Besluit procedure versnellingen elektriciteitsprojecten


Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 juli 2024 aan de minister van Klimaat en Groene Groei met een reactie op het consultatieverzoek over het Besluit procedure versnellingen elektriciteitsprojecten.

’s-Gravenhage, 8 juli 2024

Aan minister van Klimaat en Groene Groei 
Mevrouw S.T.M. Hermans
Postbus 20401  
2500 EK ‘S-GRAVENHAGE

Betreft: Wijziging Omgevingsbesluit/Besluit procedure versnellingen elektriciteitsprojecten

Excellentie,

Op 6 mei 2024 is voor consultatie vrijgegeven het voorstel voor een algemene maatregel van bestuur “Besluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten” op grond van artikel 16.87a Omgevingswet (nieuw).

Hierbij doe ik u toekomen de reactie van de Afdeling bestuursrechtspraak op het voorstel “Besluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten” (hierna: het Besluit).

Het Besluit

Kort samengevat regelt het Besluit dat aangewezen elektriciteitsprojecten versneld worden afgedaan door juridische procedures te beperken tot beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak en te bepalen dat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak doet binnen zes maanden nadat verweer is uitgebracht.

Het aantal projecten dat onder het Besluit komt te vallen is aanzienlijk. De Afdeling bestuursrechtspraak baseert dit op het zogeheten beleidskompasformulier, waaruit volgt dat tot 2032 besluitvorming zal worden afgerond die ziet op:

  1. tot 20 projecten die zien op 220 Kv/380 kV-verbindingen en verdeelstations,
  2. tussen de 100-125 projecten die zien op 25 KV/50 kV-verbindingen en verdeelstations,
  3. ongeveer 300 tot 450 projecten van Liander, Enexis en Stedin, en
  4. tot 80 bijbehorende projecten voor aansluitingen en systeemkoppelingen.

Deze projecten vallen onder de reikwijdte van het Besluit.

Algemene reactie

De reactie van de Afdeling bestuursrechtspraak ziet specifiek op het Besluit, maar kan niet los worden gezien van de eerdere reacties van de Afdeling bestuursrechtspraak op het wetsvoorstel “Wet versterking regie volkshuisvesting” én de reactie op het ontwerp voor het “Besluit versterking regie volkshuisvesting” en het concept voor de “Regeling versterking regie volkshuisvesting”. Deze reacties van 13 april 2023 en 22 april 2024 treft u hierbij voor de zekerheid ook aan [bijlage 1 en bijlage 2]. Deze eerdere reacties maken de kanttekeningen van de Afdeling bestuursrechtspraak helder kenbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak staat nog steeds achter deze kanttekeningen.

Dit betekent meer expliciet dat de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is, dat niet lichtvaardig afbreuk mag worden gedaan aan het beginsel van rechtsbescherming in twee instanties en dat de kwaliteit van de rechtspraak niet in het geding mag komen.

Maar kern van de kanttekening van de Afdeling bestuursrechtspraak is, zoals ook in onze reactie van 22 april 2024 zeer expliciet is genoemd, dat juist vanwege de oplopende doorlooptijden, zeer terughoudend moet worden omgegaan met het benoemen van categorieën van gevallen die onder het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting kunnen rekenen op een versnelde afhandeling.

Onder de reikwijdte van het Besluit vallen ruim 700 elektriciteitsprojecten. Het aantal zaken dat bij de Afdeling bestuursrechtspraak daardoor zal worden aangebracht is lastig in te schatten, maar de Afdeling bestuursrechtspraak verwacht dat dat een zeer aanzienlijk aantal zal zijn, en dat het ook in potentie om complexe en bewerkelijke zaken gaat. Hoe meer zaken voorrang krijgen, hoe lastiger het wordt om aan al die zaken prioriteit te geven. Ook betekent dit, dat het bij voorrang behandelen van zaken met zich brengt dat dit ten koste zal gaan van de doorlooptijden in overige aanhangige zaken. De Afdeling bestuursrechtspraak zal pogen dat zoveel als mogelijk te beperken, maar de boodschap is en moet zijn dat niet alles tegelijk kan.

Hoogachtend,
de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State,

mr. R. Uylenburg

Een afschrift van deze brief is ook verstuurd aan de staatssecretaris Rechtsbescherming, de heer T.H.D. Struycken en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, mevrouw M.C.G. Keijzer.