Uitspraak BRS.26.000163 en BRS.26.000165
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:963
- Datum uitspraak
- 23 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000163 en BRS.26.000165
ECLI:NL:RVS:2026:963
Datum uitspraak: 23 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2025 in zaak nr. NL25.53042 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr J.W.F. Menick, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 8 januari 2026. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Afdeling bij brief van 15 januari 2026 heeft geboden om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Voor zover de veranderde situatie in Iran relevant zou kunnen zijn voor deze zaak, kan appellant die ten grondslag leggen aan een nieuwe aanvraag.
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk en de voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
992