Ontwerpbesluit houdende nadere regels voor laadtijden, lostijden en overliggeld in de binnenvaart (Tweede tijdelijke besluit laden en lossen binnenvaart), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.14.0156/II
- Datum advies
- 19 juni 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 20627
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende nadere regels voor laadtijden, lostijden en overliggeld in de binnenvaart (Tweede tijdelijke besluit laden en lossen binnenvaart), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 23 mei 2014, no.2014001002, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels voor laadtijden, lostijden en overliggeld in de binnenvaart (Tweede tijdelijke besluit laden en lossen binnenvaart), met nota van toelichting.
Op 6 juli 2013 is het Tijdelijk besluit laden en lossen binnenvaart (hierna: Tijdelijk besluit) vervallen. Volgens de toelichting is "daags voor het vervallen van het Tijdelijk besluit" verzocht tot verlenging ervan. Met het voorliggende ontwerpbesluit wordt een nieuw besluit vastgesteld dat gelijkluidend is aan het Tijdelijk besluit. Om de periode tussen het vervallen van het Tijdelijk besluit en dit hernieuwde tijdelijke besluit te overbruggen, voorziet het ontwerpbesluit in terugwerkende kracht tot 6 juli 2013.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen.
De nota van toelichting vermeldt dat het Tijdelijk besluit bedoeld was om een geleidelijke overgang te bieden naar minder bemoeienis van de overheid met de bevrachtingsvoorwaarden. De gewenste omvorming van de binnenvaartmarkt had na twee jaar echter nog niet plaatsgevonden, waardoor verlenging van het Tijdelijk besluit noodzakelijk werd geacht. De Afdeling heeft daar begrip voor, maar merkt op dat tussen het vervallen van het Tijdelijk besluit en het aanhangig maken van het voorliggende ontwerpbesluit, dat qua inhoud identiek is aan het Tijdelijke besluit, ruim tien maanden zijn verstreken. Dit lange tijdsverloop heeft tot gevolg dat voor het voorliggende ontwerpbesluit, dat een geldingsduur zal hebben van twee jaar, terugwerkende kracht van bijna een jaar nodig is. Om redenen van kenbaarheid en rechtszekerheid verdient dit in beginsel niet de voorkeur.
Ook merkt de Afdeling op dat het Tweede tijdelijk besluit over ruim een jaar, te weten op 6 juli 2015, opnieuw van rechtswege vervalt. De nota van toelichting besteedt geen aandacht aan de vraag in hoeverre er aanwijzingen zijn dat deze korte termijn voldoende gelegenheid biedt om de gewenste omvorming van de binnenvaartmarkt nu wel te realiseren. Indien die aanwijzingen er op dit moment nog niet zijn, is aannemelijk dat kort na totstandkoming van het onderhavige besluit opnieuw de wens tot verlenging van het (tweede) Tijdelijk besluit zal opkomen.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 4 juli 2014
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit en maakt daarbij een tweetal kanttekeningen waar ik graag op inga.
De eerste kanttekening betreft de terugwerkende kracht van het ontwerpbesluit. De Afdeling advisering van de Raad van State geeft aan dat dit in beginsel niet de voorkeur geniet om redenen van kenbaarheid en rechtszekerheid. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat een wettelijke regeling om de hiervoor genoemde redenen zo weinig mogelijk terugwerkende kracht dient te hebben.
Echter, in de onderhavige situatie was het in de concrete omstandigheden niet mogelijk om de door de marktpartijen verzochte verlenging van de wettelijke regeling direct te laten aansluiten op de bestaande regeling, die het karakter droeg van een overgangsregeling.
De wettelijke regeling is weliswaar van regelend recht -partijen hebben de vrijheid om daarvan af te wijken- maar in de praktijk is het gebruikelijk dat de overeenkomsten worden gebaseerd op de wettelijke regeling. Dientengevolge zou er een lacune ontstaan, indien er een periode zou zijn waarvoor geen wettelijke regeling zou gelden. Om dit gebrek aan rechtszekerheid voor de marktpartijen weg te nemen, is het in dit geval juist nodig om aan het ontwerpbesluit terugwerkende kracht te verbinden.
De tweede kanttekening betreft het feit dat het ontwerpbesluit een tijdelijk karakter draagt, waardoor het van rechtswege zal vervallen op 6 juli 2015. De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt zich af of er voldoende aanwijzingen zijn dat de marktpartijen binnen dit tijdsbestek tot goede afspraken zullen komen.
De Europese verladersorganisatie (EVO) heeft in samenwerking met de Binnenvaart Branche Unie en het Centraal Bureau voor de Rijn en Binnenvaart in het najaar van 2013 de eerste concepten van de nieuwe bevrachtingsvoor- waarden afgerond en deze ter consultatie voorgelegd aan geïnteresseerden en betrokkenen. Op grond van deze berichten hebben mijn ambtgenoot van Infrastructuur en Milieu en ik er vertrouwen in dat partijen elkaar vóór juli 2015 voldoende hebben gevonden om zonder wettelijke regeling verder te kunnen.
De nota van toelichting is naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State aangevuld.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
de Minister van Veiligheid en Justitie