Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202500604/1/A2

Uitspraak 202500604/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6508
Datum uitspraak
4 november 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het Instituut aan Mijnbouwschade Groningen [appellant A] een schadevergoeding toegekend van € 13.078,54. [appellant A] is sinds 1986 eigenaar van een Oldambtster boerderij met stal uit 1920 aan de [locatie] in [woonplaats]. Op 19 november 2018 heeft [appellant A] schade aan de boerderij als gevolg van mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld gemeld bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (verder: het Instituut).appellant A] heeft in totaal een schadevergoeding van € 58.323,63 met wettelijke rente ontvangen.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202500604/1/A2.
Datum uitspraak: 4 november 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats]
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 23 december 2024 in zaak nr. 22/3644 in het geding tussen:

[appellant A]

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het Instituut aan [appellant A] een schadevergoeding toegekend van € 13.078,54.

Bij besluit van 6 september 2022 heeft het Instituut het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 23.148,21.

Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2022 gedeeltelijk vernietigd, voor een aantal schades een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 22.096,88, te vermeerderen met de wettelijke rente, bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 september 2022 en dit besluit voor het overige in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.

Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk overgelegd.

[appellant A] heeft nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant A], vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat in Winsum, vergezeld door P.J. Vrieling, deskundige, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. B.C. Rots en mr. S.C. Goldbohm, vergezeld door ir. R. Wiersum, deskundige, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant A] is sinds 1986 eigenaar van een Oldambtster boerderij met stal uit 1920 aan de [locatie] in [woonplaats].

2. Op 19 november 2018 heeft [appellant A] schade aan de boerderij als gevolg van mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld gemeld bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (verder: het Instituut).

3. [appellant A] heeft in totaal een schadevergoeding van € 58.323,63 (€ 13.078,54 + € 23.148,21 + € 22.096,88= € 58.323,63), vermeerderd met wettelijke rente, ontvangen.

Afbakening van het geschil in hoger beroep

4. Op de zitting is vast komen te staan dat schades 17, 56, 84, 85, 120 en 121 niet langer in geschil zijn. Het Instituut heeft de Afdeling verzocht het hoger beroep in zoverre gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien door aan [appellant A] voor deze schades een (aanvullende) schadevergoeding toe te kennen. De Afdeling baseert de toe te kennen schadevergoedingen voor schades 17, 56 en 84 op bijlage 4 bij het herzien advies van 23 mei 2021, opgesteld door H. Guichelaar van D.O.G. ingenieurs (verder: DOG), respectievelijk € 1.443,99, € 180,85 en € 3.998,85. De schadevergoeding voor schade 85, € 946,89, is gebaseerd op het nader advies van 8 oktober 2025 van ir. R. Wiersum van DOG. Voor schades 120 en 121 is de toe te kennen schadevergoeding in totaal € 2.454,85, te vermeerderen met BTW en te verminderen met het door de rechtbank toegekende bedrag. Het bedrag van € 2.454,85 is gebaseerd op de door [appellant A] overgelegde calculatie van 4 april 2025 van Vergnes Expertise B.V. (verder: Vergnes). Op de zitting is gebleken dat het Instituut zelf onvoldoende onderzoek heeft laten doen naar deze schades (scheuren in de binnenwanden van de tweede paardenstal). Op basis van de op de zitting getoonde foto’s heeft het Instituut zich geconformeerd aan het advies van Vergnes dat de scheuren niet plaatselijk kunnen worden hersteld, maar de binnenwanden opnieuw moeten worden opgebouwd.

5. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de herstelkosten voor schades 47 t/m 50 toereikend zijn, gelet op de herstelmethodes en herstelkosten van deze schades. Het bewijsvermoeden ten aanzien van deze schades is niet meer aan de orde. Bij deze schades gaat het om scheurvorming aan de buitenzijde in het rechterdeel van de achtergevel van de schuur. Volgens [appellant A] moet dit deel van de achtergevel opnieuw opgebouwd worden, terwijl volgens het Instituut plaatselijk herstel van de scheurvorming mogelijk is.

6. [appellant A] en het Instituut verschillen in hoger beroep niet meer van mening dat schades 51 t/m 55 en 57 - scheurvorming in het linkerdeel van dezelfde achtergevel - door het herstellen van voegen en het vervangen van kapotte stenen kunnen worden hersteld. Onder verwijzing naar het aanvullend memo van Vergnes van 4 maart 2026, bestrijdt [appellant A] ook niet meer dat voor het herstel van voegen gewone mortel in plaats van 2-componentenmortel moet worden gebruikt en conformeert hij zich aan de door de deskundigen van het Instituut vastgestelde omvang van het te herstellen voegwerk.

7. De Afdeling zal hieronder dus alleen schades 47 t/m 50 beoordelen. Tussen partijen staat vast dat de rechtbank voor deze schades een vergoeding heeft toegekend. [appellant A] stelt recht te hebben op een aanvullende vergoeding voor herstel van deze schades.

Beoordelingskader

8. Bij de begroting van vermogensschade is het uitgangspunt van het aansprakelijkheidsrecht dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan.

9. Bij zaakschade begroot het Instituut de schade aan de hand van de kosten die de aanvrager zou moeten maken om de schade te herstellen om te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond voordat het werd beschadigd. Het Instituut gaat hierbij uit van zowel cosmetisch als constructief herstel.

10. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat het Instituut deze benadering mag hanteren om gemelde schades op uniforme wijze af te handelen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, en 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2682.

11. Het gaat dus om de vraag of [appellant A] voldoende concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor het oordeel dat in de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen voor schades 47 t/m 50 geen toereikende herstelmethodiek is voorgesteld en dat de rechtbank daarom de adviezen, waarin is vermeld dat plaatselijk herstel van de scheurvorming in de achtergevel toereikend is, niet aan de toekenning van de schadevergoeding ten grondslag mocht leggen.

Beoordeling door de Afdeling

12. De rechtbank heeft vastgesteld dat schades 47 t/m 50 op 7 juli 2020 zijn opgenomen. In het advies van DOG is uiteengezet welke herstelmethode geschikt is om de achtergevel te herstellen en welke calculatie daarbij past. In het tegenadvies van Gremmer Engeneering B.V. (verder: Gremmer) is hierop niet concreet ingegaan. Zo is niet inzichtelijk gemaakt waarom de voorgestelde herstelmethode niet volstaat om de constructieve stevigheid, voor zover deze is aangetast, te herstellen. [appellant A] noemt scheefstand, maar maakt niet concreet in welke mate die scheefstand zich voordoet. Het betoog van [appellant A] is ook verder onvoldoende om te concluderen dat de herstelmethode en bijbehorende calculatie de muur niet terugbrengen in de toestand waarin deze zou hebben verkeerd zonder beschadiging door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.

13. [appellant A] betoogt in hoger beroep dat de toegekende vergoeding voor herstel van schades 47 t/m 50 niet toereikend is, omdat de begroting alleen ziet op herstel van plaatselijk voegwerk en metselwerk. Hierdoor wordt dit deel van de achtergevel, anders dan het linkerdeel van de achtergevel, niet teruggebracht in de toestand waarin het met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zou hebben verkeerd als de mijnbouwactiviteiten zich niet zouden hebben voorgedaan. In het tegenadvies van 10 april 2025 van Vergnes is uiteengezet dat aan de rechterzijde van de gevel duidelijk is waar te nemen dat tussen de kopgevel en de zijgevel van de schuur een hoogteverschil is ontstaan. Door dit hoogteverschil ontbreekt het constructieve verband in het metselwerk van dit geveldeel. Daarnaast is waarneembaar dat vanaf de gevelhoek (rechterzijde) tot aan de tweede deur in de gevel meerdere schades zijn ontstaan die aan binnen- en buitenzijde doorlopen in het metselwerk met scheefstand als gevolg. De scheefstand is ook vermeld in de adviezen van de deskundigen van het Instituut (onder meer bij schade 53) evenals in de rapportage van constructeur Gremmer van 6 juni 2024. Gremmer heeft verder bij schades 120 en 121 vastgesteld dat de buitenmuur losscheurt van twee daar dwars op staande binnenmuren. Deze gebreken zijn niet met plaatselijk voegwerkherstel te herstellen omdat zo de wijking en het constructieve verband in het geveldeel niet kan worden hersteld. Vergnes heeft voor herstel van schades 47 t/m 50 een vergoeding van € 54.863,12 begroot in de calculatie van 4 april 2025. In een aanvullend memo van 4 maart 2026 heeft Vergnes aan de hand van foto’s het geveldeel waarin schades 47 t/m 50 zich bevinden, gespecificeerd als reactie op de stelling van het Instituut dat het herstel van een onjuist deel van de gevel zou zijn gecalculeerd.

14. Het Instituut stelt - onder verwijzing naar het advies van ir. R. Wiersum van 8 oktober 2025 - dat voor herstel van schades 47 t/m 50 vervanging van het rechterdeel van de achtergevel niet nodig is en er geen reden is om verder te gaan dan plaatselijk herstel. In dit advies wordt verwezen naar het advies van ir. R. Wiersum van 26 juni 2024, waaruit volgt dat het opnieuw opbouwen van de achtergevel niet nodig is voor het herstellen van de scheurvorming. Het compleet opnieuw opmetselen van de gevel zal volgens hem leiden tot een forse verbetering van de situatie. Door plaatselijk de scheuren uit te hakken, opnieuw te voegen en waar nodig losse stenen te vervangen, kan de oorspronkelijke sterkte en het aanzicht van de muur hersteld worden. Volgens ir. R. Wiersum is dit een gangbare, technisch bewezen herstelmethode. Scheefstand is volgens ir. R. Wiersum niet aan de orde, omdat het dak aansluit op de dakgoot. Het Instituut ziet in het tegenadvies van Vergnes geen aanleiding om te twijfelen aan de herstelmethode die de deskundigen hebben geadviseerd.

15. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] voldoende concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de door het Instituut voorgestelde herstelmethode voor schades 47 t/m 50. Daarbij is het volgende van belang.

16. Op de zitting is aan de hand van foto’s gebleken dat in het bijzonder het deel van de gevel vlak onder de dakgoot en waarin schade 47 zich gedeeltelijk bevindt, opbolt en wijkt van de rest van de gevel, zoals de deskundigen van [appellant A] hebben gesteld. Het instituut heeft zowel met het advies van 8 oktober 2025 als op de zitting onvoldoende inzichtelijk het betoog van [appellant A] weersproken dat het herstellen van voegwerk en gescheurde stenen niet volstaat om de geconstateerde wijking en constructieve samenhang met de losgescheurde binnenwanden te herstellen. De Afdeling neemt daarbij ook in aanmerking dat Vergnes na de uitspraak van de rechtbank de woning opnieuw heeft bezocht en schades 47 t/m 50 opnieuw heeft beoordeeld. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben de woning voor het laatst in 2020 bezocht en hebben geen aanleiding gezien de schades aan de rechtergevel opnieuw te bekijken. Bij schades 120 en 121 is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en dit brengt ook met zich dat er geen antwoord is gekomen op de bevindingen van de door [appellant A] ingeschakelde deskundigen, namelijk dat de achtermuur los is gekomen van de twee binnenmuren, hetgeen ten koste gaat van de stabiliteit van het rechterdeel van de achtergevel. Bij deze stand van zaken komt de Afdeling tot de conclusie dat [appellant A] voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel heeft aangevoerd aan de door het Instituut voorgestane herstelmethode en bijbehorende calculatie voor schades 47 t/m 50.

17. Het betoog slaagt.

Conclusie

18. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de uitspraak ziet op schades 17, 56, 84, 85. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 september 2022 gegrond verklaren, omdat daarin geen schadevergoeding is toegekend voor deze schades. Het besluit van 6 september 2022 wordt vernietigd voor zover het Instituut het bezwaar van [appellant A] tegen de weigering van de vergoeding van deze schades ongegrond heeft verklaard.

19. De uitspraak van de rechtbank wordt ook vernietigd voor zover daarin een ontoereikende schadevergoeding is toegekend voor plaatselijk herstel van schades 120 en 121 en schades 47 t/m 50 en deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 6 september 2022.

Definitieve geschilbeslechting

20. In artikel 8:41a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Gelet op de lange duur van de procedure en de op de zitting geuite wens van partijen tot finale geschilbeslechting, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

21. De Afdeling zal de aan [appellant A] toe te kennen schadevergoeding voor schades 17, 56, 84 en 85 vaststellen op € 6.570,58 (€ 1.443,99 + € 180,85 + € 3.998,85 + € 946,89) en voor schades 120 en 121 op € 2.454,85, te vermeerderen met BTW en te verminderen met het door de rechtbank toegekende bedrag voor deze schades. De totaal toe te kennen schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 19 november 2018, de dag van ontvangst van de aanvraag, tot aan de dag van algehele uitbetaling.

22. De Afdeling zal de aan [appellant A] toe te kennen schadevergoeding voor schades 47 t/m 50 vaststellen op € 54.863,12, te vermeerderen met BTW en te verminderen met het door de rechtbank toegekende bedrag voor deze schades. De totaal toe te kennen schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 19 november 2018, de dag van de aanvraag van [appellant A], tot aan de dag van algehele uitbetaling

Proceskosten

23. Het Instituut moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 december 2024 in zaak nr. 22/3644, voor zover deze betrekking heeft op schades 17, 56, 84 en 85, schades 120 en 121 en schades 47 t/m 50;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant A] tegen het besluit van 6 september 2022 in zoverre gegrond;

IV. vernietigt in zoverre dat besluit;

V. bepaalt dat het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding voor schades 17, 56, 84, 85 van € 6.570,58 betaalt en een schadevergoeding voor schades 120 en 121 betaalt van € 2.454,85, te vermeerderen met BTW en te verminderen met het door de rechtbank toegekende bedrag voor deze schades. Het totale bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 19 november 2018 tot aan de dag van algehele uitbetaling;

VI. bepaalt dat het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant A] en [appellant B] een aanvullende schadevergoeding voor schades 47 t/m 50 betaalt van € 54.863,12, te vermeerderen met BTW en te verminderen met het door de rechtbank toegekende bedrag voor deze schades. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2018 tot aan de dag van algehele uitbetaling;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 6 september 2022;

VIII. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.941,47, waarvan € 1.868,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,- voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Willems
voorzitter

w.g. Planken
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026

299


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon