. De vrouw vertelde de toezichthouder dat hij naar de woning moest komen. Daar aangekomen trof de toezichthouder drie sekswerkers en verschillende attributen aan, waaronder condooms, glijmiddel en SM-spullen. De burgemeester en het college hebben vervolgens aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd voor het zonder vergunning laten verrichten van prostitutieactiviteiten in de woning in strijd met artikel 97, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg en overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wegens het laten gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2733
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402787/1/A3

202402796/1/A3

Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij. Hij is eigenaar van twee delen van de Stadsweg. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat delen van de Stadsweg niet begaanbaar zijn voor het openbaar verkeer, onder andere door het dicht begroeid zijn met bosschages, het inzaaien met gras en het verwijderen van paal en draad. Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10, eerste lid, en artikel 2:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Losser. [appellant sub 1] moet de onttrekkingen van de bedoelde wegen aan het openbaar verkeer ongedaan maken en deze weggedeelten terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Bij besluit van 11 februari 2022 heeft het college het besluit van 2 juli 2021 gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat het niet in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2732
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402796/1/A3
vorige pagina1...151617...1.261volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon