Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202401400/1/R3

Uitspraak 202401400/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4445
Datum uitspraak
29 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van vijftien appartementen aan de Beuckelaerstraat 29A t/m 29R in St.-Annaparochie. De omgevingsvergunning maakt de bouw van vijftien appartementen in vier bouwlagen mogelijk. [appellant sub 1] en anderen wonen in de directe omgeving van de locatie en zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning vanwege de gevolgen daarvan voor hun woon- en leefklimaat. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afwijking van de parkeernormen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens het college volgt uit de motivering van het besluit op bezwaar van 18 maart 2024, dat naar aanleiding van de einduitspraak is genomen, dat er in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen binnen 100 mr loopafstand van de ontwikkeling beschikbaar zijn die kunnen worden aangewend voor deze ontwikkeling.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202401400/1/R3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in St.-Annaparochie, gemeente Waadhoeke,

2.       het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 26 januari 2024 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van vijftien appartementen aan de Beuckelaerstraat 29A t/m 29R in St.-Annaparochie.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 22 juli 2021, heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De motivering van dit besluit is op 9 november 2022 aangevuld.

Bij tussenuitspraak van 10 maart 2023 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.

Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit van 19 juni 2023 heeft het college opnieuw het tegen het besluit van 13 november 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder intrekking van het besluit op bezwaar van 22 juli 2021 en de aanvulling daarop van 9 november 2022.

Bij uitspraak van 26 januari 2024 (de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit op bezwaar van 19 juni 2023 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak hebben het college en [appellant sub 1] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft ter uitvoering van de einduitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit van 18 maart 2024, kenmerk 2024-020061, is opnieuw het bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 november 2020 ongegrond verklaard.

[appellant sub 1] en anderen hebben tegen het besluit van 18 maart 2024 beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 februari 2026, waar zijn verschenen:

- [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [appellant sub 1] en [persoon], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat te Bolsward;

- het college, vertegenwoordigd door mr. L.M. Blankestijn, advocaat in Leeuwarden, vergezeld van O. van der Eems en S. Visser.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 mei 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Bij besluit van 13 november 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en - met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚ en 2˚, van de Wabo - de activiteit handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening op de locatie Beuckelaerstraat 29A t/m 29R in St.-Annaparochie. De omgevingsvergunning maakt de bouw van vijftien appartementen in vier bouwlagen mogelijk.

3.       [appellant sub 1] en anderen wonen in de directe omgeving van de locatie en zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning vanwege de gevolgen daarvan voor hun woon- en leefklimaat.

4.       De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom voor de parkeerbehoefte van dit bouwplan gebruik kan worden gemaakt van restcapaciteit in de openbare ruimte overeenkomstig zijn beleidsregels, vervat in de "Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke houdende regels omtrent parkeernormen" (de beleidsregel). Naar het oordeel van de rechtbank was onvoldoende duidelijk dat er voldoende restcapaciteit aanwezig is in de openbare ruimte binnen de maximale loopafstand van 100 m die volgens de beleidsregel van het college acceptabel is.

5.       In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Volgens de rechtbank is het college er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat binnen de afstand van 100 m kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners.

6.       Het college kan zich niet verenigen met deze uitspraken en heeft hoger beroep ingesteld. Ook [appellant sub 1] en anderen hebben tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld. Zij beogen met hun hoger beroep een verdergaande vernietiging van het besluit van 22 juli 2021.

7.       Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 18 maart 2024 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen beroep ingesteld.

Het hoger beroep van het college

Geen tweede zitting

8.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen tweede zitting heeft gehouden of aan het college een nadere termijn heeft gegeven om een schriftelijke reactie op de zienswijze over het herstelbesluit in te dienen.

8.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] en anderen hun zienswijze over het herstelbesluit op 27 oktober 2023 hebben ingediend. Bij brief van 30 oktober 2023 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken te reageren op deze zienswijze. Bij e-mail van 15 december 2023, dus buiten deze termijn, heeft het college aan de rechtbank medegedeeld dat wordt gewerkt aan een schriftelijke reactie. In deze e-mail verzoekt het college om een tweede zitting. Een schriftelijke reactie is vervolgens niet ingediend. Bij uitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank einduitspraak gedaan.

8.2.    Op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was de rechtbank niet verplicht om na toepassing van de bestuurlijke lus een tweede zitting te houden. Het college heeft binnen de daarvoor gestelde termijn niet gereageerd op een door de rechtbank geboden mogelijkheid om te reageren op de zienswijze. Wat het college heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank aanleiding had moeten zien om de zaak op een tweede zitting te behandelen.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

9.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afwijking van de parkeernormen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens het college volgt uit de motivering van het besluit op bezwaar van 18 maart 2024, dat naar aanleiding van de einduitspraak is genomen, dat er in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen binnen 100 mr loopafstand van de ontwikkeling beschikbaar zijn die kunnen worden aangewend voor deze ontwikkeling.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat het college zijn besluit op bezwaar van 19 juni 2023, dat ter uitvoering van de tussenuitspraak is genomen, heeft onderbouwd met een door BonoTraffics opgesteld rapport "Ontwikkeling Beuckelaerstraat" van 9 juni 2023. In dit rapport is het hele parkeerterrein van de Aldi meegerekend. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat het grootste deel van dit terrein buiten de in de toegepaste beleidsregel vermelde maximale loopafstand van 100 m ligt. De Afdeling stelt verder vast dat het college zijn besluit op bezwaar van 18 maart 2024, dat is genomen ter uitvoering van de einduitspraak, heeft onderbouwd met een door BonoTraffics opgesteld rapport "Ontwikkeling Beuckelaerstraat" van 8 maart 2024. In dit rapport wordt alleen het deel van het parkeerterrein van de Aldi meegerekend dat volgens het college binnen de loopafstand van 100 m ligt. Anders dan het college betoogt, bevestigt dit rapport dus juist dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er voldoende restcapaciteit in de openbare ruimte is voor dit bouwplan binnen de maximale loopafstand van 100 m die in de beleidsregel wordt gehanteerd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroep college

10.     Het hoger beroep van het college is ongegrond.

Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen

Welstand

11.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het negatieve welstandsadvies mocht passeren omdat dit verband houdt met de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Volgens hen is het binnen de planologische mogelijkheden mogelijk om een gebouw te realiseren dat minder massief is en minder nadrukkelijk aanwezig is. Zij hebben hun betoog onderbouwd aan de hand van een stedenbouwkundige beoordeling van RB Consilium.

11.1.  Hûs en Hiem (de welstandscommissie van de gemeente Waadhoeke) heeft op 9 november 2022 advies uitgebracht. Het advies luidt dat het voorgestelde appartementengebouw de kavel voor een groot gedeelte vult. Daardoor oogt het in combinatie met de in verhouding tot het omgevingsbeeld (overwegend één bouwlaag met kap) forse hoogte van vier bouwlagen plat afgedekt, onvoldoende ondergeschikt en te nadrukkelijk in het bestaande bebouwings- en omgevingsbeeld. De welstandscriteria en het bestaande omgevingsbeeld geven volgens de commissie maximaal ruimte voor één tot twee bouwlagen met een kap.

11.2.  Het college is van dit advies afgeweken omdat het bestemmingsplan ruimte laat voor een gebouw van deze omvang en omdat het de welstandscommissie niet is toegestaan om in te breken op bestaande planologische rechten, zo staat in zijn nadere motivering van 9 november 2022.

11.3.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1099, onder 4.2, toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zij zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, als het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Als echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zo'n keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name als de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

11.4.  Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan "St.-Annaparochie". Hierin zijn aan de gronden de bestemming "Centrum" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend als onderdeel van een meer percelen omvattend bestemmingsvlak en bouwvlak. In artikel 9.2.2 van de planregels in samenhang met de verbeelding zijn voor het bouwen van hoofdgebouwen onder meer de regels opgenomen dat de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt en dat de dakhelling ten minste 30˚ en ten hoogste 60˚ bedraagt. Met gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 9.4, onder c, van de planregels heeft het college toegestaan dat het hoofdgebouw wordt voorzien van een plat dak. Met gebruikmaking van de kruimelgevallenregeling, en daarbinnen de mogelijkheid van artikel 4, onderdeel 1, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, heeft het college een goothoogte tot 12,96 m toegestaan.

11.5.  In dit geval wijkt het bouwplan van het bestemmingsplan af wat betreft goothoogte en dakvorm. Omdat het college hieraan planologische medewerking wil verlenen, moest de welstandscommissie van deze goothoogte en de dakvorm uitgaan. Dat neemt niet weg dat in het welstandsadvies ook met juistheid is vastgesteld dat de bebouwing de kavel voor het grootste deel vult. Wat betreft dat deel van het bouwplan, in combinatie met de gegeven goothoogte en dakvorm, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - wel meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandstoets een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Juist dit gegeven, in combinatie met de goothoogte en dakvorm, is voor de welstandscommissie reden geweest om negatief te adviseren. Het college mocht het welstandsadvies dus niet naast zich neerleggen louter om de reden dat dit verband houdt met de bouwmogelijkheden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Bouwbesluit 2012

12.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte hun betoog dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 7.21 en 7.22 van Bouwbesluit 2012 is verleend, niet heeft besproken. Volgens hen blijft een te geringe ruimte tussen de gevels van de aanwezige bebouwing en de nieuwe bebouwing bestaan om onderhoud te kunnen plegen.

12.1.  Hoewel de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op dit betoog, leidt deze hogerberoepsgrond niet tot het daarmee beoogde doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, verplichten artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012 niet tot het aanhouden van een bepaalde afstand tussen gebouwen. Zie de uitspraak van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2381, onder 3-3.4, voor de verdere motivering van dit oordeel.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroep [appellant sub 1] en anderen

13.     Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is gegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

Parkeren

14.     Ter uitvoering van de einduitspraak van de rechtbank heeft het college een nieuw besluit genomen. Aan dit besluit op bezwaar van 18 maart 2024 ligt een rapport van BonoTraffics van 8 maart 2024 ten grondslag.

15.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat voldoende parkeerruimte beschikbaar is binnen 100 m van de ontwikkeling. Ter onderbouwing van hun betoog hebben zij het door BuroDB opgestelde rapport "Parkeeronderzoek" van 21 mei 2024 overgelegd, alsmede een rapport van B+E, "Vaststelling loopafstanden" van 12 april 2024. Zij voeren aan dat de loopafstand van 100 m op onjuiste wijze is vastgesteld. Verder is volgens hen het parkeerterrein van de Aldi volledig nodig voor de parkeerbehoefte van de Aldi en is een aantal parkeerplaatsen op dat terrein al gereserveerd voor bewoners van andere woningen. Voorts voldoen niet alle zeven nieuw aan te leggen parkeerplaatsen aan de norm NEN 2443. Ook is er geen rekening mee gehouden dat deze zeven parkeerplaatsen in de plaats komen van vier bestaande parkeerplaatsen. Ten slotte voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat in de omgeving van het bouwplan het aantal woningen toeneemt en het parkeeronderzoek daarom verouderd is.

15.1.  Artikel 33.1 (Parkeergelegenheid en los- en laadmogelijkheden) van de planregels van het bestemmingsplan "St.-Annaparochie" luidt:

a. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.

Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan CROW-publicatie 317 of aan de meest recente CROW-publicatie indien deze gedurende de planperiode worden gewijzigd.

b. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.

c. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, dienen na de realisering in stand te worden gehouden.

d. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in sub a en b:

1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien."

15.2.  Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 33.1, onder d, van de planregels. Bij de gebruikmaking van deze afwijkingsbevoegdheid heeft het college toepassing gegeven aan de beleidsregel. Daarin staat dat het college kan beslissen om een parkeervraag op te vangen binnen de openbare restcapaciteit. Voor het gebruik van bestaande openbare parkeerplaatsen geldt een maximale loopafstand tot de hoofdingang van de ontwikkeling van 100 m voor bewoners van woningen. De aanvrager moet met een parkeeronderzoek aantonen dat na realisatie van de ontwikkeling nog voldoende openbare parkeerruimte aanwezig is in de omgeving. Aan dat uit te voeren parkeeronderzoek stelt de beleidsregel een aantal eisen.

15.3.  De Afdeling leest in de beleidsregel niet op welke wijze de loopafstand van 100 m moet worden gemeten. In het rapport van BonoTraffics van 8 maart 2024 is deze afstand digitaal vastgesteld op basis van de GBKN en op een afbeelding inzichtelijk gemaakt. In het door [appellant sub 1] en anderen overgelegde rapport van B+E zijn de afstanden gemeten met een meetlint. Het verschil in uitkomst geeft geen aanleiding om aan de in het rapport van BonoTraffics gehanteerde methode op basis van de GBKN en daarmee aan de juistheid van die uitkomst te twijfelen.

Aan de door het college gevonden restcapaciteit op het parkeerterrein van de Aldi, liggen parkeertellingen op verschillende momenten ten grondslag. Deze gehanteerde methode is in overeenstemming met de beleidsregel. De feitelijke parkeertellingen bevestigen niet de stelling van [appellant sub 1] en anderen dat alle parkeerplaatsen op het parkeerterrein al nodig zijn voor de parkeerbehoefte van de Aldi. Ook hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat een aantal parkeerplaatsen op het terrein al exclusief is gereserveerd voor de bewoners van andere woningen.

Over de zeven nieuw te realiseren parkeerplaatsen is in de door BonoTraffics opgestelde notitie "Ontwikkeling Beuckelaerstraat" van 30 januari 2026 met een rijcurve inzichtelijk gemaakt dat alle zeven parkeerplaatsen benut zullen kunnen worden. Het college heeft daarbij toegelicht dat de genoemde NEN niet als norm wordt gehanteerd bij de aanleg van parkeerplaatsen. [appellant sub 1] en anderen hebben geen aanknopingspunt aangereikt voor het tegendeel. Verder heeft het college toegelicht dat de vier bedoelde parkeerplaatsen niet als beschikbare parkeerplaatsen zijn meegerekend in het onderzoek van BonoTraffics van 8 maart 2024. De Afdeling ziet geen reden om daaraan te twijfelen.

Voorts stelt de Afdeling vast dat in het rapport van BonoTraffics als uitgangspunt is gehanteerd dat in een straat vanaf 5 m breed van langsparkeren aan één zijde van de straat mag worden uitgegaan. Niet weersproken is dat de Beuckelaerstraat op dit deel 5,5 m breed is en langsparkeren dus theoretisch mogelijk is. In de beleidsregel leest de Afdeling niet dat langsparkeerplaatsen, ook al worden ze in de praktijk nog niet benut, niet als beschikbare restcapaciteit in aanmerking mogen worden genomen.

Over de door [appellant sub 1] en anderen gestelde ontwikkelingen in de omgeving stelt de Afdeling vast dat in de beleidsregel staat dat een parkeeronderzoek naar de restcapaciteit niet ouder dan twee jaar mag zijn. Zowel het onderzoek van BonoTraffics van 9 juni 2023 als het onderzoek van 8 maart 2024 waren ten tijde van het besluit van 18 maart 2024 niet ouder dan twee jaar. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1] en anderen niet hebben geconcretiseerd welke concrete ontwikkelingen in de omgeving volgens hen relevante gevolgen hebben voor de restcapaciteit in de openbare ruimte en in welke mate.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

15.4.  Het college heeft evenwel niet deugdelijk gemotiveerd dat alle meegerekende parkeerplaatsen binnen de maximale loopafstand van 100 m liggen. Een aantal parkeerplaatsen kan alleen binnen deze loopafstand van 100 m worden gebracht als er feitelijke aanpassingen plaatsvinden, zoals een doorsteek naar het parkeerterrein van de Aldi. Op de zitting heeft het college toegelicht dat deze doorsteek nog niet is gerealiseerd. Ook heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd dat is gewaarborgd dat deze doorsteek op het terrein van de Aldi daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Op basis van de overgelegde parkeeronderzoeken is niet vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen door de beoogde doorsteek binnen de maximale loopafstand van 100 m kunnen worden gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit op bezwaar in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen.

Het betoog slaagt in zoverre.

Conclusie

16.     Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is gegrond. Het hoger beroep van het college is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 8 maart 2024 is gegrond. Dit besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

17.     Het college moet, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraken van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs zijn aangevochten, een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant sub 1] en anderen nemen. Kort gezegd moet het college dus opnieuw bezien of hij aanleiding ziet om van het negatieve welstandsadvies af te wijken en dit dan motiveren. Ook moet het college nader motiveren of toepassing kan worden gegeven aan artikel 33.1, onder d, van de planregels voor dit bouwplan.

18.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tot slot aanleiding om met toepassing van artikel 8:113 van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

19.     [appellant sub 1] en anderen hebben verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

19.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan, in dit geval 2 december 2020.

19.2.  De redelijke termijn van vier jaar is met één jaar en ruim vijf maanden overschreden. Hierbij betrekt de Afdeling dat de rechtbank op verzoek van [appellant sub 1] en anderen de termijn voor het indienen van een zienswijze over het tijdens de procedure bij de rechtbank genomen herstelbesluit met twee maanden heeft verlengd.

Als, zoals in dit geval, een bestuurlijke lus is toegepast wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. De Afdeling ziet in dit geval reden om van dit uitgangspunt af te wijken, omdat de behandeling van het hoger beroep langer dan twee jaar heeft geduurd. De procedure bij de Afdeling, die is begonnen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 4 maart 2024, heeft tot een half jaar te lang geduurd.

De Afdeling zal, uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de schadevergoeding voor [appellant sub 1] en anderen vaststellen op een bedrag van € 1.500,00, als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade.

De vergoeding van dit bedrag zal worden uitgesproken voor een bedrag van € 1.000,00 ten laste van het college en voor een bedrag van € 500,00 ten laste van de Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 1] en anderen gezamenlijk procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder een kwart van dit bedrag krijgen toegekend.

Proceskosten en griffierecht

20.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

21.     Het college en de Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten ieder voor de helft de proceskosten vergoeden die zijn gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.

22.     Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke ongegrond;

III.      verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke van 18 maart 2024, kenmerk 2024-020061, gegrond;

IV.     vernietigt het onder III. vermelde besluit;

V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak en de uitspraken van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs zijn aangevochten, is overwogen;

VI.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke om aan [appellant sub 1] en anderen een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 1] en anderen een schadevergoeding van € 500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;

X.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.342,25, waarvan € 3.269,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XII.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XIV.   bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Knol
voorzitter

w.g. Boer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

745

Persaankondiging

Omgevingsvergunning voor appartementencomplex in Sint Annaparochie

Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke heeft verleend voor de bouw van vijftien appartementen aan de Beuckelaerstraat in Sint Annaparochie. Enkele omwonenden zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. De welstandscommissie heeft een negatief advies uitgebracht over het bouwplan en de omwonenden vinden dat het college van B&W dit advies had moet volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 20 februari 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon