Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de artikelen 89 en 90 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176) (Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W06.14.0209/III
- Datum advies
- 25 juli 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 26867
- Financiën
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de artikelen 89 en 90 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176) (Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 30 juni 2014, no.2014001280, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de artikelen 89 en 90 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176) (Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten), met nota van toelichting.
Het voorstel implementeert de artikelen 89 en 90 van de richtlijn kapitaalvereisten (zie noot 1) (hierna: de richtlijn) in een nieuw Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten. Er wordt een verplichting ingevoerd om bepaalde informatie per staat te verstrekken en om in het jaarverslag het rendement op activa bekend te maken.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het voorstel, maar maakt een opmerking over het begrip "vestiging". Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
Vestigingen van banken en beleggingsondernemingen
De bekendmaking van informatie per staat moet volgens artikel 89, eerste lid, van de richtlijn plaatsvinden voor elke staat waarin een bank of beleggingsonderneming een vestiging heeft. Dit wordt in het voorgestelde artikel 3, eerste lid, geïmplementeerd door bijkantoren en dochtermaatschappijen als vestiging aan te merken. De Afdeling wijst erop dat ook het hoofdkantoor van de bank of beleggingsonderneming een vestiging is die in de bekendmaking, voor de staat waarin zij gelegen is, moet worden meegenomen. (zie noot 2) Daarnaast zou er onduidelijkheid kunnen ontstaan over hoe moet worden omgegaan met bijkantoren en dochterondernemingen van dochterondernemingen.
De Afdeling adviseert in de toelichting de gekozen invulling van het begrip vestiging en in het bijzonder de beperking tot dochterondernemingen en bijkantoren nader te motiveren en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 september 2014
De Afdeling onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over het begrip vestiging en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
In het ontwerpbesluit worden voor de toepassing van de publicatieverplichtingen voor banken en beleggingsondernemingen bijkantoren en dochtermaatschappijen als vestiging aangemerkt. De Afdeling wijst erop dat ook het hoofdkantoor van de bank of beleggingsonderneming een vestiging is die in de bekendmaking moet worden meegenomen. Daarnaast zou er onduidelijkheid kunnen ontstaan over hoe moet worden omgegaan met bijkantoren en dochterondernemingen van dochterondernemingen. De Afdeling adviseert in de toelichting de gekozen invulling van het begrip vestiging en in het bijzonder de beperking tot dochterondernemingen en bijkantoren nader te motiveren en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
Aan de opmerking van de Afdeling is tegemoet gekomen door in de aanhef van artikel 3, eerste lid, de zinsnede "voor elke staat waarin zij een dochteronderneming of bijkantoor heeft" te vervangen door: voor elke staat waarin zij of haar dochterondernemingen een vestiging hebben. In de toelichting bij artikel 1 is verduidelijkt dat het begrip vestiging de zetel (hoofdvestiging) en de bijkantoren van de betrokken onderneming omvat. Een en ander betekent dat in de rapportages zowel de zetel en de bijkantoren van de bank of beleggingsonderneming zelf, als de zetel en de bijkantoren van haar dochterondernemingen worden meegenomen. De gewijzigde formulering sluit aan bij de tekst van de richtlijn, en neemt eventuele onduidelijkheid over de invulling van het begrip vestiging weg.
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Veiligheid en Justitie, hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Financiën
(1) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2103 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176).
(2) Aanwijzingen voor een ruimere interpretatie van het begrip "vestiging" kunnen worden gevonden in artikel 49 van het EU-Werkingsverdrag en EBA-opinion 2014_1248.