Uitspraak BRS.25.001850 en BRS.25.001854
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:380
- Datum uitspraak
- 26 januari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001850 en BRS.25.001854
ECLI:NL:RVS:2026:380
Datum uitspraak: 26 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant] en mede haar minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 30 oktober 2025 in zaken nrs. NL25.48702 en NL25.48705 in het geding tussen:
[appellant] en mede haar minderjarige kinderen,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 7 oktober 2025 heeft de minister de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. S. Oukil, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat de vreemdelingen met onbekende bestemming zijn vertrokken. De gemachtigde van de vreemdelingen heeft, hoewel de Afdeling haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet laten weten dat zij nog contact met hen heeft. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdelingen niet langer bescherming in Nederland zoeken. Daarom hebben de vreemdelingen geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026
47-1111