Nieuwe rechtspraak over invulling verplichting om bewaring vreemdelingen te voorkomen na een gevangenisstraf
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vandaag (16 september 2026) drie uitspraken gedaan over de zogenoemde inspanningsverplichting van de minister van Asiel en Migratie om te voorkomen dat vreemdelingen die een straf uitzitten, aansluitend op hun gevangenisstraf in zogenoemde vreemdelingenbewaring worden gesteld. De uitspraken zijn belangrijk omdat er in de uitvoeringspraktijk onduidelijkheid bestaat over de inspanningsverplichting. De Afdeling bestuursrechtspraak zet in de uitspraken met het oog op de rechtseenheid uiteen wanneer de inspanningsverplichting precies ingaat, hoe de minister daaraan invulling moet geven en hoe hij de belangen moet afwegen als hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.
Inspanningsverplichting
De achterliggende gedachte van de inspanningsverplichting is dat de minister voorkomt dat vreemdelingen na hun gevangenisstraf in vreemdelingenbewaring worden gesteld met het oog op uitzetting naar hun land van herkomst.
Wanneer start de inspanningsverplichting?
De Afdeling bestuursrechtspraak komt in de uitspraken samengevat tot de volgende nieuwe rechtspraak over het moment waarop de inspanningsverplichting start.
- De inspanningsverplichting start op de dag van het strafrechtelijk vonnis. Op dat moment is de minister bekend, of wordt hij geacht bekend te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie en kan hij daarop anticiperen.
- De inspanningsverplichting geldt niet tijdens de preventieve hechtenis (de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis) voorafgaand aan een strafrechtelijk vonnis. De einddatum van de strafrechtelijke detentie is dan namelijk nog onduidelijk.
- De inspanningsverplichting geldt wel als de preventieve hechtenis na een vonnis nog doorloopt of tijdens een hoger beroep tegen een strafrechtelijke veroordeling. De inspanningsverplichting geldt dus ook als een vonnis nog niet onherroepelijk is.
- Bij gevangenisstraffen van maximaal 30 dagen moet de minister uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis starten met de voorbereidingen voor uitzetting. Daarbij kan gedacht worden aan het aanvragen van een vervangend reisdocument, een vertrekgesprek voeren en het boeken van een vlucht.
- Bij gevangenisstraffen van meer dan 30 dagen moet de strafrechtketen uiterlijk op de 30e dag voor het einde van de gevangenisstraf het overdrachtsdossier naar de Dienst Terugkeer en Vertrek sturen. De minister moet vervolgens uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van de ontvangst van het overdrachtsdossier starten met de eerste voorbereidingen voor uitzetting.
Belangenafweging
Als de minister zijn inspanningsverplichting niet nakomt, moet hij beoordelen of de vreemdelingenbewaring nog gerechtvaardigd en dus rechtmatig is. Bij die belangenweging moet hij onder meer rekening houden met:
- de duur van de schending van de inspanningsverplichting;
- de duur van de vreemdelingenbewaring;
- de mate waarin hij tijdens de vreemdelingenbewaring voortvarend handelt;
- zijn mogelijkheden om op korte termijn een terugkeer naar het land van herkomst of de overdracht aan een andere lidstaat te regelen;
- en de mate waarin een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek of het vertrek frustreert of eerder heeft gefrustreerd.
Daarnaast mag de minister rekening houden met zijn zwaarwegende belang bij de vreemdelingenbewaring en de terugkeer van mensen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. De minister mag echter geen rekening houden met aspecten van openbare orde of het eerdere strafrechtelijk verleden van een vreemdeling. Dit is alleen anders als hij op basis daarvan aanwijzingen heeft dat een vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of de voorbereiding van zijn vertrek frustreert of belemmert.

Lees hier de uitspraken met zaaknummers 202201713/1 (korte gevangenisstraf), 202300511/1 (lange gevangenisstraf) en 202207346/1 (belangenafweging).