Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 124.258
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202505109/1/R2 en 202505109/2/R2

Bij besluit van 27 januari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel [verzoeker] gelast om diverse overtredingen op het perceel [locatie] kadastraal bekend als perceel H807, in Duizel, te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom. [verzoeker] is eigenaar van het kadastrale perceel H807, de [locatie] in Duizel, dat deel uitmaakt van een groter bedrijfsperceel. Dat bedrijfsperceel is in april 2022 eigendomsrechtelijk kadastraal gesplitst in de percelen H807, H1311 en H1312, waarbij perceel H807 aan [verzoeker] is verkocht. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek heeft het college op 13 november 2024 op het perceel van [verzoeker] een controle uitgevoerd, waarbij is gebleken dat er overtredingen zijn van het bestemmingsplan "Kom Duizel". Dit bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente Eersel. In het vervolg van deze uitspraak zal nog worden gesproken van het bestemmingsplan. Bij het besluit van 27 januari 2025 heeft het college aan [verzoeker] 6 lasten onder dwangsom opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:978
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202505109/1/R2 en 202505109/2/R2

202506025/2/R2

Bij besluit van 13 september 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland het verzoek om handhavend optreden van 19 juli 2019 van de stichting tegen verschillende handelingen die volgens haar in strijd met verleende ontheffingen en de Wet natuurbescherming zijn, afgewezen. In deze procedure gaat het om een verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen GEM, omdat zij volgens de stichting in strijd handelt met verleende Wnb-ontheffingen en de Wnb. Voor de voorgeschiedenis, de beschrijving van de verleende ontheffingen en de weergave van de handhavingsprocedure verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1573). In deze uitspraak heeft de Afdeling gebreken geconstateerd in het besluit van 3 april 2020 op de onderdelen "omvang en draagkracht compensatiegebied", "opzettelijk doden van rugstreeppadden in de woonwijk" en "beheerwerkzaamheden".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1011
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202506025/2/R2

BRS.25.000360

Bij besluiten van 18 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:984
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000360

BRS.25.001390

Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:993
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001390

BRS.25.002673

Bij besluit van 3 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:968
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002673

BRS.25.002688

Bij besluit van 10 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:971
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002688

BRS.26.000329

Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:985
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000329

BRS.26.000421

Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:987
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000421

BRS.26.000482

Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 7 augustus 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:981
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000482

BRS.26.000712

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:989
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000712

202202778/1/R3

Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân het bestemmingsplan "Fietspad Súd Ie" vastgesteld. De gemeente Noardeast-Fryslân werkt sinds 2013 samen met de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân aan het uitvoeringsprogramma "Súd Ie en Wetterfront Dokkum". In de plantoelichting staat dat het doel van dit uitvoeringsprogramma is om de recreatieve verbindingen in het stroomgebied van de oude zeeslenk Súd Ie op te waarderen om recreatie en toerisme te bevorderen en ecologische en landschappelijke waarden te versterken. Het programma bestaat uit drie verschillende uitvoeringsfases. De eerste en tweede fasen zijn inmiddels afgerond en bestonden uit het op diepte brengen van het vaarwater van de Súd Ie, het op hoogte brengen van de bruggen over de Súd Ie ten behoeve van de bevaarbaarheid van de Súd Ie, de aanleg van vispassages en het ecologisch verrijken van de oevers. De derde en laatste fase bestaat uit het realiseren van een fietspad langs de vaarroute Súd Ie tussen Dokkum en Oostmahorn (Lauwersmeer). Het bestemmingsplan maakt de realisatie van dit fietspad mogelijk, inclusief twee recreatieve overstappunten en twee waterbelevingsstekjes, zijnde toeristisch-recreatieve rustpunten aan het water.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1050
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Friesland
  • uitspraakin de zaak202202778/1/R3

202204300/1/R3

Bij besluit van 6 januari 2021 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen activiteiten op het perceel [locatie] in Berkenwoude. Op het perceel was in het verleden een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. In 1995 is het bedrijf beëindigd en is de boerderij in gebruik genomen als burgerwoning. [partij] is sinds 2015 eigenaar en woont daar. [appellant] woont aan de Groene Zoom, ten noordoosten van het perceel van [partij]. Tussen zijn perceel en dat van [partij] ligt een watergang. [appellant] is het niet eens met de ontwikkelingen op het perceel van [partij]. In deze procedure gaat het over een verzoek om handhaving in verband met de hoeveelheid bebouwing op het perceel en het gebruik daarvan. Het college heeft geweigerd om handhavend op te treden. [appellant] is het daar niet mee eens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1044
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202204300/1/R3

202204301/1/R3

Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard geweigerd om handhavend op te treden tegen een moestuin, beplanting, beschoeiing en oppervlakteverharding op het perceel [locatie] in Berkenwoude. Op het perceel was in het verleden een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. In 1995 is het bedrijf beëindigd en is de boerderij in gebruik genomen als burgerwoning. [appellant B] is sinds 2015 eigenaar en woont daar. [appellant A] woont aan de Groene Zoom, ten noordoosten van het perceel van [appellant B]. Tussen zijn perceel en dat van [appellant B] ligt een watergang. [appellant A] is het niet eens met de ontwikkelingen op het perceel van [appellant B]. In deze procedure gaat het over een verzoek om handhaving in verband met een moestuin, beplanting, beschoeiing en oppervlakteverharding op het perceel. Het college heeft geweigerd om handhavend op te treden. [appellant A] is het daar niet mee eens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1046
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202204301/1/R3

202204302/1/R3

Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van natuurvriendelijke oevers en het planten van 14 knotwilgen op het perceel [locatie] in Berkenwoude. Op het perceel was in het verleden een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. In 1995 is het bedrijf beëindigd en is de boerderij in gebruik genomen als burgerwoning. [partij] is sinds 2015 eigenaar en woont daar. Op 31 december 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever en het planten van 14 knotwilgen aan de rand van zijn perceel. [appellanten] wonen aan de Groene Zoom, ten noordoosten van het perceel van [partij]. De knotwilgen zullen worden geplant langs een watergang aan de rand van het perceel van [partij]. Daar zal ook de natuurvriendelijke oever worden aangelegd. De watergang vormt de grens tussen de percelen van [appellanten] enerzijds en het perceel van [partij] anderzijds. [appellanten] zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vrezen voor een aantasting van het kenmerkende veenweidelandschap en in het bijzonder de openheid daarvan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1045
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Vee e.a. dieren
  • uitspraakin de zaak202204302/1/R3

202204519/1/R3

Bij besluit van 25 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Daarin wordt [appellante] gelast om de nachtopvang bij een zorgboerderij op het perceel [locatie] in Enschede (het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden. [appellante] exploiteert op het perceel een zorgboerderij. De zorgboerderij biedt onder meer dagbesteding aan. Het college heeft geconstateerd dat er nachtopvang wordt geboden aan maximaal vijf cliënten van de zorgboerderij. Deze nachtopvang is volgens het college in strijd met het geldende bestemmingsplan "Overmaat - Fokkerweg" (het bestemmingsplan). De op 14 mei 2014 aan [appellante] verleende omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning 2014) staat volgens het college ook geen nachtopvang toe. Het college heeft de last onder dwangsom opgelegd, omdat [appellante] met het bieden van nachtopvang in de zorgboerderij artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo overtreedt. [appellante] is gelast om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1048
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202204519/1/R3

202204567/2/R2

Bij tussenuitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3003 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Breda opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 juni 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12" en het besluit van 22 december 2022 tot vaststelling van het paraplubestemmingsplan " Hospita en parkeren 2022" te herstellen. Bij besluit van 6 november 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12", opnieuw, zij het gewijzigd. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van 15 juni 2022, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12" geheel en het besluit van 22 december 2022 tot vaststelling van het paraplubestemmingsplan "Hospita en parkeren 2022" voor zover dat parapluplan een regeling voor parkeren bevat voor het plangebied van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12", in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb zijn vastgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1089
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202204567/2/R2

202207378/1/R3

Bij besluit van 30 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Katwijk aan Dunea een omgevingsvergunning verleend voor onder andere het slopen van veertien barakken die als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Dunea is van plan om de komende jaren de capaciteit van de drinkwaterproductie te verhogen vanwege de te verwachten toename van het aantal inwoners in het leveringsgebied. Voor die verhoging heeft Dunea het zogenoemde "programma Berkheide" opgesteld. Onderdeel van het programma is het project Mientkant, dat bestaat uit een waterwinning in de vorm van een drain in het waterwingebied Berkheide, waarmee Dunea verwacht te kunnen voorzien in de drinkwatervraag van 15.000 mensen. Voor dit project heeft Dunea een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder andere het slopen van veertien barakken aan de westzijde van de Wassenaarseweg die als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend. In dat plan blijven vier barakken aan de westzijde van de Wassenaarseweg bestaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1032
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Monumenten
  • uitspraakin de zaak202207378/1/R3

202300729/1/R2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart de bezwaren van omwonenden tegen het bestemmingsplan ‘Burgemeester Damenpark en Glanerbrook’ van de gemeente Sittard-Geleen vandaag (25 februari 2026) gedeeltelijk gegrond. Hiermee vervalt de evenementenregeling in het plan. De vernieuwing van het sportcomplex in Geleen mag wel doorgaan. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om het sportcomplex opnieuw in te richten door een deel van de bestaande gebouwen te slopen of te renoveren en een nieuwe (top)sportaccommodatie met breedtesportfaciliteiten te bouwen. Enkele omwonenden waren tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vrezen voor hun woongenot door onder meer de evenementen die het bestemmingplan mogelijkheid maakt en de verwachte toename van de parkeerdruk in de omgeving. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft de omwonenden gedeeltelijk gelijk. Op basis van het bestemmingsplan zijn evenementen toegestaan met een maximaal aantal bezoekers van 6.000 per dag. Maar de gemeenteraad heeft niet onderbouwd dat dit maximum aantal bezoekers voor evenementen "geen onevenredige parkeeroverlast" veroorzaakt, zeker gezien het feit dat het plan 48 evenementdagen per jaar mogelijk maakt. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart de bezwaren van de omwonenden op dit onderdeel dan ook gegrond. Zij vernietigt het deel van plan dat evenementen mogelijk maakt. Hiermee is de evenementenregeling uit het plan van de baan, maar kan de gemeente Sittard-Geleen wel door met de plannen voor het vernieuwen van het sportcomplex Glanerbrook.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1083
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202300729/1/R2

202302002/1/A3

Bij besluit van 28 februari 2023 heeft de minister van Financiën opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist en meer persoonsgegevens verstrekt. [appellant] heeft op grond van de artikelen 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens, omdat hij vermoedt dat de Belastingdienst onrechtmatig zijn gegevens heeft verstrekt aan derden. Het verzoek heeft betrekking op documenten waaruit zou blijken dat [appellant] door de Belastingdienst als fraudeur is aangemerkt en verslagen van een tripartiet overleg (TPO) waarin zijn gezondheidstoestand is besproken. In het besluit van 15 juli 2020 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen recht heeft op inzage in gehele stukken. In het besluit van 26 mei 2021 heeft de minister een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens in TPO-verslagen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1033
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202302002/1/A3

202302585/1/R2

Bij besluit van 16 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best de aanvraag van Fair Stay Best OG B.V. om een omgevingsvergunning voor het bouwen van logieseenheden met servicegebouw en voor het aanleggen of veranderen van een inrit/uitweg op het perceel De Maas 6 in Best (het perceel) buiten behandeling gesteld. Het project bestaat volgens de aanvraag uit het bouwen van logieseenheden met een servicegebouw op het perceel. Verder zullen volgens het aanvraagformulier de bestaande inritten aan de straten De Maas en De Rijn ten behoeve van het project worden verplaatst. Volgens de bij de aanvraag behorende situatietekening voorziet de aanvraag in 2 inritten aan de straat De Rijn ten behoeve van het project. Fair Stay betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag niet alleen ten onrechte buiten behandeling is gesteld wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte geoordeeld dat zij niet heeft voldaan aan waar het college haar in de brief van 2 november 2021 om had verzocht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1081
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202302585/1/R2

202303477/1/R1

Bij besluit van 11 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van het pand van [hotel] en het realiseren van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] in Uithoorn, buiten behandeling gesteld. Het perceel en het pand, waarin [hotel] werd geëxploiteerd, waren eigendom van [eigenaar]. [appellant] was huurder van het pand en exploitante van [hotel]. Op 11 november 2020 heeft [appellant] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het vergroten van het pand en het realiseren van een bijbehorende bedrijfswoning op het perceel. Bij brief van 9 december 2020 heeft het college [appellant] in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken de op dat moment ontbrekende gegevens te verstrekken voor de behandeling van de aanvraag. Het ging daarbij om een door [eigenaar] ingevuld Bibob-vragenformulier in de zin van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) en financieringsgegevens van de bouwwerkzaamheden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1070
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202303477/1/R1

202304172/1/R1

Bij besluit van 21 december 2020 heeft het college van van burgemeester en wethouders van Rozendaal geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het maken van een uitweg van zijn perceel [locatie] in [woonplaats] op de Ringallee. Het perceel van [appellant] had een uitweg aan de achterzijde, die aansloot op de Bosweg. [appellant] heeft de woning verbouwd en daarbij deze uitweg verwijderd en een nieuwe uitweg aan de voorzijde van zijn perceel gemaakt, waarmee ook de aan de voorzijde nieuw gebouwde garage op zijn perceel kan worden bereikt. Die nieuwe uitweg sluit aan op de Ringallee. Hij heeft hiervoor een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het toetsingskader van de Apv hier niet van toepassing is. Hij voert aan dat, gelet op artikel 2:12, derde lid, van de Apv, het toetsingskader van artikel 5.3 van de Omgevingsverordening van toepassing is. Het college van b&w had zijn aanvraag dus moeten toetsen aan dat artikel. [appellant] betoogt verder dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1041
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202304172/1/R1

202304610/1/A3

Bij besluit van 19 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het verzoek van [appellant] van 8 juni 2018 om openbaarmaking van gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels toegewezen. [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van alle documenten die verband houden met de contacten tussen de gemeente Den Haag en Madurodam in het kader van de besluitvorming over de uitbreiding van Madurodam. Ook heeft hij verzocht om openbaarmaking van de in het Coalitieakkoord 2018-2022 genoemde "juridisch bindende afspraken over de uitbreiding van Madurodam", en alle documenten die daarmee verband houden. De rechtbank acht het niet ongeloofwaardig dat het college bij een nieuwe zoekslag niet meer stukken heeft aangetroffen dan in de verzamelbestanden zijn opgenomen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen documenten met andere juridisch bindende afspraken zijn gevonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1079
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202304610/1/A3

202305461/1/A3

Bij vier afzonderlijke besluiten van 17 september 2021 heeft de minister voor Klimaat en Energie de vier verzoeken van een derde om openbaarmaking van gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen. [wederpartij] is een gespecialiseerd bedrijf in industriële en medische gassen en de daaraan gekoppelde services. Zij produceert onder meer zogenoemde ‘koolstofarme’ of ‘blauwe’ waterstof. Bij het produceren van waterstof komt CO2 vrij. Een deel van de vrijgekomen CO2 vangt en slaat [wederpartij] op met de Cryocap™ CO2-afvangoplossing. Dit is beter voor het milieu. [wederpartij] neemt samen met drie andere particuliere bedrijven deel aan het Porthos-project. De rechtbank heeft eerst geoordeeld dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een publicatieplicht heeft op grond waarvan de besluiten openbaar moeten worden gemaakt. Uit de door de minister aangehaalde Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022, punt 58, aanhef en onder a, volgt immers dat kan worden volstaan met bekendmaking van de tekst van de goedgekeurde steunregeling.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1075
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202305461/1/A3

202306082/4/R1

Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het definitief plaatsingsplan "ondergrondse restafvalcontainers Bloemenbuurt-Oost (buurt 51), Segbroek, Den Haag" vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie 51-22A aangewezen voor de plaatsing van drie ondergrondse restafvalcontainers.De locatie ligt vlakbij de kruising van de Asterstraat met de Wingerdstraat, ter hoogte van Wingerdstraat 101-103. [appellante] woont aan de [locatie]. Volgens haar leiden de ORAC’s tot onaanvaardbare geuroverlast. De ORAC’s zijn al geplaatst. [appellante] betoogt dat de ORAC’s leiden tot onaanvaardbare geuroverlast gedurende warme maanden, met name de zomermaanden. Volgens haar bieden maatregelen tegen geuroverlast onvoldoende soelaas. Ter ondersteuning van haar betoog heeft zij gewezen op ongeveer 60 meldingen over geuroverlast die zij en andere omwonenden hebben ingediend bij het gemeentebestuur.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1084
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202306082/4/R1

202306932/1/R2

Bij besluit van 6 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk hogere waarden vastgesteld ten behoeve van de realisering van appartementencomplexen tussen Mr. van Coothstraat 6-8 in Waalwijk. Het plan maakt de bouw van 28 appartementen in drie woongebouwen mogelijk. Het plangebied ligt in het centrum van Waalwijk, in het gebied tussen de Mr. van Coothstraat (oosten), de Grotestraat (noorden) het wandelpark aan de Burgemeester Moonenlaan (zuiden) en een begraafplaats en jeu-de-boulesbanen (westen). [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie] in Waalwijk ten noordwesten van het plangebied. Zijn woning op dit perceel is een rijksmonument. [appellant sub 1] en anderen wonen ten oosten van het plangebied in het appartementencomplex De Elspoort en ten westen van het appartementencomplex aan de [locatie 2] en de [locatie 3].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1078
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202306932/1/R2

202400231/1/R1

Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college aan CBD opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een steiger en het innemen van twee ligplaatsen voor twee passagiersvaartuigen op de locatie ter hoogte van het pand [locatie] in Amsterdam. CBD heeft op 6 augustus 2018 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning en die aanvraag gewijzigd op 21 juni 2019. De aanvraag betreft het oprichten van een L-vormige steiger en het gebruiken van gronden als ligplaats voor twee passagiersvaartuigen op de locatie ter hoogte van het pand [locatie]. De boten komen aan weerszijden van de steiger en parallel aan de kade te liggen. Bij besluit van 8 april 2020 heeft het college aan CBD de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 juli 2021 in zaak nr. 20/2880 het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college gedeeltelijk vernietigd en zelf in de zaak voorzien.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1074
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bouwen
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202400231/1/R1

202400285/1/R3 en 202407432/1/R3

Bij besluit van 9 november 2023 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie Afrikaanderwijk" vastgesteld. Het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie Afrikaanderwijk" gaat over de Afrikaanderwijk in Rotterdam. Het plan kent aan een aantal panden de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 2" toe. Voor de panden met deze dubbelbestemming geldt dat het in beginsel verboden is om deze zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk te slopen en een omgevingsvergunning daarvoor slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden verleend. De Bewonersvereniging en anderen zijn het niet eens met het plan, omdat daarin aan de oude rooilijn aan de Hilledijk, aan het bestaande dijkprofiel van de Hilledijk met de hoge bomen en aan de maaiveldinrichting van de Hilledijk, niet deze dubbelbestemming is toegekend. Het bestemmingsplan "Tweebosbuurt Oost" gaat over de herontwikkeling van de Tweebosbuurt in de Afrikaanderwijk. Deze ontwikkeling is volgens de plantoelichting deels mogelijk binnen de ruimte die het bestemmingsplan "Afrikaanderwijk" biedt, maar voor een aantal delen is aanpassing van dat bestemmingsplan noodzakelijk.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1055
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202400285/1/R3 en 202407432/1/R3

202400559/1/R3

Bij besluit van 19 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente De Marne een aanvraag van [partij] om wijziging van een omgevingsvergunning voor de bouw van een liftombouw op het perceel [locatie] in Zoutkamp afgewezen. [wederpartij] is eigenaar van het perceel [locatie] in Zoutkamp. Op 19 april 2013 is aan de vorige bewoner van het perceel een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een dakopbouw als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Naar aanleiding van een handhavingsprocedure heeft [wederpartij] op 25 september 2017 een aanvraag ingediend voor de wijziging van deze omgevingsvergunning, zodat de in afwijking van de omgevingsvergunning geplaatste liftombouw aan de dakopbouw zou kunnen worden gelegaliseerd. Het college heeft deze aanvraag op basis van een negatief advies van Libau (de welstandscommissie) afgewezen. Volgens de welstandscommissie is de liftombouw te groot en daarom in strijd met redelijke eisen van welstand.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1073
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202400559/1/R3

202400606/1/A3

Bij besluiten van 8 januari 2019 en 28 juli 2020 heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat zijn aanvragen voor een Nederlands paspoort voor zijn vijf kinderen niet in behandeling zijn genomen. Op 4 januari 2019 heeft [appellant] met zijn echtgenote [echtgenoot] aanvragen ingediend bij de Nederlandse ambassade in Ethiopië voor Nederlandse paspoorten voor hun kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5], geboren in Burao, Somaliland, tussen 2002 en 2016. [appellant] is in 2002 naar Nederland gekomen en heeft in 2009 het Nederlanderschap verkregen. De minister heeft de aanvragen geweigerd. Volgens de minister kan de identiteit van de kinderen niet worden vastgesteld. Dit volgt uit artikel 2.1 van het Paspoortbesluit 2000 en artikel 36 van de Paspoortuitvoeringsregeling buitenland 2001. De minister heeft aan zijn besluit de Verklaring van Onderzoek van Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 3 december 2019 ten grondslag gelegd. Uit deze verklaring volgt dat de geboorteaktes van [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4] zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1082
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Paspoort
  • uitspraakin de zaak202400606/1/A3

202400654/1/R3

Bij besluit van 1 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de door [appellant C] aangevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie A] in Den Haag geweigerd. Op het perceel [locatie A] in Den Haag heeft [appellant C], zonder te beschikken over een daarvoor vereiste omgevingsvergunning, een loods met een oppervlakte van ongeveer 240 m2 en een hoogte van 5,11 m gebouwd die wordt gebruikt als hondentrimsalon en voor het stallen van auto’s. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft die aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo afgewezen. Het college acht de loods ongewenst, omdat die vanwege de forse omvang afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit op deze locatie. [partij A] en anderen wonen ten westen en zuiden van het perceel en vinden de loods om dezelfde redenen als het college ongewenst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1085
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202400654/1/R3

202401040/1/R3

Bij besluit van 22 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een damwand op het perceel [locatie A] in Den Haag en daarbij af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft op 22 december 2020 een omgevingsvergunning verleend aan [appellant] ter legalisatie van de al gebouwde damwand aan de [locatie A] in Den Haag. De omgevingsvergunning was aangevraagd voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. [partij A] en anderen hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning. Bij besluit van 11 juni 2021 heeft het college de bezwaren gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd, omdat naar aanleiding van nieuwe informatie de welstandscommissie een negatief welstandsadvies heeft gegeven. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het negatieve welstandsadvies aan de weigering ten grondslag mocht leggen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1086
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202401040/1/R3

202401183/1/A2

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om haar private geldschulden over te nemen gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag voor overname van haar private schulden ingediend. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). De minister heeft op 6 april 2022 besloten de schuld bij Intrum inz Energie Direct over te nemen voor een bedrag van € 253,98. De schulden bij Defam en bij de vader van [appellante] heeft de minister geweigerd over te nemen. Omdat het bezwaar tegen dit besluit niet binnen zes weken na 6 april 2022 is ingediend, heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1028
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202401183/1/A2

202403409/1/R1

Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het "Definitief plaatsingsplan gewijzigde locatie ondergrondse restafvalcontainers Statenkwartier III (buurt 7), Scheveningen, Den Haag" vastgesteld. Daarbij is de locatie ter hoogte van de Van Aerssenstraat 17/19 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellante sub 4] wonen allen in de Van Aerssenstraat in de directe nabijheid van de aangewezen locatie. Zij vinden de aangewezen locatie om verschillende redenen ongeschikt. Volgens [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellante sub 4] zijn de eerder aangewezen locatie 07-61B, of andere locaties in de Van Aerssenstraat geschikter.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1030
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202403409/1/R1

202403779/1/A3

Bij besluit van 16 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur van Omgevingsdienst IJmond beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid en documenten openbaar gemaakt. [appellant] heeft de Omgevingsdienst verzocht om openbaarmaking van documenten op grond van de Woo. Het verzoek ziet op alle informatie over het spelen van padel, waaronder de correspondentie daarover, de aanpak van padel, metingen, akoestische rapporten en reacties daarop. Ook wil [appellant] alle reacties en mails van de - ook externe - adviseurs die de Omgevingsdienst heeft ingeschakeld. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Omgevingsdienst diverse documenten openbaar gemaakt. Nadat [appellant] bij de rechtbank een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld, heeft de Omgevingsdienst op 16 juni 2023 alsnog op het verzoek beslist en documenten openbaar gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1036
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202403779/1/A3

202403990/1/A3

Bij besluit van 1 februari 2024, zoals hersteld bij besluit van 2 februari 2024, heeft de burgemeester van Rotterdam aan [appellant] een huisverbod opgelegd. [appellant] had een relatie met achterblijfster. In de woning van achterblijfster heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en achterblijfster. Hierbij zijn beiden gewond geraakt. De burgemeester heeft daarom aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de woning van achterblijfster, waar zij met haar minderjarige kinderen woont. [appellant] beschikt over een eigen woning. Omdat de hulpverlening nog niet was opgestart heeft de burgemeester het huisverbod verlengd. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat sprake was van een vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar. Vaststaat dat in de woning van achterblijfster een incident heeft plaatsgevonden tussen [appellant] en haar. Een ruzie heeft ertoe geleid dat over en weer geweld is gebruikt, waarbij beiden letsel hebben opgelopen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1035
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Huisverbod
  • uitspraakin de zaak202403990/1/A3

202404464/1/A2

Bij e-mail van 10 juli 2024 heeft [appellant] bij de Afdeling een verzoek ingediend om de Hogeschool te veroordelen tot vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door het handelen van de Hogeschool. [appellant] volgt een opleiding aan de Hogeschool. Dit is een niet-bekostigde onderwijsinstelling voor hoger onderwijs, die naast geaccrediteerde opleidingen die leiden tot een graad op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ook cursussen aanbiedt waarvoor dat niet geldt. [appellant] stelt dat hij door het handelen van de Hogeschool studievertraging heeft opgelopen. De Hogeschool heeft hem namelijk niet (tijdig) ingeschreven voor cursussen. Hij had hierdoor geen toegang tot studiemateriaal. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om de Hogeschool te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1049
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202404464/1/A2

202404656/2/R4

Bij tussenuitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1718, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Rheden opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 23 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied, locatie langs de spoorlijn tussen Biljoen en Zutphensestraatweg 5b" te herstellen, met inachtneming van wat over die gebreken in de tussenuitspraak is overwogen. Bij besluit van 24 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat de raad zich op de zitting, in reactie op het beroep van [appellante], op het standpunt heeft gesteld dat de artikelen 5.1, onder a, en 5.3.1 van de regels van het bestemmingsplan onjuist zijn. Op grond van die bepalingen mag de bestaande weg in het plangebied, direct ten zuiden van de spoorlijn Arnhem-Zutphen, die als ontsluitingsweg dient voor [appellante] (de weg), alleen half verhard zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1042
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202404656/2/R4

202404901/1/A3

Bij besluit van 21 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om benoeming tot notaris afgewezen. [appellant] heeft op 1 juni 2022 de staatssecretaris verzocht om te worden benoemd tot notaris in Ridderkerk. Bij dat verzoek heeft [appellant] een ondernemingsplan voor de vestiging van een nieuw notariskantoor in Ridderkerk met bijlagen overgelegd, waaronder het advies van de Commissie van deskundigen notariaat. De staatssecretaris heeft dat verzoek bij besluit van 21 november 2022 afgewezen. Aan dat besluit heeft hij de adviezen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de Cvdn, de Commissie Toegang Notariaat en het Bureau Financieel Toezicht ten grondslag gelegd. De Cvdn heeft op 13 december 2021 in haar advies opgenomen dat het risicoprofiel van het ondernemingsplan van [appellant] zodanig hoog is dat zij een negatief advies geeft. Volgens de Cvdn is het niet aannemelijk dat de effectuering van het ondernemingsplan na drie jaar leidt tot een kostendekkende exploitatie van een notarispraktijk met als vestigingsplaats Ridderkerk. In geschil is of de staatssecretaris de adviezen van de Ctn en de Cvdn aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder is in geschil of de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1056
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202404901/1/A3

202404928/1/A2

Bij besluit van 20 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat de uitkomst van de lichte toets geen reden geeft om het forfaitaire bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling aan haar te betalen. [appellante] heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2016 en 2017. In het kader van dit verzoek heeft de Dienst Toeslagen onderzocht of [appellante] in aanmerking komt voor toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000,00 (de zogeheten Catshuisregeling, zoals beschreven in artikel 2.7, eerste lid van de Wet hersteloperatie Toeslagen). Daartoe verricht de Dienst Toeslagen de zogeheten ‘lichte toets’. Bij de lichte toets wordt gezocht naar een indicatie dat de betreffende ouder een gedupeerde is van de toeslagenaffaire. Een ouder kan gedupeerd zijn geraakt als gevolg van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het wettelijk systeem of wanneer de ouder ten onrechte de kwalificatie opzet/grove schuld (OG/S) heeft gekregen. De lichte toets bestaat uit twee stappen: een data-analyse en een handmatige toets.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1093
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202404928/1/A2

202404985/1/R1

Het bestemmingsplan ‘Hoogspanningsstation Zierikzee + herziening buitengebied (kabeltracés)’ van de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland is definitief. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de bezwaren van twee omwonenden en een agrarisch bedrijf in de buurt ongegrond verklaard. De gemeente en TenneT kunnen nu door met het plan. Het energienet is vol op Schouwen-Duiveland en Tholen. Er is sprake van netcongestie. Daarom vindt de gemeente de nieuwe aansluiting op het landelijke 150 kV-netwerk essentieel. Het bestemmingsplan maakt een nieuw hoogspanningsstation mogelijk ten zuidoosten van Zierikzee tussen de Straalweg en de N256. Met het bestemmingsplan kunnen ook ondergrondse kabels en leidingen en een waterberging worden aangelegd. Enkele omwonenden zijn het niet eens met de keuze voor de locatie van het hoogspanningsstation en zijn bang voor geluidhinder en voor negatieve gevolgen voor hun woongenot vanwege magneetvelden. Het agrarisch bedrijf vreest dat de toegang tot een van zijn percelen wordt belemmerd. Ook heeft het bedrijf zorgen over wateroverlast. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft hun bezwaren ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1087
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202404985/1/R1

202405460/1/A2

Bij besluit van 2 december 2021 heeft college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen aan [exploitatiemaatschappij] ([exploitatiemaatschappij]) twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens het inrichten een gedeelte van de openbare weg als parkeergelegenheid tegenover [locatie 1]-[locatie 2] in Vinkeveen. [exploitatiemaatschappij] was eigenaar van het perceel [locatie 1]-[locatie 2] in Vinkenveen. Daar exploiteerde het de Jachthaven De Wilgenhoek. Aan de [locatie 3] exploiteert [partij] Jachthaven Vinkenveen. [partij] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen [exploitatiemaatschappij] omdat het een deel van de openbare weg zou hebben ingericht als privéparkeerplaats. Na controle door een toezichthouder heeft het college aan [exploitatiemaatschappij] twee lasten onder dwangsom opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1071
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202405460/1/A2

202405631/1/A2

Bij besluit van 20 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, om binnen drie maanden de bewoning van de woning aan de [locatie] in Rotterdam (hierna: de woning) door meer dan twee personen die niet samen een huishouden vormen te beëindigen. Op basis van een controle op 11 mei 2022 heeft het college geconcludeerd dat [wederpartij] de woning zonder vergunning in gebruik heeft gegeven aan vijf personen die niet samen een huishouden vormen. Daarmee heeft [wederpartij] volgens het college het omzettingsverbod overtreden. Het college heeft aan [wederpartij] een last onder een dwangsom ter hoogte van € 12.900,00 opgelegd om die overtreding binnen drie maanden te beëindigen. [wederpartij] heeft in beroep onder andere gewezen op artikel 9 en 10 van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn) en heeft in dat verband aangevoerd dat het studentencriterium discriminatoir is en niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1038
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202405631/1/A2

202405662/1/V6

Bij besluit van 23 mei 2023 heeft de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van bestuur een verzoek van [appellante] om herziening van een besluit van 20 augustus 2021, afgewezen. [appellante] woont in Suriname en ontvangt sinds 1 juni 2013 een remigratie-uitkering en een tegemoetkoming ziektekostenverzekering. Zij zat vanaf 4 oktober 2020 tot 2 augustus 2022 in detentie. Omdat zij niet op tijd heeft doorgegeven dat zij gedetineerd was, heeft de raad van bestuur haar bij besluit van 20 augustus 2021 een boete opgelegd van € 1.486,48. De raad van bestuur vordert dit bedrag in door maandelijks een bedrag in te houden op de remigratie-uitkering van [appellante], die vanaf september 2022 - na de detentie - weer is ingegaan. [appellante] heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. [appellante] heeft later wel in een verzoek om herziening de raad van bestuur verzocht om de hoogte van de opgelegde boete opnieuw te beoordelen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1027
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Herziening
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202405662/1/V6

202405818/1/A2

Bij besluit van 12 april 2022 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de [appellante sub 2] een bestuurlijke boete van € 3.750,00 en een bestuurlijke boete van € 2.625,00 opgelegd. De [appellante sub 2] is eigenaar van de website www.zelfzorgcovid19.nl. Naar aanleiding van meldingen over de website is de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd een onderzoek gestart. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een boeterapport van 10 februari 2022. De Inspectie heeft geconstateerd dat [appellante sub 2] in de periode van 7 april 2020 tot en met 21 juli 2020 op de website publieksreclame heeft gemaakt voor de receptgeneesmiddelen Hydroxychloroquine en Ivermectine ter behandeling van COVID-19. Op de website staan vier artikelen, een voorbeeldbrief ter overhandiging aan de eigen huisarts en een video met uitingen over de receptgeneesmiddelen HCQ en Ivermectine (de uitingen).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1072
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202405818/1/A2

202406034/1/A3

Bij besluit van 13 september 2022 heeft de korpschef van politie toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten onthouden. Op 19 april 2022 heeft Connect Security te Amstelveen de korpschef verzocht om toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). De korpschef heeft deze toestemming onthouden en heeft dit bij het besluit van 14 maart 2023 gehandhaafd. Aan dit besluit heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie Systeem (JDS) en uit politieregistraties volgt dat [appellant] wordt verdacht van betrokkenheid bij het telen van hennep. Daarom heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet betrouwbaar genoeg is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft in zijn besluitvorming ook betrokken dat [appellant] eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1068
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Beveiligingswerkzaamheden
  • uitspraakin de zaak202406034/1/A3

202406200/1/A3

Bij besluit van 14 juli 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd de aanvraag van [appellanten] voor een Nederlands paspoort voor hun kind in behandeling te nemen. [appellanten] hebben op 31 maart 2022 namens hun kind [naam kind] een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort en hebben daarvoor een geboorteakte, een identiteitsbevestiging van het kind, een huwelijksakte en een echtscheidingsakte overgelegd. De minister heeft de aanvraag op 14 juli 2022 niet in behandeling genomen. Uit onderzoek naar de echtheid van documenten van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst volgt dat de geboorteakte en de identiteitsbevestiging waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, omdat de opmaak en de afgifte van deze documenten afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Daarom kan niet worden vastgesteld of de inhoud van die documenten juist is. De minister heeft de aanvraag daarom op grond van artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 niet in behandeling genomen. Volgens de minister kan de identiteit en het Nederlanderschap van het kind niet worden vastgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1057
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Paspoort
  • uitspraakin de zaak202406200/1/A3

202406382/1/A3

Bij vijf besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Mokumboot voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het verlengingsbesluit van 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1051
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406382/1/A3

202406383/1/A3

Bij vier besluiten van 15 juli 2022 en een besluit van 4 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Boaty voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 24 januari 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1052
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406383/1/A3

202406384/1/A3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vijftien uitspraken gedaan over ligplaatsvergunningen voor de passagiersvaart in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zette deze vergunningen om van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. De reders kwamen daartegen in hoger beroep. De uitkomst is dat het college van B&W in bijna alle zaken opnieuw moet beslissen op de bezwaren van de reders tegen deze omzetting. Weliswaar maken de gemeentelijke regels het mogelijk een ligplaatsvergunning te wijzigen als dat nodig omdat de omstandigheden veranderen. Maar het college van B&W heeft niet duidelijk gemaakt dat daarvan sprake is en waarom de wijziging van de ligplaatsvergunningen dus gerechtvaardigd is. Op het moment dat het college van B&W in maart 2023 besloot om de ligplaatsvergunningen om te zetten van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd had het college van B&W de exploitatievergunningen voor de passagiersvaart al omgezet naar bepaalde tijd. Een omzetting van de ligplaatsvergunningen naar bepaalde tijd sluit daar volgens het college van B&W bij aan. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in september 2024 dat de omzetting van de exploitatievergunningen naar bepaalde tijd niet rechtmatig was. Als gevolg daarvan gelden de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd. Daarom is er - achteraf bezien - dus geen sprake van veranderde omstandigheden. Ook heeft het college van B&W nagelaten om bij de besluiten tot omzetting van de ligplaatsvergunningen naar bepaalde tijd te toetsen aan de Europese Dienstenrichtlijn. Dat is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak wel nodig. De andere uitspraken met zaaknummers 202406382/1, 202406383/1, 202406387/1, 202406389/1, 202406391/1, 202406393/1, 202406395/1, 202406396/1, 202406397/1, 202406405/1, 202406408/1, 202406418/1, 202406420/1 en 202406423/1 staan ook op de website van de Raad van State.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:823
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406384/1/A3

202406387/1/A3

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunning van Adeline voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning met als einddatum 1 maart 2026. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het verlengingsbesluit van 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1053
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406387/1/A3

202406389/1/A3

Bij zeven besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zeven ligplaatsvergunningen van Smidtje voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen met als einddatum 1 maart 2026, 1 maart 2028 of 1 maart 2030. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd en hebben, na verlenging, een einddatum die is gesteld op 1 maart 2028, 1 maart 2030 of 1 maart 2032. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1054
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406389/1/A3

202406391/1/A3

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunning van [appellant] voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2026. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het verlengingsbesluit van 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1059
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406391/1/A3

202406393/1/A3

Bij zes besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Flagship en Friendship voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028, 1 maart 2030 en 1 maart 2032. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de verlengingsbesluiten van 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1063
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406393/1/A3

202406395/1/A3

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunning van [appellant] voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2028. Het college heeft de ligplaatsvergunning van [appellant] gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2030. Bij brief van 17 september 2025 heeft [appellant] medegedeeld dat hij zijn vaartuig heeft verkocht. De ligplaatsvergunning voor het vaartuig staat nu op naam van Flagship Holding B.V. Hij heeft het hoger beroep echter niet ingetrokken. Op de zitting heeft de Afdeling daarom met [appellant] besproken of hij nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn hoger beroep.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1064
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406395/1/A3

202406396/1/A3

Bij twee besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van [appellant] voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2026 en 1 maart 2028. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 januari 2023 niet-ontvankelijk verklaard en tegen het verlengingsbesluit van 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1060
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406396/1/A3

202406397/1/A3

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunning van Canal Motorboats voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is gesteld op 1 maart 2024. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1062
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406397/1/A3

202406405/1/A3

Bij vijftien besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024 en 1 maart 2026. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1047
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406405/1/A3

202406408/1/A3

Bij vijf besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Rederij Amsterdam voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1066
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406408/1/A3

202406418/1/A3

Bij 27 besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Stromma en Canal Bus voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1065
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406418/1/A3

202406420/1/A3

Bij twee besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ligplaatsvergunningen van Sloepdelen voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 16 maart 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1061
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406420/1/A3

202406423/1/A3

Bij vier besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024,1 maart 2026 en 1 maart 2028. Bij twee besluiten van 22 april 2024 heeft het college ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers verlengd tot 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Rederij Lovers tegen de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1058
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406423/1/A3

202406596/1/A2

Bij besluit van 30 september 2022, kenmerk TKW433, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe aan [appellante] een tegemoetkoming van € 2.449,44 toegekend voor door een wolf aangerichte schade aan haar schapenhouderij. [appellante] exploiteert een schapenhouderij. Zij houdt schapen van het speciale ras Shropshire. Dit ras wordt ingezet voor landschapsbeheer op verschillende locaties waaronder voor het begrazen van boomkwekerijen, omdat het geen boombast eet en wel onkruid en gras (onder de bomen). Op 29 oktober 2021 heeft [appellante] wolvenschade geconstateerd en daarvan melding gemaakt. Op dezelfde dag heeft een taxateur in opdracht van het college geconstateerd dat één schaap is gedood. Vervolgens heeft het college bij besluit van 11 maart 2022 aan [appellante] een tegemoetkoming van € 386,77 toegekend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1037
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202406596/1/A2

202407136/1/A2

Bij besluit van 10 oktober 2022 heeft de burgemeester van Zoetermeer het handhavingsverzoek van [wederpartij] c.s afgewezen. Bij besluit van 11 april 2023 heeft de burgemeester beslist op het daartegen door [wederpartij] c.s. ingediende bezwaarschrift en daarbij het besluit van 10 oktober 2022 herroepen. [wederpartij] c.s. woont met zijn twee kinderen (geboren in 2014 en 2018) in Zoetermeer. [buurman] woont daar vlakbij. Zijn woning en tuin grenzen aan de tuin van [wederpartij] c.s. De buurman krijgt begeleiding vanwege een autismespectrumstoornis. Hij heeft moeite met het verdragen van het leefgeluid uit de woning van [wederpartij] c.s., met name de geluiden van de kinderen. Sinds 2020 ervaart het gezin overlastgevend gedrag van de buurman. Vanaf mei 2020 hebben zij herhaaldelijk meldingen gedaan bij de politie. De meldingen betreffen het opzettelijk veroorzaken van geluidsoverlast door luide muziek ten gehore te brengen, het uiten van beledigingen en het richten van scheldpartijen tot leden van het gezin.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1039
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202407136/1/A2

202407665/1/A2

Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [appellant sub 2] een bestuurlijke boete van € 3.000,00 opgelegd. [appellant sub 2] is huisarts en specialist ouderenzorg. Zij heeft in de periode van 3 december 2021 tot en met 5 december 2021 drie keer het geneesmiddel Ivermectine off-label - dat wil zeggen: buiten de door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (het College) geregistreerde indicaties - voorgeschreven voor de behandeling van COVID-19. Volgens de minister heeft [appellant sub 2] daardoor drie keer artikel 68, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet overtreden. De minister heeft haar daarvoor een boete van € 3.000,00 opgelegd, nadien gematigd tot € 1.500,00.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1069
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202407665/1/A2

202407856/1/R3

Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Hellendoorn het bestemmingsplan "Koestraat 3 Hellendoorn" gewijzigd vastgesteld. Deze zaak gaat over het bestemmingsplan "Koestraat 3 Hellendoorn". Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om 11 appartementen te bouwen met een ondergrondse parkeergarage op het perceel aan de Koestraat 3 in het centrum van Hellendoorn. Op dit perceel bevindt zich nu een zalencentrum. De bestaande bebouwing wordt deels gesloopt. De bebouwing aan de zijde van de Dorpsstraat, waar "Twents Steakhouse Noabers" is gevestigd, blijft behouden en maakt ook deel uit van het plangebied. Hellendoorn De Vijf B.V. is initiatiefnemer van het plan. [appellant] en anderen wonen allen aan de Koestraat in de directe omgeving van het plangebied. Zij hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan, omdat zij vrezen dat er schade aan hun oudere panden zal ontstaan als gevolg van de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling te realiseren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1067
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202407856/1/R3

202408088/1/A2

Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen een parkeerverbod ingesteld in een zijstraat ter hoogte van Thull 32, 32a en 32b in Schinnen. [wederpartijen] zijn eigenaren van bedrijfsruimtes aan een zijstraat van de weg Thull in Schinnen. De zijstraat is 3,5 tot 3 m breed en is de enige toegang tot de bedrijfsruimtes voor (landbouw)voertuigen. [wederpartijen] hebben meldingen gedaan van parkeeroverlast in de zijstraat bij het college. Door omwonenden wordt geparkeerd in de zijstraat, waardoor volgens [wederpartijen] andere voertuigen geen doorgang kunnen vinden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1043
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202408088/1/A2

202500034/1/A2

Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de raad van de gemeente Land van Cuijk het verzoek van [appellant sub 2] tot onttrekking aan de openbaarheid van het pad dat loopt over het perceel BMR Z 3291 afgewezen. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als BMR Z 3291, dat is gelegen tussen de woningen aan [locatie 1] en [locatie 2]. Over dat perceel loopt een pad dat ook wel bekend is als het pad Hoogeind. Het pad was in het verleden in het bezit van de Nederlandse Spoorwegen waarna het eigendom is overgegaan op de gemeente. Die heeft het pad op enig moment verkocht aan een particulier. In 2020 is het eigendom overgedragen aan [appellant sub 2]. Het pad wordt gebruikt door omwonenden, er wordt veel gewandeld en scholieren gebruiken het als een sluiproute. [appellant sub 2] ervaart overlast en meent dat het gebruik van het pad onveilige situaties oplevert. Hij heeft daarom de gemeenteraad verzocht om te verklaren dat het geen openbare weg is. Dit verzoek heeft de gemeenteraad afgewezen. Ook een daarop volgend verzoek om het pad aan de openbaarheid te onttrekken heeft de gemeenteraad afgewezen. Daaraan lag ten grondslag dat het pad volgens de gemeenteraad een openbare weg is en dat de gemeenteraad het algemeen belang van gebruik van het pad groter acht, dan bijvoorbeeld het recht op privacy omdat het pad niet direct aan de woning grenst. Tegen dat besluit heeft [appellant sub 2] administratief beroep ingesteld bij GS.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1077
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenwet
  • uitspraakin de zaak202500034/1/A2

202500038/1/A2

Bij besluit van 18 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] een vergunning verleend voor de exploitatie van een Bed & Breakfast (B&B). [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening, omdat hij het niet eens is met de daarbij geldende voorwaarden. Tijdens de hoorzitting in bezwaar werd voor het college duidelijk dat [appellant] op dat moment een B&B exploiteert op de derde verdieping van het pand en dat hij die wil verplaatsen naar het nog te verbouwen souterrain. Zo kan hij voldoen aan de nieuwe, strengere, regels die voor hem gelden vanaf 1 juli 2026. De plattegrond die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd is van de beoogde situatie in het souterrain, niet van de situatie op het moment van de aanvraag.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1040
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202500038/1/A2

202500512/1/A2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt in deze uitspraak over wanneer een ouder procesbelang heeft bij een aanvraag op grond van de zogenoemde Catshuisregeling. De Casthuisregeling houdt in dat gedupeerden van de toeslagenaffaire bij de Dienst Toeslagen kunnen vragen om toekenning van een bedrag van € 30.000. De Dienst Toeslagen beoordeelt zo'n verzoek eerst aan de hand van een lichte toets. Ongeacht de uitkomst van de lichte toets, verricht de Dienst Toeslagen daarna nog een integrale toets, tenzij een ouder aangeeft dit niet te willen. Op basis van de integrale toets wordt definitief beoordeeld of een ouder gedupeerd is en dus recht heeft op toekenning van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling. In deze zaak had een vrouw uit Zwijndrecht de Dienst Toeslagen gevraagd om toekenning van € 30.000. De uitkomst van de lichte toets was dat zij geen gedupeerde is van de toeslagenaffaire. Die uitkomst werd later bevestigd door de integrale toets. De vrouw kwam bij de Afdeling bestuursrechtspraak in hoger beroep tegen de uitkomst van de lichte toets. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt, in lijn met eerdere uitspraken van meerdere rechtbanken, dat ouders die zowel op basis van de lichte toets als de integrale beoordeling niet als gedupeerde zijn aangemerkt, alleen een procesbelang hebben bij een bezwaar tegen de uitkomst van de integrale beoordeling. Zij hebben geen procesbelang bij een beroep of hoger beroep tegen de uitkomst van de lichte toets. In overweging 7.1 oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak als volgt: "(...) een besluit op basis van de integrale beoordeling haalt het bezwaar tegen het besluit op basis van de lichte toets in. Een ouder die op basis van de lichte toets niet als gedupeerde is aangemerkt en in de daarop gevolgde integrale beoordeling ook niet, kan in de procedure over de lichte toets niet méér bereiken dan in de procedure tegen de uitkomst van de integrale beoordeling, zodat in die gevallen met het besluit over de integrale beoordeling het procesbelang aan het beroep of hoger beroep tegen het besluit over de lichte toets komt te ontvallen. (...)"

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:720
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500512/1/A2

202501383/1/A3

Bij besluit van 27 januari 2025 heeft de burgemeester van Capelle aan den IJssel aan [appellant] een huisverbod opgelegd. [appellant] woont samen met zijn meerderjarige zoon in een woning in Capelle aan den IJssel. De burgemeester heeft aan [appellant] een huisverbod opgelegd na een geweldsincident tussen hem en zijn zoon, de achterblijver. [appellant] heeft zijn zoon - naar eigen zeggen uit verdediging - met een kettingslot op zijn hoofd geslagen. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van het huisverbod in verband met het geweldsincident. De feiten worden door [appellant] erkend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de politiegegevens niet hebben bijgedragen of van enig belang zijn geweest bij de totstandkoming van het besluit van 27 januari 2025. Daarom worden geen gevolgen verbonden aan het ontbreken van de politiegegevens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1034
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Huisverbod
  • uitspraakin de zaak202501383/1/A3

202501489/1/A3

Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft de burgemeester van Tilburg een last onder bestuursdwang opgelegd strekkende tot sluiting van de woning aan de [locatie] in Tilburg met ingang van 22 augustus 2024 voor de duur van één maand. [appellante] woont in de woning aan de [locatie] in Tilburg, die zij huurt van een woningcorporatie. Op 3 juli 2023 is een van haar kinderen door de politie in de woning aangehouden als verdachte in een opsporingsonderzoek naar een criminele organisatie met een drugsbezorgservice in Tilburg en omstreken. Daarbij zijn in de woning onder andere 88 gripzakjes met in totaal 108,46 gram cocaïne en € 16.300,00 aan bankbiljetten aangetroffen. Hierop heeft de burgemeester besloten de woning voor de duur van één maand te sluiten. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Op 11 maart 2025 is de sluiting van de woning geëffectueerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1031
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202501489/1/A3

202502505/1/A2

Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de burgemeester van Breda een aan [appellant] verleende Alcoholwetvergunning ingetrokken. de burgemeester heeft dat gedaan omdat [appellant] volgens de burgemeester van slecht levensgedrag is en het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De burgemeester heeft daaraan twee strafrechtelijke onderzoeken ten grondslag gelegd naar aanleiding van aangiften van seksueel misbruik waarin [appellant] verdachte is, twee meldingen van seksueel misbruik in de [horecabedrijf] waarbij [appellant] als exploitant is betrokken en nog enkele andere incidenten. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet langer voldoet aan de eis dat geen sprake is van slecht levensgedrag in enig opzicht. De burgemeester heeft de strafrechtelijke veroordeling voor de verkrachting, hoewel die veroordeling nog niet onherroepelijk is, niet ten onrechte betrokken bij de beoordeling of [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1029
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502505/1/A2

202503645/1/A2

Bij besluit van 21 juni 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om compensatie voor afgeloste geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen afgewezen. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om compensatie van door haar afgeloste schulden van € 45.721,00 aan de Interbank en € 3.000,00 aan de Rabobank. De minister heeft de schulden niet gecompenseerd. Volgens de minister zijn de afgeloste schulden een financieel product bij een bank die op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht alleen voor overname in aanmerking komen als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, zoals volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Daarvan is volgens de minister geen sprake. De rechtbank heeft geoordeeld dat de reeds betaalde schulden terecht niet zijn overgenomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1088
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503645/1/A2

202503794/1/R4

Bij besluit van 21 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 7 februari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar zij stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. [appellante] heeft een bezorgbevestiging overgelegd, waaruit blijkt dat een pakketbezorgder van DPD de doos op vrijdag 7 februari 2025 om 13:47 uur bij haar heeft bezorgd. Tijdens de bezorging leek het volgens [appellante] alsof het kattengrit dat zij had besteld uit de doos lekte. Omdat zij vaker een beschadigde zak kattengrit heeft ontvangen, heeft zij tegen de pakketbezorger gezegd dat zij de zak kattengrit direct wilde retourneren. Zij heeft vervolgens de doos opengemaakt om de andere artikelen die zij had besteld eruit te halen. Nadat de doos was geopend bleek dat de zak kattengrit niet beschadigd was, maar slechts lekte omdat de doos ondersteboven was gekeerd. Omdat de doos al geopend was, heeft zij deze teruggegeven aan de pakketbezorger en heeft ze het kattengrit en de overige inhoud van de doos mee naar binnen genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1080
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202503794/1/R4

202505087/1/R4

Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 3 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 3 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container ter hoogte van de [locatie] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellant] betoogt dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt en hij om die reden ten onrechte de kosten voor het verwijderen van de aangeboden doos moet betalen. Hij voert aan dat hij geen concreet bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden. Verder voert hij aan dat het aantreffen van de doos met zijn naam of adresgegevens erop geen sluitend bewijs oplevert dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1076
Datum uitspraak
25 februari 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505087/1/R4

202501962/3/R4

Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister van Klimaat en Groene Groei ingestemd met het door de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) ingediende winningsplan Warffum van 23 september 2022. Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister ingestemd met het door de NAM ingediende winningsplan Warffum. Het winningsplan Warffum voorziet in verlenging van de gaswinning uit het bestaande gasveld Warffum tot en met 31 december 2032. Op het moment van het besluit van 27 maart 2025 lag de gaswinning uit het gasveld Warffum stil, omdat de in het eerdere winningsplan opgenomen winningsperiode was verstreken. Verzoekers beogen schorsing van het besluit van 27 maart 2025 om te voorkomen dat gaswinning plaatsvindt voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Verzoekers hebben aan hun tweede verzoeken om schorsing van het besluit van 27 maart 2025 ten grondslag gelegd dat er sinds de uitspraak van 5 juni 2025 verschillende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die volgens hen ertoe moeten leiden dat de voorzieningenrechter alsnog het besluit van 27 maart 2025 schorst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:946
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige
  • uitspraakin de zaak202501962/3/R4
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202501962/3/R4

BRS.26.000613 en BRS.26.000614

Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:975
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000613 en BRS.26.000614

BRS.26.000772

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:986
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000772

BRS.26.000876

Bij besluiten van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:998
Datum uitspraak
24 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000876

BRS.25.001531

Bij besluit van 25 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant 1 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:954
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001531

BRS.25.002541

Bij besluit van 17 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:953
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002541

BRS.25.002588

Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de moeder van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:964
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002588

BRS.25.002733

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:955
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002733

BRS.26.000127

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:960
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000127

BRS.26.000159

Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:957
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000159

BRS.26.000163 en BRS.26.000165

Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:963
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000163 en BRS.26.000165

BRS.26.000499 en BRS.26.000501

Bij besluiten van 12 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:951
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000499 en BRS.26.000501

BRS.26.000617

Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:956
Datum uitspraak
23 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000617

202206080/1/V3

Bij besluit van 19 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het individueel ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze inzicht geeft in de feiten en omstandigheden op basis waarvan de AIVD tot de conclusie is gekomen dat appellant zich bij aankomst in Nederland van een alias heeft bediend en een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, en dat deze conclusie zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk is. De minister heeft dit ambtsbericht daarom aan haar besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Appellant heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het ambtsbericht, of aan de juistheid of volledigheid daarvan, naar voren gebracht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:966
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202206080/1/V3

202506050/2/R3

Bij besluit van 25 september 2025 heeft de raad van de gemeente Het Hogeland het bestemmingsplan "Eemshaven" vastgesteld. Voor de Eemshaven geldt de beheersverordening "Eemshaven" en de Facetbeheersverordening geluidverdeelplan Eemshaven. Het bestemmingsplan is een actualisering daarvan. [verzoekster] is een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op op- en overslag, be- en verwerking van primaire en (verontreinigde) secundaire bouwstoffen en afvalstoffen. Het bedrijf is gevestigd op het perceel Kwelderweg 15. Holland Battery 2 is eigenaar van het perceel Schildweg 14T. Op dat perceel wil zij een inkoopstation bouwen ten behoeve van een energieopslagsysteem. Dat energieopslagsysteem zal worden aangelegd op een deel van het perceel van [verzoekster]. Voor het inkoopstation is een omgevingsvergunning verleend die onherroepelijk is. Voor de aanleg van het energieopslagsysteem heeft zij een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Beide bedrijven vrezen dat de regeling over de geluidverdeling binnen het plangebied leidt tot een belemmering van hun bedrijfsvoering. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het besluit te schorsen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:945
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Groningen
  • uitspraakin de zaak202506050/2/R3

202600264/3/A3

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de burgemeester van Rotterdam een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet open overheid niet in behandeling genomen. [wederpartij] verzoekt samengevat om openbaarmaking en toezending van alle stukken over het al dan niet met toepassing van bestuursdwang sluiten van onder meer woningen, panden en percelen door de gemeente. Hij wil in ieder geval alle correspondentie, (voornemens tot) besluiten, verzoeken tot opening, bestuurlijke rapportages, controlerapporten, zienswijzen, alle stukken van juridische procedures, alle interne communicatie, verslagen, facturen van advocaten, en kosten van interne en externe communicatie over een periode van negen jaar ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het Woo-verzoek van [wederpartij] niet buiten behandeling had mogen stellen met toepassing van artikel 4.6 van de Woo. De burgemeester heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie en misbruik van recht heeft gemaakt. De burgemeester moet van de rechtbank opnieuw op het bezwaar beslissen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:965
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202600264/3/A3

202600271/2/A3

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de Raad van State een verzoek van Stichting De Verbeelding van 22 maart 2025 om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet open overheid afgewezen, gedeeltelijk omdat het verzoek betrekking heeft op zijn Afdeling bestuursrechtspraak en gedeeltelijk omdat binnen de Raad geen informatie is gevonden die onder het bereik van het verzoek valt. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de standpunten van partijen, geen aanleiding om een (nadere) inhoudelijke belangenafweging te maken. Het verzoek kan als kennelijk gegrond worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de uitspraak van de rechtbank waarop het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft zal worden geschorst, voor zover die is aangevochten, totdat op het hoger beroep is beslist. Dat betekent dat de Raad geen uitvoering hoeft te geven aan de in de uitspraak van de rechtbank gegeven opdracht tot het uitvoeren en motiveren van een zoekslag naar de gevraagde informatie in het verzoek van de Stichting van 22 maart 2025 en 23 april 2025, dat laatste behoudens het tweede deel daarvan. Ook hoeft de Raad in zoverre niet binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank opnieuw op de bezwaren te beslissen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:983
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202600271/2/A3

BRS.25.002121

Bij besluit van 3 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:892
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002121

BRS.25.002695

Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:940
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002695

BRS.26.000491 en BRS.26.000493

Bij besluit van 15 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:930
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000491 en BRS.26.000493

BRS.26.000646

Bij brief van 18 november 2025 (verlengingsbesluit), gewijzigd door de brief van 6 januari 2026 (tweede verlengingsbesluit), heeft de minister appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:943
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000646

BRS.26.000813

Bij besluit van 7 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:976
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000813

202500099/1/A2

Bij besluit van 8 juli 2022 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] een vergoeding van € 170,04 toegekend. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft de raad bij besluit van 24 augustus 2023 ongegrond verklaard. [appellant] neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Met een formulier van 7 februari 2020 heeft [appellant] als gemachtigde van [persoon] een reguliere toevoeging aangevraagd voor het verweer tegen een beslissing waarmee een boete is opgelegd (het boetebesluit). In het formulier heeft [appellant] vermeld dat het bedrag van de boete € 897,00 is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1099
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Rechtsbijstand
  • uitspraakin de zaak202500099/1/A2

202502550/1/A2

Bij besluit van 30 april 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) opgelegd. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 18 juli 2024 ongegrond verklaard. De bestuurder van de auto met kenteken […] is op 11 april 2024 staande gehouden door de politie Eenheid Noord-Holland, omdat hij een mobiele telefoon vasthield tijdens het besturen van een personenauto. Na het uitschrijven van een bekeuring is er een speekseltest afgenomen. Deze test wees uit dat de bestuurder vermoedelijk onder invloed van cannabis heeft gereden. De verbalisant heeft de bestuurder daarop bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen. De bestuurder heeft vervolgens de speekseltest van de motorfiets van de verbalisant gepakt en is weggerend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1108
Datum uitspraak
20 februari 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Drugs
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202502550/1/A2
vorige pagina1...111213...1.243volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon